Romeinen 7
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Of weet gij niet broeders, -ik spreek immers tot mensen, die wetgeving verstaan, dat de wet gezag heeft over den mens, zolang deze leeft?
1Хиба не знаєте, браттє (знаючим бо закон глаголю), що закон панує над чоловіком, доки він жив?
2De gehuwde vrouw is door de wet aan haar man gebonden, zolang hij leeft; maar is de man gestorven, dan is ze vrij van de huwelijkswet.
2Бо мужня жона з живим мужем звязана законом; як же вмре муж її, тодї вона відзволена від мужа.
3Wanneer ze dus bij het leven van haar man zich geeft aan een anderen man, dan wordt ze echtbreekster genoemd; maar is haar man gestorven, dan is ze vrij van de wet, en is ze geen echtbreekster, als ze zich met een anderen man verbindt.
3Тим же оце, як жив муж, перелюбницею звати меть ся, коли буде (жінкою) иншому чоловікові; коли ж умре муж її, вільна вона від закону, щоб не бути їй перелюбницею, хоч би була (жінкою) иншому чоловікові.
4Zó, mijn broeders, zijt ook gij dood voor de Wet door het Lichaam van Christus, opdat gij aan een ander zoudt toebehoren: aan Hem, die uit de doden is opgewekt; en opdat we vrucht zouden dragen voor God.
4Оце ж, браттє моє, і ви вмерли закону тїлом Христовим, щоб бути вам Иншому, що встав із мертвих, щоб принесли ми овощ Богові.
5Toen we in het vlees waren, werkten in onze ledematen de zondige driften, geprikkeld door de Wet, om vruchten te dragen voor de dood;
5Як були бо ми в тїлї, страсти гріховні, що були через закон, орудували в членах наших, щоб приносити овощ смертї.
6maar thans zijn we vrij van de Wet, dood voor haar, die ons aan banden legde. Dus moeten we dienen in een nieuwe geest, en niet naar een verouderde letter!
6Тепер же ми відзволились од закону умершого, котрим були держані, щоб служити нам (Богові) в обновленню духа, а не у ветхости писання.
7Wat besluiten we hieruit? Is de Wet zonde? Zeer zeker niet! Maar toch, ik kende de zonde niet, tenzij door de Wet. Immers ik zou de begeerlijkheid niet hebben gekend, als de Wet niet had gezegd: “Ge zult niet begeren.”
7Що ж скажемо? закон гріх? Нехай не буде так. Нї, я й не знав гріха, як тільки через закон, і жадоби не відав би, коли б закон не сказав: Не жадай.
8De zonde maakte gebruik van het gebod, en wekte in mij allerlei begeerlijkheid op; want zonder de wet is de zonde dood.
8Гріх же, взявшись через заповідь, підняв у менї всяку жадобу. Без закону бо гріх мертвий.
9Voorheen toch, zonder de Wet, was ik het die leefde; maar toen het gebod was gekomen, leefde de zonde,
9Я ж колись жив окроме закону; як же настала заповідь, гріх ожив, а я вмер.
10ik echter stierf; en het gebod ten leven bleek voor mij een gebod tot de dood.
10І знайшов я, що заповідь, котра на життє, ся на смерть.
11De zonde maakte gebruik van het gebod; zij heeft mij verleid, en mij gedood door het gebod.
11Гріх бо, узявшись через заповідь, обманив мене, і нею вбив мене.
12De Wet zelf is dus heilig, en het gebod is heilig, rechtvaardig en goed.
12Тим же оце закон сьвят, і заповідь сьвята, і праведна і добра.
13Is dan wat goed is, voor mij ten dode geworden? Zeer zeker niet! Maar het is de zonde, die mij de dood heeft berokkend door iets wat goed is; opdat de zonde zou blijken, zonde te zijn, en opdat ze juist door het gebod nog veel meer zondig zou worden.
13Хиба ж добро принесло менї смерть? Нехай не буде так. Нї, гріх, щоб явив ся гріхом, добрим завдав менї смерть, щоб гріх був без міри грішен через заповідь.
14We weten, dat de Wet geestelijk is; maar ikzelf ben vleselijk, verkocht aan de zonde.
14Знаємо бо, що закон духовний, я ж тїлесний, проданий під гріх.
15Immers, ik begrijp er niets van, wat ik doe: want ik doe niet wat ik wil, maar ik doe juist wat ik verfoei.
15Що бо роблю, не розумію; не що бо хочу, роблю, а що ненавиджу, те роблю.
16Welnu, wanneer ik doe wat ik niet wil, dan erken ik, dat de Wet goed is;
16Коли ж, чого не хочу, те роблю, то хвалю закон, що добрий.
17maar dan doe ikzelf het niet meer, maar de zonde, die in mij woont.
17Тепер же вже не я роблю се, а гріх, що домує в менї.
18Ik weet, dat er niets goeds in mij woont; ik bedoel: in mijn vlees. Zeker, het willen is in mij wel aanwezig, maar niet het dòen van het goede;
18Знаю бо, що не живе в менї (се єсть в тїлї моїм), добре; бо хотїннє є в мене, зробити ж що добре, не знаходжу (способу).
19want niet doe ik het goede, dat ik wil, maar wèl doe ik het kwade, dat ik niet wil.
19Бо доброго, що хочу, не роблю, а чого не хочу, лихого, те роблю.
20Welnu, wanneer ik wèl doe, wat ik niet wil, dan doe ikzelf het niet meer, maar de zonde die in mij woont.
20Коли ж, чого не хочу, те роблю, то вже не я те роблю, а гріх, що домує в менї.
21Ik ontdek in mij dus deze wet: terwijl ik het goede wil doen, ligt me het kwade voor de hand.
21Оце ж знаходжу закон, що, коли хочу робити добре, передо мною лежить лихе.
22Naar den inwendigen mens schep ik behagen in Gods Wet,
22Бо я кохаюсь у законї Божому по нутряному чоловікові,
23maar in mijn ledematen bespeur ik een andere wet, die strijd voert met de wet van mijn rede en die mij gevangen houdt in de wet van de zonde, welke in mijn ledematen heerst.
23бачу ж иншій закон у членах моїх, що воює проти закону ума мого і підневолює мене законові гріха, що в членах моїх.
24O, rampzalige mens, die ik ben! Wie zal mij verlossen van dit lichaam des doods?
24Окаянний я чоловік! хто мене збавить од тїла смерти сієї?
25God zij dank; het geschiedt door Jesus Christus, onzen Heer! Maar toch blijft het staan: uit mijzelf dien ik de Wet van God met de rede, maar de wet der zonde met het vlees.
25Дякую Богові через Ісуса Христа, Господа нашого. Оце ж умом сам я служу закону Божому, тїлом же закону гріховному.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.