Romeinen
Chapter 2
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Maar dan zijt ook gij niet te verontschuldigen, gij mens, die oordelen durft, wie ge ook zijt. Want, waarin ge een ander oordeelt, veroordeelt ge uzelf; gij rechter. ge doet juist hetzelfde.
1Тим без оправдання єси, всякий чоловіче, що судиш; у чому бо судиш другого, себе осуджуєш; те ж бо саме робиш, судячи (другого).
2Welnu, we weten, dat Gods oordeel onpartijdig allen treft, die dergelijke dingen doen.
2Знаємо ж, що суд Божий по істинї на тих, що роблять таке.
3En meent ge dan, dat ge zelf Gods oordeel ontgaan zult, gij mens, die een oordeel velt over anderen, die dergelijke daden bedrijven, maar die juist hetzelfde doet?
3Чи думаєш же, чоловіче, судячи того, хто таке робить, і роблячи те ж саме, що ти втечеш од суду Божого?
4Of begrijpt ge de rijkdom van zijn goedheid, geduld en lankmoedigheid verkeerd, en beseft ge niet, dat Gods goedheid u aanspoort tot boete?
4Або богацтвом благости Його та вдержливости та довготерпіння погорджуєш? не знаєш, що благость Божа до покаяння тебе веде?
5Maar dan stapelt ge door uw verstoktheid en door uw onboetvaardig hart toorn op voor uzelf tegen de Dag van de toorn en van de komst van het rechtvaardig oordeel Gods.
5По жорстокости ж твоїй і непокаянному серцю збираєш собі гнїв на день гнїву і відкриття праведного суду Бога,
6Hij zal ieder naar zijn werken vergelden:
6котрий віддасть кожному по дїлам його:
7Het eeuwig leven aan hen, die door volharding in het goede, naar glorie en eer en onsterflijkheid streven;
7тим, що терпіливостю в доброму дїлї шукають слави, та чести, та нетлїння — життє вічне;
8maar toorn en gramschap aan hen, die door hun partijzucht ongehoorzaam zijn aan de waarheid en luisteren naar de ongerechtigheid.
8а которі сварливі і противлять ся істинї, корять ся ж неправдї, (тим) ярость та гнїв.
9Kommer en angst naar de ziel voor iederen mens, die het kwade verricht, eerst voor den Jood en dan voor den Griek;
9Горе й тїснота на всяку душу чоловіка, що робить лихе, Жидовина перше, та й Грека;
10glorie, eer en vrede voor ieder, die het goede verricht, eerst voor den Jood, en dan voor den Griek.
10слава ж, честь і впокій усякому, хто робить добре, Жидовинові перше, та й Грекові.
11Want bij God is geen aanzien des persoons.
11Нема бо в Бога вважання на лиця.
12Immers, wie buiten de Wet heeft gezondigd, zal ook verloren gaan buiten de Wet; en wie gezondigd heeft onder de Wet, zal worden geoordeeld volgens de Wet.
12Скільки бо без закону згрішило, (стільки їх) без закону й погине; а скільки в законї згрішило, (стільки їх) законом суд прийме
13Want niet zij, die de Wet horen, zijn rechtvaardig voor God; maar zij, die de Wet volbrengen, zullen gerechtvaardigd worden.
13(Не слухателї бо закону праведні перед Богом, а чинителї закону оправдять ся.
14Welnu, wanneer de heidenen, die de Wet niet bezitten, natuurlijkerwijze de voorschriften der Wet onderhouden, dan zijn ze zonder de Wet zichzelf tot wet.
14Коли бо погане, не маючи закону, по природї законне чинять, то вони, закону не маючи, самі собі закон:
15Ze tonen dan, dat de voorschriften der Wet in hun hart staan geschreven, en hun geweten legt dezelfde getuigenis af; zo ook hun gedachten, die beurtelings hen zullen aanklagen of vrijpleiten
15вони показують дїло законне, написане в серцях їх, як сьвідкує совість їх, і між тим думки їх одна другу осуджують, або оправдують);
16op de Dag, dat God de verborgen daden der mensen door Christus Jesus zal oordelen, naar mijn Evangelie
16в день, коли судити ме Бог тайни людські, по благовістю моєму, через Ісуса Христа.
17Maar gij, zo ge u Jood noemt, zo ge steunt op de Wet en u op God beroemt,
17Ось ти Жидовин звеш ся, і почиваєш на законї, і хвалиш ся Богом,
18zo ge zijn wil kent, en onderricht door de Wet, het goed van het kwaad onderscheidt,
18і розумієш волю (Його), і розпізнаєш (що єсть) лучче, навчаючись із закону;
19zo ge de overtuiging bezit, dat ge een leidsman zijt voor de blinden, een licht voor wie in het duister zijn,
19і вповаєш на себе, що ти проводир слїпим, сьвітло тим, що в темряві,
20een opvoeder van onwetenden, een leermeester voor onmondigen, daar ge in de Wet de maatstaf bezit van kennis en waarheid:
20наставник незмислям, учитель малолїткам, мавши образ розуму і істини в законї.
21onderwijst ge uzelf dan niet, terwijl ge anderen onderricht?. Gij die preekt, dat men niet stelen mag, ge steelt?
21Навчаючи ж иншого, себе не навчаєш? проповідуючи не красти, сам крадеш?
22Gij die overspel verbiedt, ge zijt een overspelige? Gij die van de afgoden gruwt, ge plundert hun tempels?
22говорячи, щоб не робили перелюбу, робиш перелюб? гидуючи ідолами, крадеш сьвяте?
23Gij die pocht op de Wet, ge onteert God door overtreding der Wet;
23ти, що хвалиш ся законом, переступом закону Бога зневажаєш?
24want “door uw schuld wordt de naam van God onder de heidenen gelasterd,” zoals er geschreven staat.
24Імя бо Боже через вас хулить ся між поганами, яко ж писано.
25Zeker, de besnijdenis strekt tot nut, zo ge de Wet onderhoudt; maar zo ge de Wet overtreedt, dan staat uw besnijdenis met onbesnedenheid gelijk.
25З обрізання бо є користь, коли чиниш закон; коли ж ти переступник закону, обрізаннє твоє сталось необрізаннєм.
26Wanneer dus de onbesnedene de voorschriften der Wet onderhoudt, zal dan zijn onbesnedenheid niet voor besnijdenis gelden?
26Коли ж необрізаний хоронить установи закону, чи необрізаннє його за обрізаннє не полїчить ся?
27En zal dan de onbesnedene, die in zijn natuurlijke staat is gebleven, maar toch de Wet onderhoudt, geen rechter worden over u, die trots letter en besnijdenis de Wet overtreedt?
27І осудить необрізаннє по природї, котре сповняє закон, тебе, котрий з писаннєм і обрізаннєм переступник єси закону.
28Immers niet hij is een Jood, die het uiterlijk is; en dit is geen besnijdenis, die uiterlijk geschiedt in het vlees;
28Не той бо, хто явно (такий) єсть Жидовин, і не те, що явно по тїлу, обрізаннє,
29maar hij is een Jood, die het is in zijn binnenste; en dit is besnijdenis, die geschiedt in het hart, naar de geest en niet naar de letter; -zo iemand krijgt lof, niet van de mensen, maar van God.
29а котрий потай, (той) Жидовин, і обрізаннє (єсть обрізаннє) серця в дусї, (а) не в писанню; йому ж похвала не від людей, а від Бога.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.