Romeinen 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Maar dan zijt ook gij niet te verontschuldigen, gij mens, die oordelen durft, wie ge ook zijt. Want, waarin ge een ander oordeelt, veroordeelt ge uzelf; gij rechter. ge doet juist hetzelfde.
1Protož nemůžeš se vymluviti, ó člověče každý, potupuje jiného. Nebo tím, že jiného potupuješ, sám sebe odsuzuješ, poněvadž totéž činíš, což na jiném tupíš.
2Welnu, we weten, dat Gods oordeel onpartijdig allen treft, die dergelijke dingen doen.
2Vímeť zajisté, že soud Boží jest podle pravdy proti těm, kteříž takové věci činí.
3En meent ge dan, dat ge zelf Gods oordeel ontgaan zult, gij mens, die een oordeel velt over anderen, die dergelijke daden bedrijven, maar die juist hetzelfde doet?
3Zdali se domníváš, ó člověče, jenž soudíš ty, kdož takové věci činí, a sám totéž čině, že ty ujdeš soudu Božího?
4Of begrijpt ge de rijkdom van zijn goedheid, geduld en lankmoedigheid verkeerd, en beseft ge niet, dat Gods goedheid u aanspoort tot boete?
4Èili bohatstvím dobrotivosti jeho a snášelivosti i dlouhočekání pohrdáš, nevěda, že dobrotivost Boží ku pokání tebe vede?
5Maar dan stapelt ge door uw verstoktheid en door uw onboetvaardig hart toorn op voor uzelf tegen de Dag van de toorn en van de komst van het rechtvaardig oordeel Gods.
5Ale podle tvrdosti své a srdce nekajícího shromažďuješ sobě hněv ke dni hněvu a zjevení spravedlivého soudu Božího,
6Hij zal ieder naar zijn werken vergelden:
6Kterýž odplatí jednomu každému podle skutků jeho,
7Het eeuwig leven aan hen, die door volharding in het goede, naar glorie en eer en onsterflijkheid streven;
7Těm zajisté, kteříž trvajíce v dobrém skutku, slávy a cti a nesmrtelnosti hledají, životem věčným,
8maar toorn en gramschap aan hen, die door hun partijzucht ongehoorzaam zijn aan de waarheid en luisteren naar de ongerechtigheid.
8Těm pak, kteříž jsou svárliví a pravdě nepovolují, ale povolují nepravosti, prchlivostí a hněvem,
9Kommer en angst naar de ziel voor iederen mens, die het kwade verricht, eerst voor den Jood en dan voor den Griek;
9Trápením a úzkostí, a to každé duši člověka činícího zlé, i Žida předně, a též i Řeka.
10glorie, eer en vrede voor ieder, die het goede verricht, eerst voor den Jood, en dan voor den Griek.
10Ale slávu a čest a pokoj dá každému, kdož činí dobré, i Židu předně, a též i Řeku.
11Want bij God is geen aanzien des persoons.
11Neboť není přijímání osob u Boha.
12Immers, wie buiten de Wet heeft gezondigd, zal ook verloren gaan buiten de Wet; en wie gezondigd heeft onder de Wet, zal worden geoordeeld volgens de Wet.
12Kteřížkoli zajisté bez Zákona hřešili, bez Zákona i zahynou; a kteřížkoli pod Zákonem byvše hřešili, skrze Zákon odsouzeni budou,
13Want niet zij, die de Wet horen, zijn rechtvaardig voor God; maar zij, die de Wet volbrengen, zullen gerechtvaardigd worden.
13(Nebo ne ti, jenž slyší Zákon, spravedlivi jsou před Bohem, ale činitelé Zákona spravedlivi budou.
14Welnu, wanneer de heidenen, die de Wet niet bezitten, natuurlijkerwijze de voorschriften der Wet onderhouden, dan zijn ze zonder de Wet zichzelf tot wet.
14Nebo když pohané Zákona nemajíce, od přirození činí to, což přikazuje Zákon, takoví Zákona nemajíce, sami sobě zákonem jsou,
15Ze tonen dan, dat de voorschriften der Wet in hun hart staan geschreven, en hun geweten legt dezelfde getuigenis af; zo ook hun gedachten, die beurtelings hen zullen aanklagen of vrijpleiten
15Kteřížto ukazují dílo Zákona napsané na srdcích svých, když jim to osvědčuje svědomí jejich i myšlení, kteráž se vespolek obviňují, anebo také vymlouvají.)
16op de Dag, dat God de verborgen daden der mensen door Christus Jesus zal oordelen, naar mijn Evangelie
16V ten den, kdyžto souditi bude Bůh tajné věci lidské, podle evangelium mého skrze Jezukrista.
17Maar gij, zo ge u Jood noemt, zo ge steunt op de Wet en u op God beroemt,
17Aj, ty sloveš Žid, a spoléháš na Zákon, a chlubíš se Bohem,
18zo ge zijn wil kent, en onderricht door de Wet, het goed van het kwaad onderscheidt,
18A znáš vůli jeho, a rozeznáváš, co sluší neb nesluší, naučen jsa z Zákona,
19zo ge de overtuiging bezit, dat ge een leidsman zijt voor de blinden, een licht voor wie in het duister zijn,
19A za to máš, že jsi ty vůdcím slepých, světlem těch, kteříž jsou ve tmě,
20een opvoeder van onwetenden, een leermeester voor onmondigen, daar ge in de Wet de maatstaf bezit van kennis en waarheid:
20Ředitelem nemoudrých, učitelem nemluvňat, majícím formu umění a pravdy v Zákoně.
21onderwijst ge uzelf dan niet, terwijl ge anderen onderricht?. Gij die preekt, dat men niet stelen mag, ge steelt?
21Kterakž tedy jiného uče, sám sebe neučíš? Vyhlašuje, že nemá kradeno býti, sám kradeš?
22Gij die overspel verbiedt, ge zijt een overspelige? Gij die van de afgoden gruwt, ge plundert hun tempels?
22Pravě: Nezcizoložíš, a cizoložství pácháš? V ohavnosti maje modly, svatokrádeže se dopouštíš?
23Gij die pocht op de Wet, ge onteert God door overtreding der Wet;
23Zákonem se chlubě, přestupováním Zákona Bohu neúctu činíš?
24want “door uw schuld wordt de naam van God onder de heidenen gelasterd,” zoals er geschreven staat.
24Nebo jméno Boží pro vás v porouhání jest mezi pohany, jakož psáno jest.
25Zeker, de besnijdenis strekt tot nut, zo ge de Wet onderhoudt; maar zo ge de Wet overtreedt, dan staat uw besnijdenis met onbesnedenheid gelijk.
25Obřezáníť zajisté prospěje, budeš-li Zákon plniti; pakli budeš přestupitelem Zákona, obřezání tvé učiněno jest neobřezáním.
26Wanneer dus de onbesnedene de voorschriften der Wet onderhoudt, zal dan zijn onbesnedenheid niet voor besnijdenis gelden?
26A protož jestližeť by neobřízka ostříhala práv Zákona, zdaliž nebude počtena neobřízka jejich za obřízku?
27En zal dan de onbesnedene, die in zijn natuurlijke staat is gebleven, maar toch de Wet onderhoudt, geen rechter worden over u, die trots letter en besnijdenis de Wet overtreedt?
27A odsoudí ti, kteříž jsou z přirození neobřízka, zachovávajíce Zákon, tebe, kterýž pod literou a obřízkou přestupník jsi Zákona?
28Immers niet hij is een Jood, die het uiterlijk is; en dit is geen besnijdenis, die uiterlijk geschiedt in het vlees;
28Nebo ne ten jest pravý Žid, kterýž jest zjevně Židem; aniž to jest pravé obřezání, kteréž bývá zjevně na těle;
29maar hij is een Jood, die het is in zijn binnenste; en dit is besnijdenis, die geschiedt in het hart, naar de geest en niet naar de letter; -zo iemand krijgt lof, niet van de mensen, maar van God.
29Ale ten jest pravý Žid, kterýžto vnitř jest Židem, a to jest pravé obřezání, kteréž jest srdečné v duchu, a ne podle litery; jehožto chvála ne z lidí jest, ale z Boha.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.