Romeinen 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Wat besluiten we hieruit? Moeten we in de zonde blijven, opdat de genade tot overvloed komt?
1Що ж скажемо? чи зостанемось у грісї, щоб благодать помножилась? Нехай не буде (так).
2Dat nooit! Hoe toch zouden we in zonde voort blijven leven, nu we allen aan haar zijn afgestorven?
2Ми, що померли гріхом, як ще жити мем в йому?
3Of weet gij niet, dat wij allen, die gedoopt zijn tot de gemeenschap met Christus Jesus, dat we gedoopt zijn tot de gemeenschap met zijn Dood?
3Хиба не знаєте, що скільки нас у Христа Ісуса охрестилось, у смерть Його охрестились?
4In die gemeenschap met zijn Dood zijn we dus begraven met Hem door het Doopsel, opdat ook wij een nieuw leven zouden leiden, zoals Christus door de glorie van den Vader uit de doden is opgewekt.
4Бо погреблись ми з Ним через хрещеннє у смерть, щоб, як Христос устав із мертвих славою Отця, так і ми в обновленню життя ходили.
5Want wanneer wij met Hem zijn saamgegroeid door het beeld van zijn Dood, dan zullen we het ook wezen door dat van zijn Verrijzenis.
5Коли бо ми зʼєднані (з Ним) подобиєм смерти Його, то й (подобиєм) воскресення будемо,
6Dit weten we: onze oude mens is gekruisigd met Hem, opdat het zondige lichaam ten onder zou worden gebracht, en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn;
6знаючи, що давнього нашого чоловіка з Ним розпято, щоб зникло тїло гріховне, щоб не служити нам більш гріху.
7want wie dood is, is vrij gemaakt van de zonde.
7Хто бо вмер, той визволивсь од гріха.
8Welnu, zijn we met Christus gestorven, dan geloven we ook, dat we met Hem zullen leven.
8Коли ж ми вмерли з Христом, віруємо, що й жити мем з Ним,
9We weten, dat Christus, opgewekt uit de doden, niet meer sterft, en dat de dood geen macht meer over Hem heeft;
9знаючи, що Христос, уставши з мертвих, уже більш не вмре: смерть над Ним більш не панує.
10want zijn sterven was een sterven voor de zonde ééns en voor al, maar zijn leven is een leven voor God.
10Бо що вмер, за гріх вмер Він раз; а що живе, Богові живе.
11Zo ook moet gij u beschouwen als dood voor de zonde, maar als levend voor God in Christus Jesus.
11Так само й ви думайте, що ви мертві вже гріху, живі ж Богові, у Христї Ісусї, Господї нашім.
12Laat dus de zonde in uw sterfelijk lichaam niet heersen, zodat gij zijn lusten opvolgt;
12Нехай же не царює гріх у смертному вашому тїлї, так щоб коритись йому в похотях його;
13en stelt uw ledematen niet in dienst van de zonde als werktuigen van ongerechtigheid. Maar stelt uzelf in de dienst van God als herleefd uit de dood; en uw ledematen in de dienst van God als werktuigen van gerechtigheid.
13анї оддавайте членів ваших гріху, (яко) знаряддє неправдї, а оддавайте себе Богові, яко з мертвих оживших, і члени ваші, (яко) знаряддє правди, Богові.
14Neen, de zonde moet niet over u heersen; want gij zijt niet meer onder de Wet, maar onder de genade.
14Гріх бо над вами нехай не панує; не під законом бо ви, а під благодаттю.
15Hoe nu? Zouden we zonden bedrijven, omdat we niet staan onder de Wet, maar onder de genade? Dat nooit!
15Що ж? чи будемо грішити, що ми не під законом, а під благодаттю? Нехай не буде.
16Weet gij niet, dat gij als slaven aan hèm gehoorzaam moet zijn, onder wiens gehoorzaamheid gij u als slaven gesteld hebt; of wel van de zonde ten dode, of van de gehoorzaamheid ter gerechtigheid?
16Хиба не знаєте, що кому оддаєте себе в слуги на послух, того ви й слуги, кого слухаєте: чи то гріха на смерть, чи слухання на праведність?
17Welnu, God zij dank: gij zijt wel slaven der zonde geweest, maar van harte hebt gij u onderworpen aan die bepaalde vorm van lering, waartoe gij geroepen zijt;
17Дяка ж Богові, що ви були слугами гріха, та послухали від серця тої науки, якій і піддались.
18en vrijgemaakt van de zonde, zijt gij dienaars der gerechtigheid geworden. Ik druk me heel menselijk uit, om de zwakheid van uw vlees.
18Визволивши ся ж од гріха, зробились ви слугами правди.
19Waarachtig, zoals gij uw ledematen, als slaven der onreinheid en tuchteloosheid, in dienst van de tuchteloosheid gesteld hebt, zo moet gij thans uw ledematen, als slaven der gerechtigheid, in dienst van de heiligheid stellen.
19Почоловічи глаголю ради немочи тїла вашого: як ви оддавали члени ваші в слуги нечистотї і беззаконню на беззаконнє, так тепер оддайте члени ваші в слуги правдї на сьвятість.
20Toen gij slaven waart van de zonde, stondt gij vrij tegenover de gerechtigheid.
20Коли бо ви були слугами гріха, вільні (нагі) були від праведностї.
21Wat voor vrucht hebt gij toen wel geplukt? Thans schaamt gij u er over; want het einde ervan is de dood.
21Який же тодї мали ви овощ з того, чого тепер соромитесь? конець бо того — смерть.
22Maar nu gij vrij van de zonde en dienaars van God zijt geworden, plukt thans als vrucht: de heiliging; het einde ervan is het eeuwige leven.
22Тепер же визволившись од гріха і ставшись слугами Богу, маєте овощ ваш на осьвяченнє, конець же — життє вічнє.
23Want het loon der zonde is de dood; maar de genadegave van God is het eeuwige leven in Christus Jesus onzen Heer.
23Плата бо за гріх смерть, даруваннє ж Боже — життє вічнє в Христї Ісусї, Господї нашім.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.