Nehemia
Chapter 10
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Lutherbibel 1912
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Lutherbibel 1912
1Bezegeld door den landvoogd Nehemias den zoon van Chakalja, en door Sidki-ja.
1Die Versiegler aber waren: Nehemia, der Landpfleger, der Sohn Hachaljas, und Zedekia,
2Door Seraja, Azarja, Jirmeja,
2Seraja, Asarja, Jeremia,
3Pasjchoer, Amarja, Malki-ja,
3Pashur, Amarja, Malchia,
4Chattoesj, Sjebanja, Malloek,
4Hattus, Sebanja, Malluch,
5Charim, Meremot, Obadja,
5Harim, Meremoth, Obadja,
6Daniël, Ginneton, Baroek,
6Daniel, Ginthon, Baruch,
7Mesjoellam, Abi-ja, Mi-Jamin,
7Mesullam, Abia, Mijamin,
8Maäzja, Bilgai en Sjemaja; dit zijn de priesters.
8Maasja, Bilgai und Semaja, das waren die Priester;
9Door de levieten Jesjóea, den zoon van Azana; door Binnoej, uit de zonen van Chenadad, en Kadmiël,
9die Leviten aber waren: Jesua, der Sohn Asanjas, Binnui von den Kindern Henadads, Kadmiel
10met hun broeders Sjebanja, Hodi-ja, Kelita, Pelaja, Chanan,
10und ihre Brüder: Sechanja, Hodia, Kelita, Pelaja, Hanan,
11Mika, Rechob, Chasjabja,
11Micha, Rehob, Hasabja,
12Zakkoer, Sjerebeja, Sjebanja,
12Sakkur, Serebja, Sebanja,
13Hodija, Bani en Beninoe.
13Hodia, Bani und Beninu;
14Door de volkshoofden Parosj, Pachat-Moab, Elam, Zattoe, Bani,
14die Häupter im Volk waren: Pareos, Pahath-Moab, Elam, Satthu, Bani,
15Boenni, Azgad, Bebai,
15Bunni, Asgad, Bebai,
16Adoni-ja, Bigwai, Adin,
16Adonia, Bigevai, Adin,
17Ater, Chizki-ja, Azzoer,
17Ater, Hiskia, Assur,
18Hodi-ja, Chasjoem, Besai,
18Hodia, Hasum, Bezai,
19Charif, Anatot, Nebai,
19Hariph, Anathoth, Nobai,
20Magpiasj, Mesjoellam, Chezir,
20Magpias, Mesullam, Hesir,
21Mesjezabel, Sadok, Jaddóea,
21Mesesabeel, Zadok, Jaddua,
22Pelatja, Chanan, Anaja,
22Pelatja, Hanan, Anaja,
23Hosjéa, Chananja, Chassjoeb,
23Hosea, Hananja, Hassub,
24Hallochesj, Pilcha, Sjobek,
24Halohes, Pilha, Sobek,
25Rechoem, Chasjabna, Maäseja,
25Rehum, Hasabna, Maaseja,
26Achi-ja, Chanan, Anan,
26Ahia, Hanan, Anan,
27Malloek, Charim en Baäna.
27Malluch, Harim und Baana.
28Het gewone volk, de priesters, levieten, poortwachters, zangers en tempelknechten, allen, die zich hebben afgezonderd van de landsbevolking en zich hebben aangesloten bij de Wet van God, met hun vrouwen, zonen en dochters, voor zover zij tot de jaren van verstand zijn gekomen,
28Und das andere Volk, Priester, Leviten, Torhüter, Sänger, Tempelknechte und alle, die sich von den Völker in den Landen abgesondert hatten zum Gesetz Gottes, samt ihren Weibern, Söhnen und Töchtern, alle, die es verstehen konnten,
29in overeenstemming met hun broeders, de adel: zijn overeengekomen onder vloek en eed, te leven naar de Wet van God, die Hij ons heeft gegeven door Moses, Gods dienaar, en nauwgezet alle geboden, voorschriften en instellingen van Jahweh, onzen Heer, te onderhouden.
29hielten sich zu ihren Brüdern, den Mächtigen, und kamen, daß sie schwuren und sich mit einem Eide verpflichteten, zu wandeln im Gesetz Gottes, das durch Mose, den Knecht Gottes, gegeben ist, daß sie es hielten und tun wollten nach allen Geboten, Rechten und Sitten des HERRN, unsers Herrschers;
30Verder, dat wij onze dochters niet aan de landsbevolking zullen geven, en hun dochters niet voor onze zonen zullen nemen.
30und daß wir den Völkern im Lande unsere Töchter nicht geben noch ihre Töchter unsern Söhnen nehmen wollten;
31Dat wij op sabbat of feestdag van de landsbevolking geen waren of koren zullen kopen, als zij die op de sabbat ter markt brengt. Dat wij in het zevende jaar afstand zullen doen van de oogst en van iedere schuldvordering.
31auch wenn die Völker im Lande am Sabbattage bringen Ware und allerlei Getreide zu verkaufen, daß wir nichts von ihnen nehmen wollten am Sabbat und den Heiligen Tagen; und daß wir das siebente Jahr von aller Hand Beschwerung freilassen wollten.
32Verder, dat wij de verplichting op ons nemen, jaarlijks een derde sikkel te geven voor de eredienst in het huis van onzen God:
32Und wir legten ein Gebot auf uns, daß wir jährlich einen dritten Teil eines Silberlings gäben zum Dienst im Hause unsers Gottes,
33voor het toonbrood, het dagelijks spijs- en brandoffer, voor de offers op sabbat, nieuwe maan en hoogfeest, voor het dank- en zondeoffer, om verzoening voor Israël te verkrijgen, en voor de verdere dienst in het huis van God.
33nämlich zu Schaubrot, zu täglichem Speisopfer, zum täglichen Brandopfer, zum Opfer des Sabbats, der Neumonde und Festtage und zu dem Geheiligten und zum Sündopfer, damit Israel versöhnt werde, und zu allem Geschäft im Hause unsers Gottes.
34Dat wij, priesters, levieten en volk, het lot zullen werpen, om jaarlijks op vaste tijden in familiegroepen hout te leveren en naar het huis van God te brengen tot brandstof op het altaar van Jahweh, onzen God, zoals het in de Wet is bepaald.
34Und wir warfen das Los unter den Priestern, Leviten und dem Volk um das Opfer des Holzes, das man zum Hause unsers Gottes bringen sollte jährlich nach unsern Vaterhäusern auf bestimmte Zeit, zu brennen auf dem Altar des HERRN, unsers Gottes, wie es im Gesetz geschrieben steht.
35Verder, dat wij de eerstelingen van onze akker en de eerstelingen van al onze vruchtbomen jaarlijks naar het huis van Jahweh zullen brengen.
35Und wir wollen jährlich bringen die Erstlinge unsers Landes und die Erstlinge aller Früchte auf allen Bäumen zum Hause des HERRN;
36Dat wij de eerstgeborenen van onze zonen en van ons lastvee, zoals in de Wet is bepaald, met de eerstgeborenen van onze runderen en schapen naar het huis van onzen God zullen brengen voor de priesters, die dienst verrichten in het huis van onzen God.
36und die Erstlinge unsrer Söhne und unsres Viehs, wie es im Gesetz geschrieben steht, und die Erstlinge unsrer Rinder und unsrer Schafe wollen wir zum Hause unsres Gottes bringen den Priestern, die im Hause unsres Gottes dienen.
37Dat wij voor de priesters de keur van ons meel, van onze hefoffers, van alle boomvruchten, van most en olie naar de kamers van het huis van onzen God zullen brengen, en voor de levieten de tienden van onze akker. Dat de levieten de tienden in al onze landbouwplaatsen zullen innen,
37Auch wollen wir bringen das Erste unsres Teiges und unsre Hebopfer und Früchte von allerlei Bäumen, Most und Öl den Priestern in die Kammern am Hause unsres Gottes und den Zehnten unsres Landes den Leviten, daß die Leviten den Zehnten haben in allen Städten unsres Ackerwerks.
38maar dat de priester, de zoon van Aäron, bij de levieten zal zijn, als zij de tienden ophalen. Dat de levieten het tiende deel van de tienden naar het huis van onzen God zullen brengen in de kamers van de opslagplaats.
38Und der Priester, der Sohn Aarons, soll mit den Leviten sein, wenn sie den Zehnten nehmen, daß die Leviten den Zehnten ihrer Zehnten heraufbringen zum Hause unsres Gottes in die Kammern im Vorratshause.
39Dat de kinderen Israëls en de zonen van Levi het hefoffer aan koren, most en olie naar die kamers zullen brengen, waar de vaten voor het heiligdom, voor de dienstdoende priesters en voor de poortwachters en zangers zijn. Dat wij ook het huis van onzen God niet zullen verwaarlozen.
39Denn die Kinder Israel und die Kinder Levi sollen die Hebe des Getreides, Mosts und Öls herauf in die Kammern bringen. Daselbst sind die Gefäße des Heiligtums und die Priester, die da dienen, und die Torhüter und Sänger. So wollen wir das Haus unsres Gottes nicht verlassen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.