Romeinen
Chapter 10
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Broeders, de wens van mijn hart en mijn bede tot God zijn op hun redding gericht!
1Браттє, бажаннє мого серця і молитва (йде) до Бога за Ізраїля про спасеннє.
2En ik moet van hen getuigen, dat ze ijver hebben voor God, maar niet aan het juiste inzicht gepaard.
2Сьвідкую бо їм, що ревність Божу мають, та не по розуму.
3Want daar ze de gerechtigheid Gods niet hebben begrepen, en een eigen gerechtigheid tot stand wilden brengen, hebben ze zich niet onderworpen aan de gerechtigheid Gods.
3Не розуміючи бо праведностї Божої, і шукаючи свою праведність поставити, праведностї Божій не корили ся.
4Immers Christus is het eind van de Wet, om te rechtvaardigen al wie gelooft.
4Кінець бо закону — Христос, на праведність кожному віруючому.
5Zeker, Moses schrijft, dat de mens, die de gerechtigheid der Wet onderhoudt, daarin zal leven.
5Мойсей пише про праведність, що від закону: що которий чоловік робити ме се, жити ме ним.
6Maar de gerechtigheid uit het geloof spreekt aldus: “Zeg niet in uw hart: wie zal opstijgen ten hemel, om Christus namelijk af te doen komen;
6А та, що од віри, праведність, так говорить: Не кажи в серцї твоїм: Хто зійде на небо? (се єсть: Христа звести додолу;)
7of wie zal naar de afgrond dalen, om Christus te doen opstijgen uit de doden.”
7або: Хто зійде в безодню? (се єсть: Христа з мертвих угору звести.)
8Neen, wat zegt ze? “Dicht bij u is het woord, in uw mond en in uw hart;” en dit is het woord des geloofs, dat wij preken.
8А що ж глаголе (писаннє)? Близько тебе слово в устах твоїх і в серцї твоїм, се єсть слово віри, що ми проповідуємо;
9Welnu, wanneer ge belijdt met uw mond, dat Jesus de Heer is, en gelooft met uw hart, dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, dan zult ge worden gered;
9щоб, коли визнавати меш устами твоїми Господа Ісуса, і вірувати меш в серцї твоїм, що Бог Його підняв з мертвих, ти спас ся.
10want men gelooft met het hart ter rechtvaardiging, en men belijdt met de mond ter redding.
10Серцем бо віруєть ся на праведність, устами ж визнаєть ся на спасеннє.
11De Schrift immers zegt: “Al wie in Hem gelooft, zal niet beschaamd komen te staan.”
11Глаголе бо писаннє: Всяк, хто вірує в Него, не осоромить ся.
12Neen, er bestaat geen onderscheid tussen Jood en Griek; Hij toch is dezelfde Heer voor allen; rijk voor allen, die Hem aanroepen;
12Бо нема ріжницї між Жидовином і Греком; Він бо Господь усїх, богатий для всїх, хто призиває Його.
13“Al wie immers de naam des Heren zal aanroepen, zal worden gered.”
13Всяк бо, хто призове імя Господнє, спасеть ся.
14Hoe zullen ze Hem dan aanroepen, in wien ze niet hebben geloofd? En hoe zullen ze in Hem geloven, van wien ze niet hebben gehoord?
14Як же призивати муть Того, в кого не увірували? як же вірувати муть, про кого не чули, як же чути муть без проповідаючого?
15En hoe zal men preken, als men niet gezonden is? Zoals er geschreven staat: “Hoe lieflijk zijn de voeten van hen, die de blijde boodschap brengen!”
15А як же проповідати муть, коли не будуть послані? яко ж писано: Що за красні ноги благовіствуючих впокій, благовіствуючих про добре?
16Maar niet allen hebben gehoor gegeven aan de Blijde Boodschap. Want Isaias zegt: “Heer, wie heeft onze prediking geloofd?”
16Та не всї послухали благовістя. Ісаїя бо глаголе: Господи, хто увірував голосу нашому?
17Het geloof ontstaat dus door de prediking; de prediking geschiedt krachtens opdracht van Christus.
17Тим же то віра (приходить) через слуханнє, слуханнє ж через слово Боже.
18Maar dan vraag ik: Hebben ze haar misschien niet gehoord? Toch wel! “Hun stem heeft zich over heel de aarde verbreid, En hun woorden tot aan de uiteinden der wereld.”
18Тільки ж глаголю: Хиба вони не чули? Нї, по всїй землї бо розійшов ся гомін їх і до кінцїв вселенної глаголи їх.
19Maar dan vraag ik: Heeft Israël het misschien niet begrepen? Maar vooreerst zegt reeds Moses: “Ik zal u afgunstig maken op een volk, dat geen volk is, En toornig op een volk zonder begrip.”
19І ще питаю: Хиба не розумів Ізраїль? Первий Мойсей глаголе: Завдам вам зависти через (тих, що) не (єсть мій) нарід, народом безумним завдам жалю вам.
20En Isaias durft zeggen: “Ik ben gevonden door wie Mij niet zochten, Heb Mij geopenbaard aan wie Mij niet ondervroegen.”
20Ісаїя ж зосьміливсь і глаголе: Знайшли мене ті, що не шукали, обявивсь я тим, що не питали про мене.
21Maar tot Israël zegt hij: “De ganse dag stak Ik mijn handen uit Naar een ongelovig en weerbarstig volk.” De verwerping van Israël is niet volkomen.
21До Ізраїля ж глаголе: Увесь день простягав я руки мої до людей непокірних і суперечних.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.