Romeinen 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Londona Biblio (Esperanto, 1910)
1Wat besluiten we hieruit? Moeten we in de zonde blijven, opdat de genade tot overvloed komt?
1Kion do ni diru? Ĉu ni restu en peko, por ke graco abundu?
2Dat nooit! Hoe toch zouden we in zonde voort blijven leven, nu we allen aan haar zijn afgestorven?
2Nepre ne! Ĉu ni, kiuj mortis al peko, ankoraŭ vivus en ĝi?
3Of weet gij niet, dat wij allen, die gedoopt zijn tot de gemeenschap met Christus Jesus, dat we gedoopt zijn tot de gemeenschap met zijn Dood?
3Ĉu vi ne scias, ke ni ĉiuj, kiuj baptiĝis al Jesuo Kristo, baptiĝis al lia morto?
4In die gemeenschap met zijn Dood zijn we dus begraven met Hem door het Doopsel, opdat ook wij een nieuw leven zouden leiden, zoals Christus door de glorie van den Vader uit de doden is opgewekt.
4Ni do estas entombigitaj kun li per bapto al morto, por ke, kiel Kristo estas levita el la mortintoj per la gloro de la Patro, tiel same ni ankaŭ iradu en noveco de vivo.
5Want wanneer wij met Hem zijn saamgegroeid door het beeld van zijn Dood, dan zullen we het ook wezen door dat van zijn Verrijzenis.
5Ĉar se ni jam kuniĝis al la simileco de lia morto, ni tiel same kuniĝos al la simileco de lia releviĝo,
6Dit weten we: onze oude mens is gekruisigd met Hem, opdat het zondige lichaam ten onder zou worden gebracht, en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn;
6sciante, ke nia malnova homo estas kun li krucumita, por ke la korpo de peko estu neniigita, por ke ni jam ne estu sklavoj al peko;
7want wie dood is, is vrij gemaakt van de zonde.
7ĉar tiu, kiu mortis, estas pravigita pri peko.
8Welnu, zijn we met Christus gestorven, dan geloven we ook, dat we met Hem zullen leven.
8Sed se ni mortis kun Kristo, ni kredas, ke ni ankaŭ vivos kun li;
9We weten, dat Christus, opgewekt uit de doden, niet meer sterft, en dat de dood geen macht meer over Hem heeft;
9sciante, ke Kristo, levite el la mortintoj, ne plu mortas; la morto ne plu lin regas.
10want zijn sterven was een sterven voor de zonde ééns en voor al, maar zijn leven is een leven voor God.
10Ĉar mortante, li mortis al peko unufoje por ĉiam; sed vivante, li vivas al Dio.
11Zo ook moet gij u beschouwen als dood voor de zonde, maar als levend voor God in Christus Jesus.
11Tial ankaŭ vi vin kalkulu mortintoj al peko, sed vivantoj al Dio en Kristo Jesuo.
12Laat dus de zonde in uw sterfelijk lichaam niet heersen, zodat gij zijn lusten opvolgt;
12Tial peko ne reĝu en via morta korpo tiel, ke vi obeu al ĝiaj deziroj;
13en stelt uw ledematen niet in dienst van de zonde als werktuigen van ongerechtigheid. Maar stelt uzelf in de dienst van God als herleefd uit de dood; en uw ledematen in de dienst van God als werktuigen van gerechtigheid.
13ankaŭ ne prezentu viajn membrojn iloj de maljusteco al peko, sed prezentu vin al Dio vivantoj el la mortintoj, kaj viajn membrojn iloj de justeco por Dio.
14Neen, de zonde moet niet over u heersen; want gij zijt niet meer onder de Wet, maar onder de genade.
14Ĉar peko ne regos vin, ĉar vi estas ne sub la leĝo, sed sub graco.
15Hoe nu? Zouden we zonden bedrijven, omdat we niet staan onder de Wet, maar onder de genade? Dat nooit!
15Kio do? ĉu ni peku, pro tio, ke ni estas ne sub leĝo, sed sub graco? Nepre ne!
16Weet gij niet, dat gij als slaven aan hèm gehoorzaam moet zijn, onder wiens gehoorzaamheid gij u als slaven gesteld hebt; of wel van de zonde ten dode, of van de gehoorzaamheid ter gerechtigheid?
16Ĉu vi ne scias, ke kiam vi vin prezentas, kiel sklavoj al iu por obeado, vi estas sklavoj de tiu, al kiu vi obeas, ĉu de peko por morto, aŭ de obeemeco por justeco?
17Welnu, God zij dank: gij zijt wel slaven der zonde geweest, maar van harte hebt gij u onderworpen aan die bepaalde vorm van lering, waartoe gij geroepen zijt;
17Sed danko estu al Dio, ke kvankam vi estis la sklavoj de peko, vi tamen fariĝis kore obeemaj al tiu tipo de instruado, al kiu vi estas kondukitaj;
18en vrijgemaakt van de zonde, zijt gij dienaars der gerechtigheid geworden. Ik druk me heel menselijk uit, om de zwakheid van uw vlees.
18kaj liberigite el peko, vi sklaviĝis al justeco.
19Waarachtig, zoals gij uw ledematen, als slaven der onreinheid en tuchteloosheid, in dienst van de tuchteloosheid gesteld hebt, zo moet gij thans uw ledematen, als slaven der gerechtigheid, in dienst van de heiligheid stellen.
19Mi parolas home pro la malforteco de via karno; ĉar kiel vi prezentis viajn membrojn sklavoj al malpureco kaj al maljusteco ĝis maljusteco, tiel nun prezentu viajn membrojn sklavoj al justeco ĝis sanktigo.
20Toen gij slaven waart van de zonde, stondt gij vrij tegenover de gerechtigheid.
20Ĉar kiam vi estis sklavoj de peko, vi estis liberaj de justeco.
21Wat voor vrucht hebt gij toen wel geplukt? Thans schaamt gij u er over; want het einde ervan is de dood.
21Kian frukton do vi havis tiam el tio, pri kio vi nun hontas? ĉar la fino de tio estas morto.
22Maar nu gij vrij van de zonde en dienaars van God zijt geworden, plukt thans als vrucht: de heiliging; het einde ervan is het eeuwige leven.
22Sed nun, liberigite el peko, kaj sklaviĝinte al Dio, vi havas vian frukton ĝis sanktiĝo, kaj por fino eternan vivon.
23Want het loon der zonde is de dood; maar de genadegave van God is het eeuwige leven in Christus Jesus onzen Heer.
23Ĉar la salajro de peko estas morto; sed la donaco de Dio estas eterna vivo en Kristo Jesuo, nia Sinjoro.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.