Romeinen 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Daničić–Karadžić Bible (1868), Cyrillic
1Wat besluiten we hieruit? Moeten we in de zonde blijven, opdat de genade tot overvloed komt?
1Шта ћемо дакле рећи? Хоћемо ли остати у греху да се благодат умножи? Боже сачувај!
2Dat nooit! Hoe toch zouden we in zonde voort blijven leven, nu we allen aan haar zijn afgestorven?
2Јер који умресмо греху како ћемо још живети у њему?
3Of weet gij niet, dat wij allen, die gedoopt zijn tot de gemeenschap met Christus Jesus, dat we gedoopt zijn tot de gemeenschap met zijn Dood?
3Или не знате да сви који се крстисмо у Исуса Христа, у смрт Његову крстисмо се?
4In die gemeenschap met zijn Dood zijn we dus begraven met Hem door het Doopsel, opdat ook wij een nieuw leven zouden leiden, zoals Christus door de glorie van den Vader uit de doden is opgewekt.
4Тако се с Њим погребосмо крштењем у смрт да као што уста Христос из мртвих славом Очевом, тако и ми у новом животу да ходимо.
5Want wanneer wij met Hem zijn saamgegroeid door het beeld van zijn Dood, dan zullen we het ook wezen door dat van zijn Verrijzenis.
5Јер кад смо једнаки с Њим једнаком смрћу, бићемо и васкрсењем;
6Dit weten we: onze oude mens is gekruisigd met Hem, opdat het zondige lichaam ten onder zou worden gebracht, en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn;
6знајући ово да се стари наш човек разапе с Њиме, да би се тело грешно покварило, да више не бисмо служили греху.
7want wie dood is, is vrij gemaakt van de zonde.
7Јер који умре опрости се од греха.
8Welnu, zijn we met Christus gestorven, dan geloven we ook, dat we met Hem zullen leven.
8А ако умресмо с Христом, верујемо да ћемо и живети с Њим,
9We weten, dat Christus, opgewekt uit de doden, niet meer sterft, en dat de dood geen macht meer over Hem heeft;
9знајући да Христос уста из мртвих, већ више не умире; смрт више неће овладати њиме.
10want zijn sterven was een sterven voor de zonde ééns en voor al, maar zijn leven is een leven voor God.
10Јер шта умре, греху умре једанпут; а шта живи, Богу живи.
11Zo ook moet gij u beschouwen als dood voor de zonde, maar als levend voor God in Christus Jesus.
11Тако и ви, дакле, држите себе да сте мртви греху а живи Богу у Христу Исусу Господу нашем.
12Laat dus de zonde in uw sterfelijk lichaam niet heersen, zodat gij zijn lusten opvolgt;
12Да не царује, дакле, грех у вашем смртном телу, да га слушате у сластима његовим;
13en stelt uw ledematen niet in dienst van de zonde als werktuigen van ongerechtigheid. Maar stelt uzelf in de dienst van God als herleefd uit de dood; en uw ledematen in de dienst van God als werktuigen van gerechtigheid.
13нити дајте удова својих греху за оружје неправде; него дајте себе Богу, као који сте живи из мртвих, и уде своје Богу за оружје правде.
14Neen, de zonde moet niet over u heersen; want gij zijt niet meer onder de Wet, maar onder de genade.
14Јер грех неће вама овладати, јер нисте под законом него под благодаћу.
15Hoe nu? Zouden we zonden bedrijven, omdat we niet staan onder de Wet, maar onder de genade? Dat nooit!
15Шта дакле? Хоћемо ли грешити кад нисмо под законом него под благодаћу? Боже сачувај!
16Weet gij niet, dat gij als slaven aan hèm gehoorzaam moet zijn, onder wiens gehoorzaamheid gij u als slaven gesteld hebt; of wel van de zonde ten dode, of van de gehoorzaamheid ter gerechtigheid?
16Не знате ли да коме дајете себе за слуге у послушање, слуге сте оног кога слушате, или греха за смрт, или послушања за правду?
17Welnu, God zij dank: gij zijt wel slaven der zonde geweest, maar van harte hebt gij u onderworpen aan die bepaalde vorm van lering, waartoe gij geroepen zijt;
17Хвала, дакле, Богу што бивши робови греху послушасте од срца ту науку којој се и предадосте.
18en vrijgemaakt van de zonde, zijt gij dienaars der gerechtigheid geworden. Ik druk me heel menselijk uit, om de zwakheid van uw vlees.
18Опростивши се, пак, од греха постасте слуге правди.
19Waarachtig, zoals gij uw ledematen, als slaven der onreinheid en tuchteloosheid, in dienst van de tuchteloosheid gesteld hebt, zo moet gij thans uw ledematen, als slaven der gerechtigheid, in dienst van de heiligheid stellen.
19Као човек говорим, за слабост вашег тела. Јер као што дадосте уде своје за робове нечистоти и безакоњу на безакоње, тако сад дајте уде своје за слуге правди на посвећење.
20Toen gij slaven waart van de zonde, stondt gij vrij tegenover de gerechtigheid.
20Јер кад бејасте робови греху, прости бејасте од правде.
21Wat voor vrucht hebt gij toen wel geplukt? Thans schaamt gij u er over; want het einde ervan is de dood.
21Какав дакле онда имадосте плод за који се сад стидите? Јер је оног крај смрт.
22Maar nu gij vrij van de zonde en dienaars van God zijt geworden, plukt thans als vrucht: de heiliging; het einde ervan is het eeuwige leven.
22А сад опростивши се од греха, и поставши слуге Божје, имате плод свој на посвећење, а крај живот вечни.
23Want het loon der zonde is de dood; maar de genadegave van God is het eeuwige leven in Christus Jesus onzen Heer.
23Јер је плата за грех смрт, а дар Божји је живот вечни у Христу Исусу Господу нашем.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.