Romeinen 15
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Wij die sterk zijn, we moeten de gevoeligheden der zwakken ontzien, en niet onszelf zoeken.
1Povinniť jsme pak my silní mdloby nemocných snášeti, a ne sami sobě se líbiti.
2Ieder van ons moet het welzijn van den naaste zoeken, om hem te stichten.
2Ale jeden každý z nás bližnímu se lib k dobrému pro vzdělání.
3Ook Christus heeft zichzelf niet gezocht; maar zoals geschreven staat: “De smaad van hen, die u smaden, is op Mij gevallen;”
3Nebo i Kristus ne sám se sobě líbil, ale jakož psáno jest: Hanění hanějících tebe připadla jsou na mne.
4alles toch wat vroeger geschreven werd, is tot onze onderrichting geschreven, opdat we de hoop zouden verkrijgen door het geduld en de vertroosting, die de Schriften ons bieden.
4Nebo kteréžkoli věci napsány jsou, k našemu naučení napsány jsou, abychom skrze trpělivost a potěšení Písem naději měli.
5De God van geduld en vertroosting schenke u dan de geest van onderlinge eensgezindheid naar het voorbeeld van Christus Jesus,
5Bůh pak dárce trpělivosti a potěšení dejž vám jednomyslným býti vespolek podle Jezukrista,
6opdat gij eendrachtig en uit één mond den God en Vader van onzen Heer Jesus Christus verheerlijken moogt.
6Abyste jednomyslně jedněmi ústy oslavovali Boha a Otce Pána našeho Jezukrista.
7Gij moet u dus tot elkander getrokken gevoelen, zoals ook Christus Zich onzer heeft aangetrokken tot verheerlijking van God.
7Protož přijímejte se vespolek, jakož i Kristus přijal nás v slávu Boží.
8Ik bedoel, dat Christus de Bedienaar der besnijdenis is geworden, opdat Gods getrouwheid zou blijken door de vervulling der beloften aan de Vaders;
8Neboť pravím vám, že Kristus Ježíš byl služebníkem obřízky pro Boží pravost, aby potvrzeni byli slibové otcům učinění,
9maar dat de heidenen God om zijn barmhartigheid moeten verheerlijken, zoals er geschreven staat: “Daarom zal ik U onder de heidenen belijden, En een lofzang aanheffen ter ere van uw Naam.”
9A aby pohané z milosrdenství slavili Boha, jakož psáno jest: Protož vyznávati tebe budu mezi pohany, a jménu tvému plésati budu.
10En wederom zegt ze: “Verheugt u, gij heidenen, Te zamen met zijn volk!”
10A opět dí: Veselte se pohané s lidem jeho.
11En eveneens: “Looft den Heer, alle heidenen, Verheerlijkt Hem, alle naties!”
11A opět: Chvalte Hospodina všickni národové, a velebtež ho všickni lidé.
12En Isaias zegt weer: “Het zal de Wortel van Jesse zijn, Die opstaat om ook over de heidenen te heersen; Op Hem zullen de heidenen hopen.”
12A opět Izaiáš dí: Budeť kořen Jesse, a ten, jenž povstane, panovati nad pohany; v němť pohané doufati budou.
13Moge dan de God van hoop door het geloof u vervullen met alle vreugde en vrede; opdat gij rijke overvloed van hoop moogt verwerven door de kracht van den heiligen Geest!
13Bůh pak naděje naplňujž vás všelikou radostí a pokojem u víře, tak abyste se rozhojnili v naději skrze moc Ducha svatého.
14Eigenlijk gezegd, mijn broeders, ben ik er voor mezelf van overtuigd, dat gij toch al vervuld zijt met goede gevoelens en vol van alle kennis, en dat gij zelf in staat zijt, elkaar te vermanen.
14Vím zajisté, bratří moji, i já také o vás, že i vy jste plní dobroty, naplněni jsouce všelikou známostí, takže se i napomínati můžete vespolek.
15Toch heb ik u hier en daar tamelijk vrijmoedig geschreven, daar ik u een en ander in herinnering had te brengen krachtens de genade door God mij geschonken:
15Ale však proto psal jsem vám, bratří, poněkud směle, jako ku paměti přivodě vám, podle milosti, kteráž jest mi dána od Boha,
16om onder de heidenen een dienaar van Christus Jesus te zijn in de heilige dienst van het Evangelie Gods; opdat de heidenen een welgevallige offerande zouden worden, geheiligd door den heiligen Geest.
16K tomu, abych byl služebníkem Ježíše Krista mezi pohany, slouže evangelium Božímu, aby byla obět pohanů vzácná, posvěcena jsuci skrze Ducha svatého.
17En op deze dienst van God beroem ik mij in Christus Jesus.
17Mám se tedy čím chlubiti v Kristu Ježíši, v Božích věcech.
18Want ik zal me niet verstouten, over iets anders te spreken, dan over wat Christus door mij heeft uitgewerkt tot bekering der heidenen, door woord en door daad,
18Neboť bych se neodvážil mluviti toho, čehož by skrze mne neučinil Kristus, k tomu, aby ku poslušenství přivedeni byli pohané slovem i skutkem,
19door kracht van tekenen en wonderen, en door de kracht van den heiligen Geest. Zó heb ik wel van Jerusalem af tot Illúrië toe in alle richtingen het Evangelie van Christus in al zijn volheid verkondigd;
19V moci divů a zázraků, v síle Ducha Božího, takže jsem od Jeruzaléma vůkol až k Ilyrické zemi naplnil evangelium Kristovým,
20maar evenzeer was het mij een erezaak, nergens het Evangelie te preken, waar de naam van Christus reeds werd genoemd; om niet op de grondslagen van anderen te bouwen,
20A to tak žádostiv jsa kázati evangelium, kdež ani jmenován nebyl Kristus, abych na cizí základ nestavěl,
21maar zoals er geschreven staat: “Zij zullen Hem zien, Wien Hij niet was verkondigd; Zij zullen Hem kennen, Die niet van Hem hadden gehoord.”
21Ale jakož psáno jest: Kterýmž není zvěstováno o něm, uzří, a ti, jenž neslýchali, srozumějí.
22Dit is dan ook de reden, waarom ik telkens verhinderd werd, u te bezoeken.
22A tímť jest mi mnohokrát překaženo přijíti k vám.
23Maar nu ik in deze streken geen arbeidsveld meer heb, en ik toch reeds sinds vele jaren het verlangen had, u te bezoeken,
23Nyní pak nemaje již více místa v těchto krajinách a žádost maje přijíti k vám od mnoha let,
24nu hoop ik dus, wanneer ik naar Spanje vertrek, u op mijn doorreis te zien, en dan door u verder voortgeholpen te worden, wanneer ik eerst een weinig althans van de omgang met u zal hebben genoten.
24Kdyžkoli půjdu do Hišpanie, přijdu k vám. Mámť zajisté naději, že tudy jda, uzřím vás, a že vy mne provodíte tam, avšak až bych prve u vás poněkud pobyl.
25Thans vertrek ik naar Jerusalem, om aan de heiligen mijn diensten te bewijzen.
25Nyní pak beru se do Jeruzaléma, službu čině svatým.
26Want Macedónië en Achaja hebben het goede besluit genomen, een inzameling te houden ten bate van de armen onder de heiligen van Jerusalem.
26Nebo za dobré se vidělo Macedonským a Achaiským, aby sbírku nějakou učinili na chudé svaté, kteříž jsou v Jeruzalémě.
27Ze hebben dat goede besluit genomen, daar ze ook verplichtingen aan hen hebben; want wanneer de heidenen deel hebben gekregen aan hùn geestelijke goederen, dan zijn dezen ook verplicht, hèn met stoffelijke goederen te ondersteunen.
27Takť sobě to oblíbili, a také povinni jsou jim to. Nebo poněvadž duchovních věcí jejich byli účastni pohané, povinniť jsou jim také sloužiti tělesnými.
28Wanneer ik dus deze zaak heb afgewikkeld en hun deze opbrengst ter hand heb gesteld, zal ik naar Spanje vertrekken, en dan bij u aankomen.
28A protož když to vykonám a jim odvedu užitek ten, půjduť skrze vás do Hišpanie.
29En ik weet, dat ik met de volheid van Christus zegen zal komen, wanneer ik u kom bezoeken.
29A vímť, že přijda k vám, v hojnosti požehnání evangelium Kristova přijdu.
30Ik smeek u dan broeders, bij onzen Heer Jesus Christus en bij de liefde van den Geest, mij in de strijd te helpen door uw gebeden, die ge voor mij opstiert tot God;
30Prosímť pak vás, bratří, skrze Pána našeho Jezukrista a skrze lásku Ducha svatého, abyste spolu se mnou modlili se za mne Bohu snažně,
31opdat ik ontkomen mag aan de ongelovigen van Judea, en mijn dienstbetoon voor Jerusalem door de heiligen op prijs wordt gesteld;
31Abych vysvobozen byl od protivníků, kteříž jsou v Judstvu a aby služba tato má příjemná byla svatým v Jeruzalémě,
32en opdat ik dan, zo God het wil, met blijdschap u bezoeken mag, en mij verpozen in uw midden.
32Abych k vám bohdá s radostí přišel, a s vámi poodpočinul.
33De God van de vrede zij met u allen. Amen!
33Bůh pak pokoje budiž se všemi vámi. Amen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.