Nehemia
Chapter 5
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Septuagint (Greek …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Maar er ontstond een ernstige klacht van het volk en hun vrouwen tegen de Joden, hun eigen broeders.
1ΚΑΙ ἡ κραυγὴ τοῦ λαοῦ καὶ γυναικῶν αὐτῶν μεγάλη πρὸς τοὺς ἀδελφοὺς αὐτῶν τοὺς Ἰουδαίους.
2Sommigen zeiden: We moeten onze zonen en dochters verpanden, om koren te kopen, te eten en in het leven te blijven.
2καὶ ἦσάν τινες λέγοντες· ἐν υἱοῖς ἡμῶν καὶ ἐν θυγατράσιν ἡμῶν ἡμεῖς πολλοί· καὶ ληψόμεθα σῖτον καὶ φαγόμεθα καὶ ζησόμεθα.
3Anderen zeiden: We moeten onze akkers, wijngaarden en huizen verpanden, om koren te kopen tegen de honger.
3καὶ εἰσί τινες λέγοντες· ἀγροὶ ἡμῶν καὶ ἀμπελῶνες ἡμῶν καὶ οἰκίαι ἡμῶν, ἡμεῖς διεγγυῶμεν, καὶ ληψόμεθα σῖτον καὶ φαγόμεθα.
4Weer anderen: We hebben op onze akkers en wijngaarden geld opgenomen voor de belasting aan den koning.
4καὶ εἰσί τινες λέγοντες· ἐδανεισάμεθα ἀργύριον εἰς φόρους τοῦ βασιλέως, ἀγροὶ ἡμῶν καὶ ἀμπελῶνες ἡμῶν καὶ οἰκίαι ἡμῶν·
5Maar ons lijf is toch even goed als dat onzer broeders, onze kinderen zijn toch even goed als de hunnen. Toch moeten wij onze zonen en dochters als slaven verkopen, en zijn er al dochters van ons als slavinnen verkocht, zonder dat wij er iets aan kunnen doen; ook onze akkers en wijngaarden zijn in andere handen overgegaan.
5καὶ νῦν ὡς σὰρξ ἀδελφῶν ἡμῶν σὰρξ ἡμῶν, ὡς υἱοὶ αὐτῶν υἱοὶ ἡμῶν. καὶ ἰδοὺ ἡμεῖς καταδυναστεύομεν τοὺς υἱοὺς ἡμῶν καὶ τὰς θυγατέρας ἡμῶν εἰς δούλους, καί εἰσιν ἀπὸ θυγατέρων ἡμῶν καταδυναστευόμεναι, καὶ οὐκ ἔστι δύναμις χειρῶν ἡμῶν, καὶ ἀγροὶ ἡμῶν καὶ ἀμπελῶνες ἡμῶν τοῖς ἐντίμοις.
6Toen ik hun klacht en beschuldiging hoorde, werd ik er hevig over ontstemd.
6καὶ ἐλυπήθην σφόδρα, καθὼς ἤκουσα τὴν κραυγὴν αὐτῶν καὶ τοὺς λόγους τούτους.
7Na bij mijzelf te hebben overlegd, riep ik de edelen en voormannen ter verantwoording, en sprak tot hen: Gij drijft woeker tegenover uw broeders! Ik belegde een grote vergadering tegen hen,
7καὶ ἐβουλεύσατο καρδία μου ἐπ' ἐμέ, καὶ ἐμαχεσάμην πρὸς τοὺς ἐντίμους καὶ τοὺς ἄρχοντας καὶ εἶπα αὐτοῖς· ἀπαιτήσει ἀνὴρ τὸν ἀδελφὸν αὐτοῦ, ἃ ὑμεῖς ἀπαιτεῖτε. καὶ ἔδωκα ἐπ' αὐτοὺς ἐκκλησίαν μεγάλην
8en sprak hun toe: Wij hebben onze joodse broeders, die aan de heidenen waren verkocht, zoveel we konden, vrijgekocht; en nu gaat gij uw eigen broeders verkopen, en worden zij onder ons verkocht! Ze zwegen, en wisten geen antwoord.
8καὶ εἶπα αὐτοῖς· ἡμεῖς κεκτήμεθα τοὺς ἀδελφοὺς ἡμῶν τοὺς Ἰουδαίους τοὺς πωλουμένους τοῖς ἔθνεσιν ἐν ἑκουσίῳ ἡμῶν· καὶ ὑμεῖς πωλεῖτε τοὺς ἀδελφοὺς ὑμῶν καὶ παραδοθήσονται ἡμῖν; καὶ ἡσύχασαν καὶ οὐχ εὕροσαν λόγον.
9Ik vervolgde: Het is niet goed, wat gij doet. Moet gij niet leven in de vrees van onzen God, om de smaad der heidenen, onze vijanden, te ontgaan?
9καὶ εἶπα· οὐκ ἀγαθὸς ὁ λόγος, ὃν ὑμεῖς ποιεῖτε· οὐχ οὕτως ἐν φόβῳ Θεοῦ ἡμῶν ἀπελεύσεσθε ἀπὸ ὀνειδισμοῦ τῶν ἐθνῶν τῶν ἐχθρῶν ἡμῶν.
10Ook ikzelf, mijn broers en mijn gevolg, hebben geld en koren aan hen geleend; maar wij zien af van die schuld.
10καὶ οἱ ἀδελφοί μου καὶ οἱ γνωστοί μου καὶ ἐγὼ ἐθήκαμεν ἑαυτοῖς ἀργύριον καὶ σῖτον· ἐγκατελίπομεν δὴ τὴν ἀπαίτησιν ταύτην.
11Geeft ook gij hun nog heden hun akkers, wijngaarden, olijfbomen en huizen terug, met wat gij aan geld of koren, aan most of olie van hen hebt te vorderen.
11ἐπιστρέψατε δὴ αὐτοῖς ὡς σήμερον ἀγροὺς αὐτῶν καὶ ἀμπελῶνας αὐτῶν καὶ ἐλαιῶνας αὐτῶν καὶ οἰκίας αὐτῶν· καὶ ἀπὸ τοῦ ἀργυρίου τὸν σῖτον καὶ τὸν οἶνον καὶ τὸ ἔλαιον ἐξενέγκατε αὐτοῖς.
12Ze gaven ten antwoord: We geven het terug, en zullen niets van hen vorderen; we zullen doen, wat ge zegt. Nu riep ik de priesters, en liet ze zweren, dat ze zó zouden doen.
12καὶ εἶπαν· ἀποδώσομεν, καὶ παρ' αὐτῶν οὐ ζητήσομεν, οὕτως ποιήσομεν καθὼς σὺ λέγεις· καὶ ἐκάλεσα τοὺς ἱερεῖς καὶ ὥρκισα αὐτοὺς ποιῆσαι ὡς τὸ ρῆμα τοῦτο.
13Daarbij schudde ik mijn mantel uit, en sprak: Zo moge God iedereen uit zijn huis en have schudden, die dit woord niet gestand doet; zo moge hij worden uitgeschud en berooid! De hele vergadering antwoordde: Amen! Het volk loofde God, en deed naar dit woord.
13καὶ τὴν ἀναβολήν μου ἐξετίναξα καὶ εἶπα· οὕτως ἐκτινάξαι ὁ Θεὸς πάντα ἄνδρα, ὃς οὐ στήσει τὸν λόγον τοῦτον, ἐκ τοῦ οἴκου αὐτοῦ καὶ ἐκ κόπου αὐτοῦ, καὶ ἔσται οὕτως ἐκτετιναγμένος καὶ κενός. καὶ εἶπε πᾶσα ἡ ἐκκλησία· ἀμήν, καὶ ἤνεσαν τὸν Κύριον. καὶ ἐποίησεν ὁ λαὸς τὸ ρῆμα τοῦτο.
14Ook heb ik sinds de dag, dat koning Artaxerxes mij tot stadhouder over het land van Juda heeft aangesteld, van het twintigste tot het twee en dertigste jaar van den koning, dus twaalf jaar lang, met mijn broers niet het onderhoud van een stadhouder willen trekken.
14Ἀπὸ τῆς ἡμέρας, ἧς ἐνετείλατό μοι εἶναι εἰς ἄρχοντα αὐτῶν ἐν γῇ Ἰούδα, ἀπὸ ἔτους εἰκοστοῦ καὶ ἕως ἔτους τριακοστοῦ καὶ δευτέρου τῷ Ἀρθασασθὰ ἔτη δώδεκα, ἐγὼ καὶ οἱ ἀδελφοί μου βίαν αὐτῶν οὐκ ἔφαγον.
15En terwijl de vroegere stadhouders, die mij vooraf waren gegaan, het volk ten laste waren geweest, en veertig zilveren sikkels per dag van hen hadden geëist voor brood en wijn, en hun gevolg bovendien het volk had verdrukt, heb ik voor mij zó niet gehandeld, omdat ik God vreesde.
15καὶ τὰς βίας τὰς πρώτας, ἃς πρὸ ἐμοῦ ἐβάρυναν ἐπ' αὐτούς, καὶ ἐλάβοσαν παρ' αὐτῶν ἐν ἄρτοις καὶ ἐν οἴνῳ ἔσχατον ἀργύριον, δίδραχμα τεσσαράκοντα, καὶ οἱ ἐκτετιναγμένοι αὐτῶν ἐξουσιάζονται ἐπὶ τὸν λαόν· κἀγὼ οὐκ ἐποίησα οὕτως ἀπὸ προσώπου φόβου Θεοῦ.
16Ook heb ik mijn steun verleend aan de bouw van de muur, en geen stuk grond voor mijzelf genomen, ofschoon toch heel mijn gevolg bij het werk was betrokken.
16καὶ ἐν ἔργῳ τοῦ τείχους τούτων οὐκ ἐκράτησα, ἀγρὸν οὐκ ἐκτησάμην, καὶ πάντες οἱ συνηγμένοι ἐκεῖ ἐπὶ τὸ ἔργον.
17Steeds had ik honderd vijftig man van de Joden en voormannen aan tafel, behalve nog hen, die van de omliggende volken tot ons kwamen.
17καὶ οἱ Ἰουδαῖοι, ἑκατὸν καὶ πεντήκοντα ἄνδρες, καὶ ἐρχόμενοι πρὸς ἡμᾶς ἀπὸ τῶν ἐθνῶν τῶν κύκλῳ ἡμῶν ἐπὶ τράπεζάν μου.
18Wat iedere dag werd toebereid: een rund, zes van de beste schapen en het gevogelte: kwam op mijn kosten; bovendien om de tien dagen nog vele zakken met wijn. Toch heb ik niet het onderhoud van een stadhouder willen eisen, omdat die verplichting te zwaar op het volk zou drukken.
18καὶ ἦν γινόμενον εἰς ἡμέραν μίαν μόσχος εἷς καὶ πρόβατα ἓξ ἐκλεκτὰ καὶ χίμαρος ἐγίνοντό μοι καὶ ἀνὰ μέσον δέκα ἡμερῶν ἐν πᾶσιν οἶνος τῷ πλήθει· καὶ σὺν τούτοις ἄρτους τῆς βίας οὐκ ἐζήτησα, ὅτι βαρεῖα ἡ δουλεία ἐπὶ τὸν λαὸν τοῦτον.
19Mijn God, reken mij ten goede, wat ik voor het volk heb gedaan!
19μνήσθητί μου, ὁ Θεός, εἰς ἀγαθὸν πάντα ὅσα ἐποίησα τῷ λαῷ τούτῳ.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.