Romeinen 4
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Hoe heeft dan, naar onze redenering, Abraham, onze Vader naar het vlees, de gerechtigheid verkregen?
1Що ж, скажемо, Авраам, отець наш, знайшов по тїлу?
2Wanneer Abraham gerechtvaardigd is op grond van zijn werken, dan inderdaad kan hij roemen. Maar hij kan dit niet tegenover God.
2Коли бо Авраам з учинків оправдив ся, має похвалу, та не перед Богом.
3Want wat zegt de Schrift? “Abraham heeft in God geloofd, en dit werd hem als gerechtigheid toegerekend.”
3Що бо писаннє глаголе? Увірував же Авраам Богові, і полїчено се йому за праведність.
4Welnu, wanneer iemand werkt, dan wordt hem het loon niet toegerekend als gunst, maar volgens recht;
4Оце ж хто робить, нагорода не полїчуєть ся по благодатї, а по довгу.
5maar wanneer iemand niet werkt, doch in Hem gelooft, die den goddeloze rechtvaardig maakt, dan wordt zijn geloof hem als gerechtigheid toegerekend.
5Хто ж не робить, а вірує в Оправдуючого нечестивого, віра його полїчуєть ся за праведність.
6Zó ook prijst David den mens zalig, wien God gerechtigheid toerekent zonder werken:
6Яко ж і Давид глаголе про блаженство чоловіка, котрому полїчує Бог праведність без учинків:
7“Gelukkig zij, wier ongerechtigheden zijn vergeven, En wier zonden zijn bedekt.
7Блаженні, кому відпущено беззаконня, і кому прикрито гріхи.
8Gelukkig de mens, wien de Heer de zonde niet toerekent.”
8Блажен чоловік, котрому не полїчить Господь гріха.
9Geldt nu deze zaligspreking de besnedenen of ook de onbesnedenen? We houden immers vol: “Aan Abraham werd het geloof als gerechtigheid toegerekend”.
9Чи блаженство ж се на обрізаннє, чи й на необрізаннє? глаголемо бо, що полїчено Авраамові віру за праведність.
10In welke staat dan is het hem toegerekend; besneden of onbesneden? Niet toen hij besneden, maar toen hij onbesneden was;
10Як же полїчено йому? чи як він в обрізанню був, чи в необрізанню? Не в обрізанню, а в необрізанню.
11het teken der besnijdenis ontving hij slechts als bezegeling van de gerechtigheid door het geloof, die hij vóór de besnijdenis had ontvangen. Zó is hij de Vader geworden van allen, die geloven zonder besneden te zijn, opdat ook hùn de gerechtigheid zou worden toegerekend;
11І знак обрізання прийняв, яко печать праведности (тієї) віри, що в необрізанню, щоб бути йому отцем усїх віруючих через необрізаннє, щоб полїчено й тим за праведність,
12maar ook de Vader van de besnedenen, die niet enkel besneden zijn, doch ook het geloof navolgen, dat onze vader Abraham vóór zijn besnijdenis bezat.
12і отцем обрізання не тільки тим, що з обрізання, а й тим, хто ходить по слїдам віри, яку (мав) у необрізанню отець наш Авраам.
13Neen, niet ter wille van de Wet, maar terwille. van de gerechtigheid des geloofs is aan Abraham en zijn kroost de Belofte gedaan, dat hij de wereld zou erven.
13Не по закону бо (було) обітуваннє Авраамові або насїнню його, що буде він наслїдником сьвіту, а по праведностї віри.
14Want wanneer zij erfgenamen waren geweest uit kracht van de Wet, dan was het geloof waardeloos en de Belofte zonder gevolg;
14Коли бо ті, що з закону, наслїдники, то зникне віра, й обітуваннє обернеть ся в нїщо.
15de Wet toch verwekt toorn, maar waar geen wet is, daar is ook geen overtreding.
15Закон бо робить гнїв; де бо нема закону, нема й переступу.
16Dus zijn ze het uit kracht van het geloof, opdat ze het zouden wezen uit genade, en opdat de Belofte aan heel het nageslacht verzekerd zou zijn: niet alleen aan hen, die uit de Wet, maar ook aan hen, die uit het geloof van Abraham stammen. Hij is ons aller Vader,
16Тим з віри, що по благодатї, щоб було певне обітуваннє всьому насїнню, не тільки тому, що з закону, та й тому, що з віри Авраама, котрий отець усїм нам,
17zoals geschreven staat: “Tot een vader van vele volken heb ik u gesteld,” juist omdat hij geloofde in God, die de doden ten leven verwekt en bij name noemt wat niet bestaat, als was het er reeds.
17(яко ж писано: що отцем многим народам настановив я тебе,) перед Богом, котрий, оживляє мертвих і зове те чого нема, так як те, що є, котрому увірував.
18Hij heeft tegen alle hoop in toch geloofd, dat hij een vader van vele volken zou worden, zoals was gezegd: “Zo talrijk zal uw nakroost zijn”.
18Котрий, окрім надїї, в надїї увірував, що бути йому отцем многим народам, по реченному: Так буде насїннє твоє.
19En zonder in het geloof te verflauwen, peinsde hij over zijn eigen uitgeleefd lichaam, hij was reeds ongeveer honderd jaar oud, -en over Sara’s dode schoot.
19І не знемігши вірою, не вважав тїла свого вже омертвілим, бувши мало не столїтнїм, і Сариної утроби замершою.
20Neen, hij heeft niet door ongeloof aan Gods belofte getwijfeld, maar hij werd in zijn geloof nog versterkt, gaf eer aan God,
20В обітуваннї ж Божім не сумнив ся невіруваннєм, а покріпшав вірою, давши славу Богові,
21en bleef ten volle overtuigd, dat Deze machtig is, om te verwezenlijken, wat Hij beloofd heeft.
21і впевнившись, що Обіцявший здолїє й зробити.
22Dit werd hem dan ook tot gerechtigheid toegerekend.
22Тим же й полїчено йому за праведність.
23Maar het is niet om hèm alleen, dat er geschreven staat: “het werd hem toegerekend,”
23Не про того ж одного тільки писано було, що полїчено йому,
24doch ook terwille van ons, wien het toegerekend zal worden, zo we geloven in Hem, die Jesus uit de doden heeft opgewekt; onzen Heer,
24а й про нас, котрим має полїчитись, віруючим в Того, хто воскресив Ісуса, Господа нашого, з мертвих,
25die overgeleverd werd om onze ongerechtigheden, en opgewekt om onze rechtvaardiging.
25котрий був переданий за погрішення наші, і воскрес на оправданнє наше.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.