Nehemia 7
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Toen de muur was voltooid, liet ik ook de deuren aanbrengen, en werden er poortwachters aangesteld, tegelijk met de zangers en levieten.
1A když byla dostavena zed, a zavěsil jsem vrata, a ustanoveni byli vrátní i zpěváci i Levítové,
2Ik droeg het bestuur van Jerusalem op aan Chanáni, mijn broer, en aan Chananja, den bevelhebber van de burcht, daar deze boven veel anderen betrouwbaar was en een godvrezend man.
2Poručil jsem Chananovi bratru svému, a Chananiášovi hejtmanu hradu Jeruzalémského, (proto že on byl muž věrný a bohabojný nad mnohé),
3Ik zeide tot hen: De poorten van Jerusalem mogen niet worden geopend, eer de zon al warm is geworden, en terwijl ze nog aan de hemel staat, moeten de deuren worden gesloten en gegrendeld; dan moet gij de bewoners van Jerusalem als wachten uitzetten, iedereen op zijn eigen post en tegenover zijn huis.
3A řekl jsem jim: Nechť nebývají otvírány brány Jeruzalémské, až obejde slunce, a když ti, jenž tu stávají, zavrou brány, vy ohledejte. A tak postavil jsem stráž z obyvatelů Jeruzalémských, každého v stráži jeho, a každého naproti domu jeho.
4Ofschoon de stad veel ruimte bood en groot van omvang was, woonde er maar weinig volk, en werden er geen huizen gebouwd.
4Město pak to bylo široké a veliké, ale lidu málo v ohradě jeho, a domové nebyli vystaveni.
5Daarom gaf God het mij in, de edelen, voormannen en het volk volgens hun geslachtsregister bijeen te trekken. Bij deze gelegenheid vond ik het geslachtsregister van hen, die het eerst waren opgetrokken; en ik vond daar geschreven:
5Protož dal mi to Bůh můj v srdce mé, že jsem shromáždil přednější, a knížata i lid, aby byli vyčteni podlé pořádku rodů. I nalezl jsem knihu o rodu těch, kteříž se byli prvé přestěhovali, a našel jsem v ní napsáno:
6Dit zijn de bewoners der provincie, die weg getrokken zijn uit de ballingschap, waarheen Nabukodonosor, de koning van Babel, hen had weggevoerd, en die zijn teruggekeerd naar Jerusalem en Juda, iedereen naar zijn eigen stad.
6Tito jsou lidé té krajiny, kteříž šli z zajetí a přestěhování toho, jakž je byl přestěhoval Nabuchodonozor král Babylonský, a navrátili se do Jeruzaléma a do Judstva, jeden každý do města svého.
7Het zijn zij, die teruggekomen zijn met Zorobabel, Jesjóea, Nechemja, Azarja, Raämja, Nachamáni, Mordokai, Bilsjan, Mispéret, Bigwai, Nechoem en Baäna. Het aantal mannen uit het volk van Israël was als volgt:
7Kteříž přišli s Zorobábelem, s Jesua, s Nehemiášem, Azariášem, Raamiášem, Nachamanem, Mardocheem, Bilsanem, Misperetem, Bigvajem, Nechumem, Baanou, počet mužů z lidu Izraelského:
8De zonen van Parosj, een en twintighonderd twee en zeventig man;
8Synů Farosových dva tisíce, sto sedmdesát dva;
9de zonen van Sje fatja, driehonderd twee en zeventig;
9Synů Sefatiášových tři sta sedmdesát dva;
10de zonen van Arach, zeshonderd twee en vijftig;
10Synů Arachových šest set padesát dva;
11de zonen van Pachat-Moab, de zonen namelijk van Jesjóea en Joab, acht en twintighonderd en achttien;
11Synů Pachat Moábových, synů Jesua a Joábových, dva tisíce, osm set a osmnáct;
12de zonen van Elam, twaalfhonderd vier en vijftig;
12Synů Elamových tisíc, dvě stě padesát čtyři;
13de zonen van Zattoe, achthonderd vijf en veertig;
13Synů Zattuových osm set čtyřidceti pět;
14de zonen van Zakkai, zevenhonderd zestig;
14Synů Zakkai sedm set a šedesát;
15de zonen van Binnoej, zeshonderd acht en veertig;
15Synů Binnui šest set čtyřidceti osm;
16de zonen van Bebai, zeshonderd acht en twintig;
16Synů Bebai šest set dvadceti osm;
17de zonen van Azgad, drie en twintighonderd twee en twintig;
17Synů Azgadových dva tisíce, tři sta dvamecítma;
18de zonen van Adonikam, zeshonderd zeven en zestig;
18Synů Adonikamových šest set šedesáte sedm;
19de zonen van Bigwai, tweeduizend zeven en zestig;
19Synů Bigvai dva tisíce, šedesáte sedm;
20de zonen van Adin, zeshonderd vijf en vijftig;
20Synů Adinových šest set padesát pět;
21de zonen van Ater, uit de familie Chizki-ja, acht en negentig;
21Synů Aterových z Ezechiáše devadesát osm;
22de zonen van Chasjoem, driehonderd acht en twintig;
22Synů Chasumových tři sta dvadceti osm;
23de zonen van Besai, driehonderd vier en twintig;
23Synů Bezai tři sta dvadceti čtyři;
24de zonen van Charif, honderd twaalf;
24Synů Charifových sto a dvanáct;
25de zonen van Gibon, vijf en negentig;
25Synů Gabaonitských devadesát pět;
26de burgers van Betlehem en Netofa, honderd acht en tachtig;
26Mužů Betlémských a Netofatských sto osmdesát osm;
27de burgers van Anatot, honderd acht en twintig;
27Mužů Anatotských sto dvadceti osm;
28de burgers van Bet-Azmáwet, twee en veertig;
28Mužů Betazmavetských čtyřidceti dva;
29de burgers van Kirjat-Jearim, Kefira en Beërot, zevenhonderd drie en veertig;
29Mužů Kariatjeharimských, Kafirských a Berotských sedm set čtyřidceti a tři;
30de burgers van Rama en Géba, zeshonderd een en twintig;
30Mužů Ráma a Gabaa šest set dvadceti jeden;
31de burgers van Mikmas, honderd twee en twintig;
31Mužů Michmas sto dvadceti dva;
32de burgers van Betel en Ai, honderd drie en twintig;
32Mužů z Bethel a Hai sto dvadceti tři;
33de burgers van het andere Nebo, twee en vijftig;
33Mužů z Nébo druhého padesáte dva;
34de zonen van den anderen Elam, twaalfhonderd vier en vijftig;
34Synů Elama druhého tisíc, dvě stě padesát čtyři;
35de zonen van Charim, driehonderd twintig;
35Synů Charimových tři sta dvadceti;
36de burgers van Jericho, driehonderd vijf en veertig;
36Synů Jerecho tři sta čtyřidceti pět;
37de burgers van Lod, Chadid en Ono, zevenhonderd een en twintig;
37Synů Lodových, Chadidových a Onových sedm set dvadceti jeden;
38de zonen van Senaä, negen en dertighonderd dertig.
38Synů Senaa tři tisíce, devět set a třidceti.
39De priesters: de zonen van Jedaja, uit het geslacht van Jesjóea, telden negenhonderd drie en zeventig man;
39Kněží: Synů Jedaiášových z domu Jesua devět set sedmdesát tři;
40de zonen van Immer, duizend twee en vijftig;
40Synů Immerových tisíc, padesát dva;
41de zonen van Pasjchoer, twaalfhonderd zeven en veertig;
41Synů Paschurových tisíc, dvě stě čtyřidceti sedm;
42de zonen van Charim, duizend zeventien.
42Synů Charimových tisíc a sedmnáct.
43De levieten: de zonen van Jesjóea, Kadmiël en Hodeja telden vier en zeventig man.
43Levítů: Synů Jesua a Kadmiele, synů Hodevášových sedmdesát čtyři.
44De zangers: de zonen van Asaf telden honderd acht en veertig man.
44Zpěváků: Synů Azafových sto čtyřidceti osm.
45De poortwachters: de zonen van Sjalloem, de zonen van Ater, de zonen van Talmon, de zonen van Akkoeb, de zonen van Chatita en de zonen van Sjobai telden honderd acht en dertig man.
45Vrátných: Synů Sallumových, synů Aterových, synů Talmonových, synů Akkubových, synů Chatita, synů Sobai, sto třidceti osm.
46De tempelknechten waren: de zonen van Sicha; de zonen van Chasoefa; de zonen van Tabbaot;
46Netinejských: Synů Zicha, synů Chasufa, synů Tabbaot,
47de zonen van Keros; de zonen van Sia; de zonen van Padon;
47Synů Keros, synů Sia, synů Fadon,
48de zonen van Lebana; de zonen van Chagaba; de zonen van Salmai;
48Synů Lebana, synů Chagaba, synů Salmai,
49de zonen van Chanan; de zonen van Giddel; de zonen van Gáchar;
49Synů Chanan, synů Giddel, synů Gachar,
50de zonen van Reaja; de zonen van Resin; de zonen van Nekoda;
50Synů Reaia, synů Rezin, synů Nekoda,
51de zonen van Gazzam; de zonen van Oezza; de zonen van Paséach;
51Synů Gazam, synů Uza, synů Paseach,
52de zonen van Besai; de zonen van Meoenim; de zonen van Nefoesjesim;
52Synů Besai, synů Meunim, synů Nefisesim,
53de zonen van Bakboek; de zonen van Chakoefa; de zonen van Charchoer;
53Synů Bakbuk, synů Chakufa, synů Charchur,
54de zonen van Basloet; de zonen van Mechida; de zonen van Charsja;
54Synů Bazlit, synů Mechida, synů Charsa,
55de zonen van Barkos; de zonen van Sisera; de zonen van Támach;
55Synů Barkos, synů Sisera, synů Tamach,
56de zonen van Nesiach; de zonen van Chatifa.
56Synů Neziach, synů Chatifa,
57De zonen van Salomons slaven waren: de zonen van Sotai; de zonen van Soféret; de zonen van Perida;
57Synů služebníků Šalomounových, synů Sotai, synů Soferet, synů Ferida,
58de zonen van Jaäla; de zonen van Darkon; de zonen van Giddel;
58Synů Jaala, synů Darkon, synů Giddel,
59de zonen van Sjefatja; de zonen van Chattil; de zonen van Pokéret-Hassebajim; de zonen van Amon.
59Synů Sefatiášových, synů Chattil, synů Pocheret Hazebaim, synů Amon,
60De tempelknechten telden met de zonen van Salomons slaven tezamen driehonderd twee en negentig man.
60Všech Netinejských a synů služebníků Šalomounových tři sta devadesát dva.
61De volgenden zijn wel mee opgetrokken uit Tel-Mélach, Tel- Charsja, Keroeb, Addon en Immer, maar ze konden hun familie- en stamboom niet overleggen als bewijs, dat zij tot Israël behoorden.
61Tito také byli, kteříž vyšli z Telmelach a Telcharsa: Cherub, Addon a Immer. Ale nemohli prokázati rodu otců svých a semene svého, že by z Izraele byli.
62Het waren: De zonen van Delaja; de zonen van Tobi-ja; de zonen van Nekoda: zeshonderd twee en veertig man.
62Synů Delaiášových, synů Tobiášových, synů Nekodových šest set čtyřidceti dva.
63Uit de priesters: de zonen van Chobaja; de zonen van Hakkos; de zonen van Barzillai, die getrouwd was met een dochter van Barzillai, en naar hem werd genoemd.
63A z kněží: Synové Chabaiášovi, synové Kózovi, synové Barzillai toho, kterýž pojav sobě z dcer Barzillai Galádského manželku, nazván jest jménem jejich.
64Daar zij, hoe ze ook zochten, hun geslachtsregister niet konden vinden, werden ze van de priesterlijke bediening uitgesloten,
64Ti vyhledávali jeden každý zapsání o sobě, chtíce prokázati rod svůj, ale nenašlo se. A protož zbaveni jsou kněžství.
65en verbood hun de landvoogd, van de allerheiligste spijzen te eten, totdat er een priester met de Oerim en Toemmim zou optreden.
65A zapověděl jim Tirsata, aby nejedli z věcí svatosvatých, dokudž by nestál kněz s urim a tumim.
66De hele gemeente bestond uit twee en veertig duizend driehonderd zestig personen.
66Všeho toho shromáždění pospolu čtyřidceti a dva tisíce, tři sta a šedesát,
67Hierbij kwamen nog zevenduizend driehonderd zeven en dertig slaven en slavinnen, en tweehonderd vijf en veertig zangers en zangeressen.
67Kromě služebníků jejich a děvek jejich, jichž bylo sedm tisíc, tři sta třidceti sedm. A mezi nimi bylo zpěváků a zpěvakyní dvě stě čtyřidceti pět.
68-
68Koní jejich sedm set třidceti šest, mezků jejich dvě stě čtyřidceti pět,
69Er waren vierhonderd vijf en dertig kamelen, en zesduizend zevenhonderd twintig ezels.
69Velbloudů čtyři sta třidceti pět, oslů šest tisíc, sedm set a dvadceti.
70Sommige familiehoofden schonken een som, die voor de eredienst was bestemd. De landvoogd gaf voor het fonds: duizend drachmen aan goud, vijftig plengschalen en vijfhonderd dertig priestergewaden.
70Tehdy někteří z knížat čeledí otcovských dávali ku potřebám. Tirsata dal na poklad tisíc drachem zlata, bání padesát, sukní kněžských pět set a třidceti.
71Enige familiehoofden gaven voor het fonds, dat voor de eredienst was bestemd: twintigduizend drachmen aan goud, en twee en twintighonderd mina aan zilver.
71Knížata také čeledí otcovských dali na poklad ku potřebám dvadceti tisíc drachem zlata, a stříbra liber dva tisíce a dvě stě.
72De rest van het volk gaf: twintigduizend drachmen aan goud, tweeduizend mina aan zilver, en zeven en zestig priestergewaden.
72Což pak dali jiní z lidu, bylo zlata dvadcet tisíc drachem, a stříbra dva tisíce liber, a sukní kněžských šedesát sedm.
73Daarna gingen de priesters, de levieten, de poortwachters, de zangers, met een deel van het volk en de tempelknechten zich te Jerusalem vestigen, en de rest van Israël in hun steden. Toen de kinderen Israëls zich in hun steden hadden gevestigd, brak de zevende maand aan.
73A tak osadili se kněží a Levítové, a vrátní i zpěváci, lid a Netinejští, i všecken Izrael v městech svých. I nastal měsíc sedmý, a synové Izraelští byli v městech svých.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.