Romeinen
Chapter 11
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Londona Biblio (Es…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Londona Biblio (Esperanto, 1910)
1Ik vraag dus: Heeft God dan zijn volk soms verstoten? Verre vandaar! Want ook ikzelf ben een Israëliet, uit het geslacht van Abraham, uit de stam van Benjamin.
1Mi do diras: Ĉu Dio forpuŝis Sian popolon? Nepre ne! Ĉar ankaŭ mi estas Izraelido, el la idoj de Abraham, el la tribo de Benjamen.
2Neen, God heeft zijn volk niet verstoten, dat Hij uitverkoren had. Of weet gij niet, wat de schrift door Elias zegt, toen deze zich bij God over Israël beklaagde:
2Dio ne forpuŝis Sian popolon, kiun Li antaŭkonis. Aŭ ĉu vi ne scias, kion la Skribo diras pri Elija? kiel li pledis ĉe Dio kontraŭ Izrael:
3“Heer, uw profeten hebben ze gedood, uw altaren omver geworpen; ik alleen ben overgebleven, en ze staan me naar het leven.”
3Ho Eternulo, oni mortigis Viajn profetojn, detruis Viajn altarojn; kaj mi sola restis, kaj oni serĉas mian animon.
4Welnu, wat antwoordt hem de godsspraak: “Zeven duizend mannen heb Ik Mij voorbehouden, die de knie niet voor Baäl hebben gebogen.”
4Sed kion diras al li la orakolo de Dio? Mi restigis por Mi sep mil virojn, kies genuoj ne fleksiĝis antaŭ Baal.
5Zo is er dan ook in deze tijd een overschot gebleven door de uitverkiezing der genade.
5Tiel same do estas ankaŭ nuntempe restaĵo laŭ la elektado de graco.
6Maar is het door de genade, dan is het niet om de werken; anders zou de genade geen genade meer zijn.
6Sed se per graco, ne plu el faroj; alie graco jam ne estus graco.
7Wat volgt daaruit? Wat Israël blijft zoeken, heeft het niet verkregen. Maar de uitverkorenen onder hen hebben het wèl verkregen; de overigen echter werden verhard.
7Kion do? Kion Izrael serĉadas, tion li ne atingis, sed la elektitaro atingis ĝin, kaj la restaĵo estis obstinigita;
8Zó staat er geschreven: “God gaf hun een geest van loomheid; ogen om niet te zien en oren om niet te horen, tot op de huidige dag.”
8kiel estas skribite: Dio donis al ili spiriton de profunda dormo, okulojn, por ke ili ne vidu, kaj orelojn, por ke ili ne aŭdu, ĝis la nuna tago.
9En David zegt: “Hun tafel zij hun een valstrik en net, Een struikelblok en een straf.
9Kaj David diris: Ilia tablo fariĝu por ili reto kaj kaptilo Kaj falpuŝilo kaj repago;
10Mogen hun ogen worden verduisterd, zodat ze niet zien; En krom hun de rug voor altijd.”
10Mallumiĝu iliaj okuloj, ke ili ne vidu; Kaj iliajn lumbojn malfortigu por ĉiam.
11Ik vraag dan: Zijn ze gestruikeld, om te blijven liggen? Zeer zeker niet! Maar dank zij hun val, is de redding aan de heidenen ten deel gevallen, om hèn naijverig te maken.
11Mi do diras: Ĉu ili falpuŝiĝis, por ke ili falu? Nepre ne! sed per ilia eraro venis savo al la nacianoj, por ĵaluzigi ilin.
12Welnu, wanneer hun val een schat werd voor de wereld, en hun getalverlies een schat voor de heidenen, -hoeveel te meer zal hun voltalligheid het dan zijn!
12Se do ilia eraro riĉigis la mondon, kaj ilia perdo estas la gajno de la nacianoj, kiom pli ilia pleneco?
13En nu heidenen, spreek ik tot u! Ofschoon ik apostel der heidenen ben, houd ik mijn ambt hoog,
13Sed mi parolas al vi, nacianoj. Laŭ tio, kiom mi estas apostolo al nacianoj, mi gloras mian servadon;
14juist om mijn rasgenoten tot naijver te prikkelen en sommigen van hen te behouden.
14se nur mi iel povos ĵaluzigi tiujn, kiuj estas mia karno, kaj savi kelkajn el ili.
15Want zo hun verwerping de verzoening der wereld geweest is, wat zal dan hun weder-opneming anders zijn, dan een opstanding uit de doden?
15Ĉar se la forĵetado de ili estas la repacigo de la mondo, kio estos la akcepto de ili, se ne vivo el la mortintoj?
16Zijn immers de eerstelingen heilig, dan ook het deeg; en is de wortel heilig, dan ook de takken.
16Kaj se la unuaaĵo estas sankta, la maso ankaŭ estas sankta; kaj se la radiko estas sankta, la branĉoj ankaŭ estas sanktaj.
17Welnu, wanneer enige van die takken zijn weggekapt, en gij, wilde olijf, in hun plaats zijt geënt en uw deel hebt gekregen van de wortel en het sap van de olijfboom,
17Sed se kelkaj el la branĉoj derompiĝis, kaj vi, estante sovaĝa olivarbo, engreftiĝis inter ili kaj fariĝis partoprenanto en la radiko kaj graso de la olivarbo,
18gaat dan niet pochen tegen de takken. En zo ge gaat pochen; niet gij draagt de wortel, maar de wortel draagt u!
18ne fieru super la branĉoj; sed se vi fieras, ne vi portas la radikon, sed la radiko portas vin.
19Misschien zult ge zeggen: de takken zijn weggekapt, opdat ik zou worden geënt.
19Vi do diros: Branĉoj estis derompitaj, por ke mi estu engreftita.
20Heel goed; maar de takken zijn weggekapt om hun ongeloof, en gij zit vast door het geloof. -Koester geen hoge dunk van uzelf, maar vrees;
20Bone; pro nekredemeco ili estis derompitaj, kaj vi staras per via fido. Ne tenu vin alte, sed timu;
21wanneer God de echte takken niet heeft ontzien, dan zal Hij ook ú niet ontzien.
21ĉar se Dio ne indulgis la naturajn branĉojn, Li ankaŭ vin ne indulgos.
22Overweegt dus de goedheid, maar ook de strengheid van God: Gods strengheid over hen, die zijn weggevallen, doch zijn goedheid voor u, zo ge door zijn goedheid volhardt; anders zult ook gij worden weggekapt.
22Vidu do la bonecon kaj severecon de Dio: al la falintoj severecon, sed al vi bonecon, se vi restados en Lia boneco; alie vi ankaŭ detranĉiĝos.
23Maar ook die anderen zullen weer worden geënt, wanneer ze niet volharden in hun ongeloof; want God is bij machte, om ze opnieuw te enten.
23Kaj ili ankaŭ, se ili ne restados en sia nekredemeco, engreftiĝos; ĉar Dio povas reengrefti ilin.
24Waarachtig, wanneer gijzelf van een wilde olijf zijt gekapt waartoe ge van nature behoort, en tegen de natuur in, op de tamme olijf zijt geënt; hoeveel gemakkelijker zullen zij op hun eigen olijf worden geënt, waartoe ze van nature behoren!
24Ĉar se vi eltranĉiĝis el tio, kio estas nature sovaĝa olivarbo, kaj kontraŭnature engreftiĝis en bonan olivarbon, kiom pli ĉi tiuj, kiuj estas la naturaj branĉoj, engreftiĝos en sian propran olivarbon?
25Welnu broeders, om u te behoeden voor zelfoverschatting, wil ik u niet onkundig laten van dit geheim: een deel van Israël is verhard, totdat de massa der heidenen is binnengegaan;
25Ĉar mi ne volas, fratoj, ke vi ne sciu ĉi tiun misteron, por ke vi ne opiniu vin saĝaj, ke laŭparta obstiniĝo okazis al Izrael, ĝis la pleneco de la nacianoj envenos;
26en dan zal heel Israël worden gered; zoals er geschreven staat: “De Verlosser zal komen uit Sion, De goddeloosheid verwijderen van Jakob:
26kaj tiamaniere la tuta Izrael saviĝos, kiel estas skribite: El Cion venos la Liberiganto; Li deturnos de Jakob malpiecon;
27En dit zal mijn Verbond met hen zijn, Wanneer Ik hun zonden zal hebben vergeven.”
27Kaj ĉi tio estos Mia interligo kun ili, Kiam Mi forigos iliajn pekojn.
28Zeker, met betrekking tot het Evangelie zijn ze vijanden om uwentwil; maar met betrekking tot de uitverkiezing zijn ze de welbeminden om wille der Vaders;
28Rilate al la evangelio, ili estas malamikoj pro vi; sed rilate al la elekto, ili estas amataj pro la patroj.
29want nooit heeft God berouw over genadegaven en roeping.
29Ĉar la donacoj kaj la vokado de Dio estas nerevokeblaj.
30Zoals gij eertijds ongehoorzaam aan God zijt geweest, maar thans door hùn ongehoorzaamheid barmhartigheid hebt gevonden,
30Ĉar kiel vi iam estis malobeemaj al Dio, sed jam ricevis kompaton per ilia malobeo,
31zó zijn ook zij nu nog wel ongehoorzaam om de u betoonde ontferming, opdat eenmaal ook zij op hun beurt barmhartigheid mogen verkrijgen.
31tiel same ankaŭ ĉi tiuj jam malobeis, por ke, per la kompato montrita al vi, ili ankaŭ nun ricevu kompaton.
32Want God heeft allen onder ongehoorzaamheid gevangen gehouden, om aan allen zijn barmhartigheid te tonen.
32Ĉar Dio kunŝlosis ĉiujn en malobeo, por ke Li kompatu ĉiujn.
33O afgrond van rijkdom en wijsheid en kennis van God! Hoe ondoorgrondelijk zijn toch zijn raadsbesluiten, hoe onnaspeurlijk zijn wegen!
33Ho, profundo de riĉeco kaj saĝeco kaj scio de Dio! kiel neesploreblaj estas Liaj juĝoj, kaj nesekveblaj Liaj vojoj!
34“Wie toch kent ‘s Heren gedachte, Of wie is zijn raadsman geweest?
34Ĉar kiu sciis la spiriton de la Eternulo? aŭ kiu estis Lia konsilanto?
35Of wie heeft Hem het eerst iets gegeven, Zodat hij terugontvangen moet?”
35aŭ kiu antaŭe al Li donis ion, poste redonotan al li?
36Immers, uit Hem en door Hem en voor Hem is alles! Hem zij de glorie in eeuwigheid. Amen!
36Ĉar el Li kaj per Li kaj al Li estas ĉio. Al Li estu la gloro por ĉiam. Amen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.