Romeinen 7
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Daničić–Karadžić Bible (1868), Cyrillic
1Of weet gij niet broeders, -ik spreek immers tot mensen, die wetgeving verstaan, dat de wet gezag heeft over den mens, zolang deze leeft?
1Или не знате, браћо (јер говорим онима који знају закон), да закон влада над човеком докле је жив?
2De gehuwde vrouw is door de wet aan haar man gebonden, zolang hij leeft; maar is de man gestorven, dan is ze vrij van de huwelijkswet.
2Јер је удата жена привезана законом за мужа докле год он живи; а ако ли муж њен умре, разреши се од закона мужевљег.
3Wanneer ze dus bij het leven van haar man zich geeft aan een anderen man, dan wordt ze echtbreekster genoemd; maar is haar man gestorven, dan is ze vrij van de wet, en is ze geen echtbreekster, als ze zich met een anderen man verbindt.
3Зато, дакле, док јој је муж жив бива прељубочиница ако пође за другог мужа; а ако јој умре муж проста је од закона да не буде прељубочиница ако пође за другог.
4Zó, mijn broeders, zijt ook gij dood voor de Wet door het Lichaam van Christus, opdat gij aan een ander zoudt toebehoren: aan Hem, die uit de doden is opgewekt; en opdat we vrucht zouden dragen voor God.
4Зато, браћо моја, и ви умресте закону телом Христовим, да будете другог, Оног што уста из мртвих, да плод донесемо Богу.
5Toen we in het vlees waren, werkten in onze ledematen de zondige driften, geprikkeld door de Wet, om vruchten te dragen voor de dood;
5Јер кад бејасмо у телу, беху сласти греховне, које закон рађаху у удима нашим да се смрти плод доноси.
6maar thans zijn we vrij van de Wet, dood voor haar, die ons aan banden legde. Dus moeten we dienen in een nieuwe geest, en niet naar een verouderde letter!
6А сад, умревши избависмо се од закона који нас држаше, да служимо Богу у обновљењу Духа а не у старини слова.
7Wat besluiten we hieruit? Is de Wet zonde? Zeer zeker niet! Maar toch, ik kende de zonde niet, tenzij door de Wet. Immers ik zou de begeerlijkheid niet hebben gekend, als de Wet niet had gezegd: “Ge zult niet begeren.”
7Шта ћемо дакле рећи? Је ли закон грех? Боже сачувај! Него ја греха не познах осим кроз закон; јер не знадох за жељу да закон не каза: Не зажели.
8De zonde maakte gebruik van het gebod, en wekte in mij allerlei begeerlijkheid op; want zonder de wet is de zonde dood.
8А грех узе почетак кроз заповест, и начини у мени сваку жељу; јер је грех без закона мртав.
9Voorheen toch, zonder de Wet, was ik het die leefde; maar toen het gebod was gekomen, leefde de zonde,
9А ја живљах некад без закона; а кад дође заповест, онда грех оживе,
10ik echter stierf; en het gebod ten leven bleek voor mij een gebod tot de dood.
10а ја умрех, и нађе се да ми заповест би за смрт која беше дата за живот.
11De zonde maakte gebruik van het gebod; zij heeft mij verleid, en mij gedood door het gebod.
11Јер грех узевши почетак кроз заповест превари ме, и уби ме њоме.
12De Wet zelf is dus heilig, en het gebod is heilig, rechtvaardig en goed.
12Тако је, дакле, закон свет и заповест света и праведна и добра.
13Is dan wat goed is, voor mij ten dode geworden? Zeer zeker niet! Maar het is de zonde, die mij de dood heeft berokkend door iets wat goed is; opdat de zonde zou blijken, zonde te zijn, en opdat ze juist door het gebod nog veel meer zondig zou worden.
13Добро ли дакле би мени смрт? Боже сачувај! Него грех, да се покаже грех добром чинећи ми смрт, да буде грех одвише грешан заповешћу.
14We weten, dat de Wet geestelijk is; maar ikzelf ben vleselijk, verkocht aan de zonde.
14Јер знамо да је закон духован; а ја сам телесан, продан под грех:
15Immers, ik begrijp er niets van, wat ik doe: want ik doe niet wat ik wil, maar ik doe juist wat ik verfoei.
15Јер не знам шта чиним, јер не чиним оно шта хоћу, него на шта мрзим оно чиним.
16Welnu, wanneer ik doe wat ik niet wil, dan erken ik, dat de Wet goed is;
16Ако ли оно чиним шта нећу, хвалим закон да је добар.
17maar dan doe ikzelf het niet meer, maar de zonde, die in mij woont.
17А ово више ја не чиним него грех који живи у мени.
18Ik weet, dat er niets goeds in mij woont; ik bedoel: in mijn vlees. Zeker, het willen is in mij wel aanwezig, maar niet het dòen van het goede;
18Јер знам да добро не живи у мени, то јест у телу мом. Јер хтети имам у себи, али учинити добро не налазим.
19want niet doe ik het goede, dat ik wil, maar wèl doe ik het kwade, dat ik niet wil.
19Јер добро што хоћу не чиним, него зло што нећу оно чиним.
20Welnu, wanneer ik wèl doe, wat ik niet wil, dan doe ikzelf het niet meer, maar de zonde die in mij woont.
20А кад чиним оно што нећу, већ ја то не чиним него грех који живи у мени.
21Ik ontdek in mij dus deze wet: terwijl ik het goede wil doen, ligt me het kwade voor de hand.
21Налазим, дакле закон, кад хоћу добро да чиним, да ме на зло нагони.
22Naar den inwendigen mens schep ik behagen in Gods Wet,
22Јер имам радост у закону Божијем по унутрашњем човеку;
23maar in mijn ledematen bespeur ik een andere wet, die strijd voert met de wet van mijn rede en die mij gevangen houdt in de wet van de zonde, welke in mijn ledematen heerst.
23али видим други закон у удима својим, који се супроти закону ума мог, и заробљава ме законом греховним који је у удима мојим.
24O, rampzalige mens, die ik ben! Wie zal mij verlossen van dit lichaam des doods?
24Ја несрећни човек! Ко ће ме избавити од тела смрти ове?
25God zij dank; het geschiedt door Jesus Christus, onzen Heer! Maar toch blijft het staan: uit mijzelf dien ik de Wet van God met de rede, maar de wet der zonde met het vlees.
25Захваљујем Богу свом кроз Исуса Христа Господа нашег. Тако, дакле, ја сам умом својим служим закону Божијем а телом закону греховном.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.