Romeinen 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
World English Bible
1Wat besluiten we hieruit? Moeten we in de zonde blijven, opdat de genade tot overvloed komt?
1What shall we say then? Shall we continue in sin, that grace may abound?
2Dat nooit! Hoe toch zouden we in zonde voort blijven leven, nu we allen aan haar zijn afgestorven?
2May it never be! We who died to sin, how could we live in it any longer?
3Of weet gij niet, dat wij allen, die gedoopt zijn tot de gemeenschap met Christus Jesus, dat we gedoopt zijn tot de gemeenschap met zijn Dood?
3Or don’t you know that all of us who were baptized into Christ Jesus were baptized into his death?
4In die gemeenschap met zijn Dood zijn we dus begraven met Hem door het Doopsel, opdat ook wij een nieuw leven zouden leiden, zoals Christus door de glorie van den Vader uit de doden is opgewekt.
4We were buried therefore with him through baptism into death, that just as Christ was raised from the dead through the glory of the Father, so we also might walk in newness of life.
5Want wanneer wij met Hem zijn saamgegroeid door het beeld van zijn Dood, dan zullen we het ook wezen door dat van zijn Verrijzenis.
5For if we have become united with him in the likeness of his death, we will also be part of his resurrection;
6Dit weten we: onze oude mens is gekruisigd met Hem, opdat het zondige lichaam ten onder zou worden gebracht, en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn;
6knowing this, that our old man was crucified with him, that the body of sin might be done away with, so that we would no longer be in bondage to sin.
7want wie dood is, is vrij gemaakt van de zonde.
7For he who has died has been freed from sin.
8Welnu, zijn we met Christus gestorven, dan geloven we ook, dat we met Hem zullen leven.
8But if we died with Christ, we believe that we will also live with him,
9We weten, dat Christus, opgewekt uit de doden, niet meer sterft, en dat de dood geen macht meer over Hem heeft;
9knowing that Christ, being raised from the dead, dies no more. Death no longer has dominion over him!
10want zijn sterven was een sterven voor de zonde ééns en voor al, maar zijn leven is een leven voor God.
10For the death that he died, he died to sin one time; but the life that he lives, he lives to God.
11Zo ook moet gij u beschouwen als dood voor de zonde, maar als levend voor God in Christus Jesus.
11Thus consider yourselves also to be dead to sin, but alive to God in Christ Jesus our Lord.
12Laat dus de zonde in uw sterfelijk lichaam niet heersen, zodat gij zijn lusten opvolgt;
12Therefore don’t let sin reign in your mortal body, that you should obey it in its lusts.
13en stelt uw ledematen niet in dienst van de zonde als werktuigen van ongerechtigheid. Maar stelt uzelf in de dienst van God als herleefd uit de dood; en uw ledematen in de dienst van God als werktuigen van gerechtigheid.
13Also, do not present your members to sin as instruments of unrighteousness, but present yourselves to God as alive from the dead, and your members as instruments of righteousness to God.
14Neen, de zonde moet niet over u heersen; want gij zijt niet meer onder de Wet, maar onder de genade.
14For sin will not have dominion over you, for you are not under law, but under grace.
15Hoe nu? Zouden we zonden bedrijven, omdat we niet staan onder de Wet, maar onder de genade? Dat nooit!
15What then? Shall we sin because we are not under law but under grace? May it never be!
16Weet gij niet, dat gij als slaven aan hèm gehoorzaam moet zijn, onder wiens gehoorzaamheid gij u als slaven gesteld hebt; of wel van de zonde ten dode, of van de gehoorzaamheid ter gerechtigheid?
16Don’t you know that when you present yourselves as servants and obey someone, you are the servants of whomever you obey, whether of sin to death, or of obedience to righteousness?
17Welnu, God zij dank: gij zijt wel slaven der zonde geweest, maar van harte hebt gij u onderworpen aan die bepaalde vorm van lering, waartoe gij geroepen zijt;
17But thanks be to God that, whereas you were bondservants of sin, you became obedient from the heart to that form of teaching to which you were delivered.
18en vrijgemaakt van de zonde, zijt gij dienaars der gerechtigheid geworden. Ik druk me heel menselijk uit, om de zwakheid van uw vlees.
18Being made free from sin, you became bondservants of righteousness.
19Waarachtig, zoals gij uw ledematen, als slaven der onreinheid en tuchteloosheid, in dienst van de tuchteloosheid gesteld hebt, zo moet gij thans uw ledematen, als slaven der gerechtigheid, in dienst van de heiligheid stellen.
19I speak in human terms because of the weakness of your flesh; for as you presented your members as servants to uncleanness and to wickedness upon wickedness, even so now present your members as servants to righteousness for sanctification.
20Toen gij slaven waart van de zonde, stondt gij vrij tegenover de gerechtigheid.
20For when you were servants of sin, you were free from righteousness.
21Wat voor vrucht hebt gij toen wel geplukt? Thans schaamt gij u er over; want het einde ervan is de dood.
21What fruit then did you have at that time in the things of which you are now ashamed? For the end of those things is death.
22Maar nu gij vrij van de zonde en dienaars van God zijt geworden, plukt thans als vrucht: de heiliging; het einde ervan is het eeuwige leven.
22But now, being made free from sin and having become servants of God, you have your fruit of sanctification and the result of eternal life.
23Want het loon der zonde is de dood; maar de genadegave van God is het eeuwige leven in Christus Jesus onzen Heer.
23For the wages of sin is death, but the free gift of God is eternal life in Christ Jesus our Lord.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.