Romeinen 14
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Gij moet den zwakke in het geloof tot u trekken; maar niet om over meningsverschillen te twisten.
1Знемогаючого ж у вірі приймайте не на розбіраннє думок.
2De een toch gelooft alles te mogen eten; de zwakke voedt zich met groenten.
2Один вірує, (що можна) їсти все, а знемогаючий зїллє (нехай) їсть.
3Wie eet, moet hem niet kleineren, die niet eet; en wie niet eet, moet geen oordeel vellen over hem, die wèl eet; God immers heeft hem als den zijne aangenomen.
3Хто їсть, нехай тому, хто не їсть, не докоряє, а хто не їсть, нехай того, хто їсть, не осуджує; Бог бо його прийняв.
4Wie zijt ge dan wel, die een oordeel velt over andermans dienstknecht; of hij staat of valt, is de zaak van zijn eigen meester. Maar hij zal staande blijven; want de Heer heeft de macht, hem staande te houden.
4Ти хто єси, що судиш чужого слугу? своєму панові стоїть він, або падає. Устоїть же, бо здолїє Бог поставити його.
5De een stelt de ene dag boven de andere; een ander stelt ze alle gelijk; laat iedereen zijn eigen volle overtuiging volgen.
5Инший шанує (один) день над (другий) день; инший же судить про всякий день (однаково). Кожен у своїй мислї нехай буде певен.
6Wie aan een bepaalde dag is gehecht, doet het ter ere van den Heer; en wie eet, eet ter ere van den Heer, daar hij dank brengt aan God; en wie niet eet, laat het ter ere van den Heer, en dankt daarbij God.
6Хто вважає на день, Господеві вважає; і хто не вважає на день, Господеві не вважає. Хто їсть, Господеві їсть, бо дякує Богу; і хто не їсть, Господеві не їсть, та й дякує Богу.
7Niemand van ons leeft voor zichzelf, en niemand sterft voor zichzelf;
7Нїхто бо з нас собі не живе, і нїхто собі не вмирає.
8want zo we leven, dan leven we voor den Heer, zo we sterven, dan sterven we voor den Heer. Of we dus leven of sterven, den Heer behoren we toe.
8Бо коли живемо, Господеві живемо; й коли вмираємо, Господеві вмираємо; то, чи живемо, чи вмираємо, ми Господнї.
9Want juist daarom is Christus gestorven en ten leven opgestaan, om de Heer te zijn van doden en levenden.
9На се бо Христос і вмер, і воскрес, і ожив, щоб і над мертвими, й над живими панувати.
10Maar wat oordeelt ge dan uw broeder, of wat kleineert ge uw broeder? Allen toch zullen we voor Gods rechterstoel moeten staan.
10Ти ж чого судиш брата твого? або й ти, чого докоряєш брата твого? Усї бо станемо перед судищем Христовим.
11Want er staat geschreven: “Zoowaar Ik leef, zegt de Heer: Voor Mij zal elke knie zich buigen, En alle tong zal God verheerlijken.”
11Писано бо: Як живу, глаголе Господь, що передо мною поклонить ся всяке колїно, і всякий язик визнавати ме Бога.
12Ieder van ons zal dus voor zichzelf rekenschap hebben te geven aan God.
12Тим же кожен з нас за себе перелїк дасть Богу.
13Laat ons dus niet langer elkander beoordelen; doch maakt liever het besluit, den broeder geen aanstoot of ergernis te geven.
13Оце ж більш один одного не осуджуймо, а лучче розсуджуйте, як би не класти спотикання брату, або поблазнї.
14Ik weet, en ben er zeker van in den Heer Jesus, dat op zichzelf niets onrein is; maar voor hem die meent, dat het onrein is, is het onrein.
14Знаю я і впевнивсь у Христї Ісусї, що нїщо нескверне само собою; тільки, хто думає, що воно скверне, тому й скверне.
15Maar wanneer ge uw broeder grieft door uw eten, dan beoefent ge de liefde niet meer. Stort door uw eten niemand in het verderf, voor wien Christus is gestorven.
15Коли ж через їжу брат твій сумує, то вже не по любови ходиш. Не погубляй їжею твоєю того, за кого Христос умер.
16Wat uzelf goed toeschijnt, moet ge geen slechte naam doen krijgen.
16Нехай же не ганить ся ваше добре.
17Immers het koninkrijk Gods bestaat niet in spijs en drank, maar in gerechtigheid, vrede en vreugde in den heiligen Geest;
17Бо царство Боже не їжа і питтє, а правда, і впокій, і радощі в Дусї сьвятім.
18en wie zó Christus dient, is welgevallig aan God en geacht door de mensen.
18Хто бо в сьому служить Христу, той любий Богові і шануваний між людьми.
19We moeten dus streven naar wat de vrede en de wederkerige stichting bevordert.
19Тому ж отсе побиваймось за тим, що для впокою і для збудовання спільного.
20Breekt het werk van God niet af om wat spijs. Zeker, alles is rein; maar het wordt slecht voor den mens, die door zijn eten aanstoot geeft.
20Ради їжи не руйнуй дїла Божого. Все чисте, тільки лихо чоловікові, що їсть із спотиканнєм.
21Het is lofwaardig, geen vlees te eten en geen wijn of iets anders te drinken, wanneer uw broeder zich daaraan ergert.
21Добре не їсти мясива, анї пити вина, нї (такого), від чого брат твій спотикаєть ся або блазнить ся, або знемогає.
22Houd uw overtuiging voor uzelf, en voor God. -Gelukkig hij, die zich niets te verwijten heeft bij wat hij zich veroorlooft.
22Ти маєш віру? май (її) собі перед Богом. Блажен, хто не осуджує себе в тому, що похваляє.
23Maar wie nog in twijfel verkeert terwijl hij eet, is veroordeeld, omdat hij niet handelt overeenkomstig zijn geloof; alles toch is zonde, wat niet in overeenstemming is met het geloof.
23Хто ж сумнить ся, чи їсти, осудить ся, бо (їсть) не по вірі; все ж, що не по вірі, гріх.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.