Nehemia
Chapter 10
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Bezegeld door den landvoogd Nehemias den zoon van Chakalja, en door Sidki-ja.
1Or quelli che aveano la cura d' apporre i suggelli furono Neemia, Hattirsata, figliuolo di Hacalia, e Sedechia,
2Door Seraja, Azarja, Jirmeja,
2Seraia, Azaria, Geremia,
3Pasjchoer, Amarja, Malki-ja,
3Pashur, Amaria, Malchia,
4Chattoesj, Sjebanja, Malloek,
4Hattus, Sebania, Malluc,
5Charim, Meremot, Obadja,
5Harim, Meremot, Obadia,
6Daniël, Ginneton, Baroek,
6Daniele, Ghinneton, Baruc,
7Mesjoellam, Abi-ja, Mi-Jamin,
7Mesullam, Abia, Miamin,
8Maäzja, Bilgai en Sjemaja; dit zijn de priesters.
8Maazia, Bilgai, e Semaia; costoro erano i sacerdoti.
9Door de levieten Jesjóea, den zoon van Azana; door Binnoej, uit de zonen van Chenadad, en Kadmiël,
9E i Leviti furono: Iesua, figliuolo di Azania; e Binnui, de' figliuoli di Henadad; e Cadmiel;
10met hun broeders Sjebanja, Hodi-ja, Kelita, Pelaja, Chanan,
10e i lor fratelli: Sebania, Hodia,
11Mika, Rechob, Chasjabja,
11Chelita, Pelaia, Hanan, Mica,
12Zakkoer, Sjerebeja, Sjebanja,
12Rehob, Hasabia, Zaccur, Serebia,
13Hodija, Bani en Beninoe.
13Sebania, Hodia, Bani, Beninu.
14Door de volkshoofden Parosj, Pachat-Moab, Elam, Zattoe, Bani,
14I capi del popolo furono: Paros, Pahat-Moab, Elam, Zattu, Bani,
15Boenni, Azgad, Bebai,
15Bunni, Azgad,
16Adoni-ja, Bigwai, Adin,
16Bebai, Adonia, Bigvai, Adin
17Ater, Chizki-ja, Azzoer,
17Ater, Ezechia, Azzur,
18Hodi-ja, Chasjoem, Besai,
18Hodia, Hasum,
19Charif, Anatot, Nebai,
19Besai, Harif, Anatot,
20Magpiasj, Mesjoellam, Chezir,
20Nebai, Magpias, Mesullam,
21Mesjezabel, Sadok, Jaddóea,
21Hezir, Mesezabeel, Sadoc,
22Pelatja, Chanan, Anaja,
22Iaddua, Pelatia, Hanan, Anania,
23Hosjéa, Chananja, Chassjoeb,
23Hosea, Hanania, Hassub,
24Hallochesj, Pilcha, Sjobek,
24Lohes, Pilha, Sobec,
25Rechoem, Chasjabna, Maäseja,
25Rehum, Hasabna, Maaseia,
26Achi-ja, Chanan, Anan,
26Ahia, Hanan, Anan,
27Malloek, Charim en Baäna.
27Malluc, Harim, Baana.
28Het gewone volk, de priesters, levieten, poortwachters, zangers en tempelknechten, allen, die zich hebben afgezonderd van de landsbevolking en zich hebben aangesloten bij de Wet van God, met hun vrouwen, zonen en dochters, voor zover zij tot de jaren van verstand zijn gekomen,
28E il rimanente del popolo, sacerdoti, Leviti, portinai, cantori, Netinei, e tutti quelli che si erano separati da' popoli de' paesi, per la Legge di Dio, le lor mogli i lor figliuoli, e le lor figliuole, tutti quelli che aveano senno e conoscimento,
29in overeenstemming met hun broeders, de adel: zijn overeengekomen onder vloek en eed, te leven naar de Wet van God, die Hij ons heeft gegeven door Moses, Gods dienaar, en nauwgezet alle geboden, voorschriften en instellingen van Jahweh, onzen Heer, te onderhouden.
29si attennero a' lor fratelli, i più notabili d'infra loro; e convennero per giuramento ed esecrazione, di camminar nella Legge di Dio, la quale fu data per Mosè, servitor di Dio; e di osservare, e di mettere in opera tutti i comandamenti del Signore Iddio nostro, e le sue leggi, ed i suoi statuti.
30Verder, dat wij onze dochters niet aan de landsbevolking zullen geven, en hun dochters niet voor onze zonen zullen nemen.
30E che noi non daremmo le nostre figliuole a' popoli del paese, e che non prenderemmo le lor figliuole per li nostri figliuoli;
31Dat wij op sabbat of feestdag van de landsbevolking geen waren of koren zullen kopen, als zij die op de sabbat ter markt brengt. Dat wij in het zevende jaar afstand zullen doen van de oogst en van iedere schuldvordering.
31e che noi non prenderemmo nulla in giorno di sabato, o in altro giorno sacro, da' popoli del paese, che portano merci, e ogni sorta di derrate al giorno del sabato, per vender le ; e che noi lasceremmo vacar la terra ogni settimo anno; ed in quello rilasceremmo ogni riscossa di debiti.
32Verder, dat wij de verplichting op ons nemen, jaarlijks een derde sikkel te geven voor de eredienst in het huis van onzen God:
32Noi imponemmo eziandio a noi stessi per legge, di pagare ogni anno la terza parte d'un siclo per testa, per lo servigio della Casa dell'Iddio nostro;
33voor het toonbrood, het dagelijks spijs- en brandoffer, voor de offers op sabbat, nieuwe maan en hoogfeest, voor het dank- en zondeoffer, om verzoening voor Israël te verkrijgen, en voor de verdere dienst in het huis van God.
33per li pani che si doveano disporre per ordine, e per l'offerta continua, e per l'olocausto continuo; e per quelli de' sabati, delle calendi, e delle feste solenni: e per le cose sante, e per li sacrificii per lo peccato, per fare il purgamento, de' peccati per Israele, e per ogni altra cosa che si conveniva fare nella Casa dell'Iddio nostro.
34Dat wij, priesters, levieten en volk, het lot zullen werpen, om jaarlijks op vaste tijden in familiegroepen hout te leveren en naar het huis van God te brengen tot brandstof op het altaar van Jahweh, onzen God, zoals het in de Wet is bepaald.
34Noi tirammo eziandio le sorti fra i sacerdoti, i Leviti, e il popolo, per l'offerta delle legne; acciocchè a' tempi assegnati anno per anno, per le case nostre paterne, ne fossero portate alla Casa dell'Iddio nostro, per ardere sopra l'Altar del Signore Iddio nostro, come è scritto nella Legge.
35Verder, dat wij de eerstelingen van onze akker en de eerstelingen van al onze vruchtbomen jaarlijks naar het huis van Jahweh zullen brengen.
35Noi ordinammo ancora di portare ogni anno, nella Casa del Signore, le primizie della nostra terra, e le primizie d'ogni frutto di qualunque albero;
36Dat wij de eerstgeborenen van onze zonen en van ons lastvee, zoals in de Wet is bepaald, met de eerstgeborenen van onze runderen en schapen naar het huis van onzen God zullen brengen voor de priesters, die dienst verrichten in het huis van onzen God.
36e i primogeniti de' nostri figliuoli, e delle nostre bestie da vettura, secondo che è scritto nella Legge; e di menare alla Casa del nostro Iddio, a' sacerdoti che fanno il servigio nella Casa dell'Iddio nostro, i primogeniti del nostro grosso e minuto bestiame;
37Dat wij voor de priesters de keur van ons meel, van onze hefoffers, van alle boomvruchten, van most en olie naar de kamers van het huis van onzen God zullen brengen, en voor de levieten de tienden van onze akker. Dat de levieten de tienden in al onze landbouwplaatsen zullen innen,
37ed anche di portar le primizie della nostra pasta, e le nostre offerte, così de' frutti di qualunque albero, come dell'olio e del vino, a' sacerdoti, nelle camere della Casa dell'Iddio nostro; e di pagar la decima della rendita della nostra terra a' Leviti; e che i Leviti leverebbero le decime in tutte le città dove noi lavoreremmo la terra ;
38maar dat de priester, de zoon van Aäron, bij de levieten zal zijn, als zij de tienden ophalen. Dat de levieten het tiende deel van de tienden naar het huis van onzen God zullen brengen in de kamers van de opslagplaats.
38e che un sacerdote, figliuolo d'Aaronne, sarebbe co' Leviti, quando si leverebbe la decima da' Leviti; e che i Leviti porterebbero le decime delle decime nella Casa dell'Iddio nostro, nelle camere, nel luogo de' magazzini
39Dat de kinderen Israëls en de zonen van Levi het hefoffer aan koren, most en olie naar die kamers zullen brengen, waar de vaten voor het heiligdom, voor de dienstdoende priesters en voor de poortwachters en zangers zijn. Dat wij ook het huis van onzen God niet zullen verwaarlozen.
39(conciossiachè i figliuoli d'Israele, e i figliuoli di Levi, abbiano da portar le offerte del frumento, e del vino, e dell'olio, nelle camere, ove sono gli arredi del santuario, e i sacerdoti che fanno il servigio, e i portinai, e i cantori); e che noi non abbandoneremmo la Casa dell'Iddio nostro.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.