Nehemia
Chapter 7
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Londona Biblio (Es…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Londona Biblio (Esperanto, 1910)
1Toen de muur was voltooid, liet ik ook de deuren aanbrengen, en werden er poortwachters aangesteld, tegelijk met de zangers en levieten.
1Kiam la murego estis konstruita, mi starigis la pordojn; kaj ricevis siajn oficojn la pordegistoj, la kantistoj, kaj la Levidoj.
2Ik droeg het bestuur van Jerusalem op aan Chanáni, mijn broer, en aan Chananja, den bevelhebber van de burcht, daar deze boven veel anderen betrouwbaar was en een godvrezend man.
2Kaj mi donis ordonon al mia frato Ĥanani, kaj al Ĥananja, kastelestro de Jerusalem (ĉar li estis homo fidela, kaj diotima pli ol multaj aliaj),
3Ik zeide tot hen: De poorten van Jerusalem mogen niet worden geopend, eer de zon al warm is geworden, en terwijl ze nog aan de hemel staat, moeten de deuren worden gesloten en gegrendeld; dan moet gij de bewoners van Jerusalem als wachten uitzetten, iedereen op zijn eigen post en tegenover zijn huis.
3kaj mi diris al ili: Oni ne malfermu la pordegojn de Jerusalem, antaŭ ol la suno estos bone varmiga; kaj tiel longe, kiel ili staras, ili restigu la pordegojn fermitaj kaj ŝlositaj; kaj oni starigu gardon el la loĝantoj de Jerusalem, ĉiun sur lia gardoloko kaj ĉiun kontraŭ lia domo.
4Ofschoon de stad veel ruimte bood en groot van omvang was, woonde er maar weinig volk, en werden er geen huizen gebouwd.
4Sed la urbo estis vasta kaj granda, kaj da loĝantoj estis en ĝi nemulte, kaj la domoj ne estis konstruitaj.
5Daarom gaf God het mij in, de edelen, voormannen en het volk volgens hun geslachtsregister bijeen te trekken. Bij deze gelegenheid vond ik het geslachtsregister van hen, die het eerst waren opgetrokken; en ik vond daar geschreven:
5Kaj mia Dio min inspiris, kaj mi kunvenigis la eminentulojn kaj la estrojn kaj la popolon, por ilin registri. Kaj mi trovis la genealogian registron de tiuj, kiuj venis antaŭe, kaj mi trovis, ke en ĝi estas skribite jene:
6Dit zijn de bewoners der provincie, die weg getrokken zijn uit de ballingschap, waarheen Nabukodonosor, de koning van Babel, hen had weggevoerd, en die zijn teruggekeerd naar Jerusalem en Juda, iedereen naar zijn eigen stad.
6Jen estas la loĝantoj de la lando, kiuj iris el la forkaptitoj, kiujn forkondukis Nebukadnecar, reĝo de Babel, kaj kiuj revenis en Jerusalemon kaj en Judujon, ĉiu en sian urbon,
7Het zijn zij, die teruggekomen zijn met Zorobabel, Jesjóea, Nechemja, Azarja, Raämja, Nachamáni, Mordokai, Bilsjan, Mispéret, Bigwai, Nechoem en Baäna. Het aantal mannen uit het volk van Israël was als volgt:
7kiuj venis kun Zerubabel, Jeŝua, Neĥemja, Azarja, Raamja, Naĥamani, Mordeĥaj, Bilŝan, Misperet, Bigvaj, Neĥum, Baana. La nombro de la viroj de la popolo Izraela estis:
8De zonen van Parosj, een en twintighonderd twee en zeventig man;
8de la idoj de Paroŝ, du mil cent sepdek du,
9de zonen van Sje fatja, driehonderd twee en zeventig;
9de la idoj de Ŝefatja, tricent sepdek du,
10de zonen van Arach, zeshonderd twee en vijftig;
10de la idoj de Araĥ, sescent kvindek du,
11de zonen van Pachat-Moab, de zonen namelijk van Jesjóea en Joab, acht en twintighonderd en achttien;
11de la idoj de Paĥat-Moab, el la idoj de Jeŝua kaj Joab, du mil okcent dek ok,
12de zonen van Elam, twaalfhonderd vier en vijftig;
12de la idoj de Elam, mil ducent kvindek kvar,
13de zonen van Zattoe, achthonderd vijf en veertig;
13de la idoj de Zatu, okcent kvardek kvin,
14de zonen van Zakkai, zevenhonderd zestig;
14de la idoj de Zakaj, sepcent sesdek,
15de zonen van Binnoej, zeshonderd acht en veertig;
15de la idoj de Binuj, sescent kvardek ok,
16de zonen van Bebai, zeshonderd acht en twintig;
16de la idoj de Bebaj, sescent dudek ok,
17de zonen van Azgad, drie en twintighonderd twee en twintig;
17de la idoj de Azgad, du mil tricent dudek du,
18de zonen van Adonikam, zeshonderd zeven en zestig;
18de la idoj de Adonikam, sescent sesdek sep,
19de zonen van Bigwai, tweeduizend zeven en zestig;
19de la idoj de Bigvaj, du mil sesdek sep,
20de zonen van Adin, zeshonderd vijf en vijftig;
20de la idoj de Adin, sescent kvindek kvin,
21de zonen van Ater, uit de familie Chizki-ja, acht en negentig;
21de la idoj de Ater, el la domo de Ĥizkija, naŭdek ok,
22de zonen van Chasjoem, driehonderd acht en twintig;
22de la idoj de Ĥaŝum, tricent dudek ok,
23de zonen van Besai, driehonderd vier en twintig;
23de la idoj de Becaj, tricent dudek kvar,
24de zonen van Charif, honderd twaalf;
24de la idoj de Ĥarif, cent dek du,
25de zonen van Gibon, vijf en negentig;
25de la idoj de Gibeon, naŭdek kvin,
26de burgers van Betlehem en Netofa, honderd acht en tachtig;
26de la loĝantoj de Bet-Leĥem kaj de Netofa, cent okdek ok,
27de burgers van Anatot, honderd acht en twintig;
27de la loĝantoj de Anatot, cent dudek ok,
28de burgers van Bet-Azmáwet, twee en veertig;
28de la loĝantoj de Bet-Azmavet, kvardek du,
29de burgers van Kirjat-Jearim, Kefira en Beërot, zevenhonderd drie en veertig;
29de la loĝantoj de Kirjat-Jearim, Kefira, kaj Beerot, sepcent kvardek tri,
30de burgers van Rama en Géba, zeshonderd een en twintig;
30de la loĝantoj de Rama kaj Geba, sescent dudek unu,
31de burgers van Mikmas, honderd twee en twintig;
31de la loĝantoj de Miĥmas, cent dudek du,
32de burgers van Betel en Ai, honderd drie en twintig;
32de la loĝantoj de Bet-El kaj Aj, cent dudek tri,
33de burgers van het andere Nebo, twee en vijftig;
33de la loĝantoj de Nebo-Aĥer, kvindek du,
34de zonen van den anderen Elam, twaalfhonderd vier en vijftig;
34de la idoj de la alia Elam, mil ducent kvindek kvar,
35de zonen van Charim, driehonderd twintig;
35de la idoj de Ĥarim, tricent dudek,
36de burgers van Jericho, driehonderd vijf en veertig;
36de la idoj de Jeriĥo, tricent kvardek kvin,
37de burgers van Lod, Chadid en Ono, zevenhonderd een en twintig;
37de la idoj de Lod, Ĥadid, kaj Ono, sepcent dudek unu,
38de zonen van Senaä, negen en dertighonderd dertig.
38de la idoj de Senaa, tri mil naŭcent tridek.
39De priesters: de zonen van Jedaja, uit het geslacht van Jesjóea, telden negenhonderd drie en zeventig man;
39De la pastroj: de la idoj de Jedaja, el la domo de Jeŝua, naŭcent sepdek tri,
40de zonen van Immer, duizend twee en vijftig;
40de la idoj de Imer, mil kvindek du,
41de zonen van Pasjchoer, twaalfhonderd zeven en veertig;
41de la idoj de Paŝĥur, mil ducent kvardek sep,
42de zonen van Charim, duizend zeventien.
42de la idoj de Ĥarim, mil dek sep.
43De levieten: de zonen van Jesjóea, Kadmiël en Hodeja telden vier en zeventig man.
43De la Levidoj: de la idoj de Jeŝua, el la domo de Kadmiel, el la filoj de Hodja, sepdek kvar.
44De zangers: de zonen van Asaf telden honderd acht en veertig man.
44De la kantistoj: de la idoj de Asaf, cent kvardek ok.
45De poortwachters: de zonen van Sjalloem, de zonen van Ater, de zonen van Talmon, de zonen van Akkoeb, de zonen van Chatita en de zonen van Sjobai telden honderd acht en dertig man.
45De la pordegistoj: la idoj de Ŝalum, la idoj de Ater, la idoj de Talmon, la idoj de Akub, la idoj de Ĥatita, la idoj de Ŝobaj, cent tridek ok.
46De tempelknechten waren: de zonen van Sicha; de zonen van Chasoefa; de zonen van Tabbaot;
46De la Netinoj: la idoj de Ciĥa, la idoj de Ĥasufa, la idoj de Tabaot,
47de zonen van Keros; de zonen van Sia; de zonen van Padon;
47la idoj de Keros, la idoj de Sia, la idoj de Padon,
48de zonen van Lebana; de zonen van Chagaba; de zonen van Salmai;
48la idoj de Lebana, la idoj de Ĥagaba, la idoj de Ŝalmaj,
49de zonen van Chanan; de zonen van Giddel; de zonen van Gáchar;
49la idoj de Ĥanan, la idoj de Gidel, la idoj de Gaĥar,
50de zonen van Reaja; de zonen van Resin; de zonen van Nekoda;
50la idoj de Reaja, la idoj de Recin, la idoj de Nekoda,
51de zonen van Gazzam; de zonen van Oezza; de zonen van Paséach;
51la idoj de Gazam, la idoj de Uza, la idoj de Paseaĥ,
52de zonen van Besai; de zonen van Meoenim; de zonen van Nefoesjesim;
52la idoj de Besaj, la idoj de Meunim, la idoj de Nefiŝesim,
53de zonen van Bakboek; de zonen van Chakoefa; de zonen van Charchoer;
53la idoj de Bakbuk, la idoj de Ĥakufa, la idoj de Ĥarĥur,
54de zonen van Basloet; de zonen van Mechida; de zonen van Charsja;
54la idoj de Baclit, la idoj de Meĥida, la idoj de Ĥarŝa,
55de zonen van Barkos; de zonen van Sisera; de zonen van Támach;
55la idoj de Barkos, la idoj de Sisra, la idoj de Tamaĥ,
56de zonen van Nesiach; de zonen van Chatifa.
56la idoj de Neciaĥ, la idoj de Ĥatifa.
57De zonen van Salomons slaven waren: de zonen van Sotai; de zonen van Soféret; de zonen van Perida;
57La idoj de la servantoj de Salomono: la idoj de Sotaj, la idoj de Soferet, la idoj de Perida,
58de zonen van Jaäla; de zonen van Darkon; de zonen van Giddel;
58la idoj de Jaala, la idoj de Darkon, la idoj de Gidel,
59de zonen van Sjefatja; de zonen van Chattil; de zonen van Pokéret-Hassebajim; de zonen van Amon.
59la idoj de Ŝefatja, la idoj de Ĥatil, la idoj de Poĥeret-Cebaim, la idoj de Amon.
60De tempelknechten telden met de zonen van Salomons slaven tezamen driehonderd twee en negentig man.
60La nombro de ĉiuj Netinoj kaj de la idoj de la servantoj de Salomono estis tricent naŭdek du.
61De volgenden zijn wel mee opgetrokken uit Tel-Mélach, Tel- Charsja, Keroeb, Addon en Immer, maar ze konden hun familie- en stamboom niet overleggen als bewijs, dat zij tot Israël behoorden.
61Kaj jen estas la elirintoj el Tel-Melaĥ, Tel-Ĥarŝa, Kerub, Adon, kaj Imer, kiuj ne povis montri sian patrodomon kaj devenon, ĉu ili devenas de Izrael:
62Het waren: De zonen van Delaja; de zonen van Tobi-ja; de zonen van Nekoda: zeshonderd twee en veertig man.
62la idoj de Delaja, la idoj de Tobija, la idoj de Nekoda, sescent kvardek du.
63Uit de priesters: de zonen van Chobaja; de zonen van Hakkos; de zonen van Barzillai, die getrouwd was met een dochter van Barzillai, en naar hem werd genoemd.
63Kaj el la pastroj: la idoj de Ĥabaja, la idoj de Hakoc, la idoj de Barzilaj, kiu prenis al si edzinon el la filinoj de Barzilaj, la Gileadano, kaj estis nomata per ilia nomo.
64Daar zij, hoe ze ook zochten, hun geslachtsregister niet konden vinden, werden ze van de priesterlijke bediening uitgesloten,
64Ili serĉis siajn dokumentojn genealogiajn, sed ĉi tiuj ne troviĝis; tial ili estis eligitaj el la listo de la pastroj.
65en verbood hun de landvoogd, van de allerheiligste spijzen te eten, totdat er een priester met de Oerim en Toemmim zou optreden.
65Kaj la regionestro diris al ili, ke ili ne manĝu el la plejsanktaĵo, ĝis aperos pastro kun la signoj de lumo kaj de justo.
66De hele gemeente bestond uit twee en veertig duizend driehonderd zestig personen.
66La tuta komunumo kune konsistis el kvardek du mil tricent sesdek homoj,
67Hierbij kwamen nog zevenduizend driehonderd zeven en dertig slaven en slavinnen, en tweehonderd vijf en veertig zangers en zangeressen.
67krom iliaj sklavoj kaj sklavinoj, kies nombro estis sep mil tricent tridek sep, kaj al tio estis ducent kvardek kvin kantistoj kaj kantistinoj.
68-
68Da ĉevaloj ili havis sepcent tridek ses; da muloj ili havis ducent kvardek kvin;
69Er waren vierhonderd vijf en dertig kamelen, en zesduizend zevenhonderd twintig ezels.
69da kameloj ili havis kvarcent tridek kvin; da azenoj ses mil sepcent dudek.
70Sommige familiehoofden schonken een som, die voor de eredienst was bestemd. De landvoogd gaf voor het fonds: duizend drachmen aan goud, vijftig plengschalen en vijfhonderd dertig priestergewaden.
70Kelkaj el la ĉefoj de patrodomoj donis por la laboroj: la regionestro donis por la trezorejo: mil darkemonojn da oro, kvindek aspergajn kalikojn, kvincent tridek pastrajn vestojn.
71Enige familiehoofden gaven voor het fonds, dat voor de eredienst was bestemd: twintigduizend drachmen aan goud, en twee en twintighonderd mina aan zilver.
71El la ĉefoj de patrodomoj, kelkaj donis en la trezorejon de la laboroj dudek mil darkemonojn da oro kaj du mil ducent min’ojn da arĝento.
72De rest van het volk gaf: twintigduizend drachmen aan goud, tweeduizend mina aan zilver, en zeven en zestig priestergewaden.
72Kaj kion donis la ceteraj el la popolo, tio estis: dudek mil darkemonoj da oro kaj du mil min’oj da arĝento kaj sesdek sep pastraj vestoj.
73Daarna gingen de priesters, de levieten, de poortwachters, de zangers, met een deel van het volk en de tempelknechten zich te Jerusalem vestigen, en de rest van Israël in hun steden. Toen de kinderen Israëls zich in hun steden hadden gevestigd, brak de zevende maand aan.
73Kaj ekloĝis la pastroj kaj la Levidoj kaj la pordegistoj kaj la kantistoj kaj la popolanoj kaj la Netinoj kaj la tuta Izrael en siaj urboj. Kiam venis la sepa monato, la Izraelidoj estis jam en siaj urboj.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.