Romeinen 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Maar dan zijt ook gij niet te verontschuldigen, gij mens, die oordelen durft, wie ge ook zijt. Want, waarin ge een ander oordeelt, veroordeelt ge uzelf; gij rechter. ge doet juist hetzelfde.
1Portanto, você não tem desculpa, ó homem, quem quer que seja que julga. Pois naquilo em que julga o outro, você condena a si mesmo. Pois você, que julga, pratica as mesmas coisas.
2Welnu, we weten, dat Gods oordeel onpartijdig allen treft, die dergelijke dingen doen.
2Nós sabemos que o juízo de Deus é segundo a verdade contra os que praticam tais coisas.
3En meent ge dan, dat ge zelf Gods oordeel ontgaan zult, gij mens, die een oordeel velt over anderen, die dergelijke daden bedrijven, maar die juist hetzelfde doet?
3Você pensa, ó homem que julga os que praticam tais coisas e faz o mesmo, que escapará do juízo de Deus?
4Of begrijpt ge de rijkdom van zijn goedheid, geduld en lankmoedigheid verkeerd, en beseft ge niet, dat Gods goedheid u aanspoort tot boete?
4Ou você despreza as riquezas da sua bondade, tolerância e paciência, não sabendo que a bondade de Deus o leva ao arrependimento?
5Maar dan stapelt ge door uw verstoktheid en door uw onboetvaardig hart toorn op voor uzelf tegen de Dag van de toorn en van de komst van het rechtvaardig oordeel Gods.
5Mas, por causa da sua dureza e do seu coração impenitente, você está acumulando ira para si mesmo no dia da ira, quando será revelado o justo juízo de Deus,
6Hij zal ieder naar zijn werken vergelden:
6que “retribuirá a cada um segundo as suas obras:”
7Het eeuwig leven aan hen, die door volharding in het goede, naar glorie en eer en onsterflijkheid streven;
7aos que, com perseverança em fazer o bem, buscam glória, honra e incorruptibilidade, a vida eterna;
8maar toorn en gramschap aan hen, die door hun partijzucht ongehoorzaam zijn aan de waarheid en luisteren naar de ongerechtigheid.
8mas aos que são egoístas e não obedecem à verdade, mas obedecem à injustiça, haverá ira, indignação,
9Kommer en angst naar de ziel voor iederen mens, die het kwade verricht, eerst voor den Jood en dan voor den Griek;
9aflição e angústia virão sobre todo ser humano que pratica o mal, primeiro sobre o judeu e também sobre o grego.
10glorie, eer en vrede voor ieder, die het goede verricht, eerst voor den Jood, en dan voor den Griek.
10Mas glória, honra e paz a todo homem que faz o bem, primeiro para o judeu, e também para o grego.
11Want bij God is geen aanzien des persoons.
11Pois Deus não age com parcialidade.
12Immers, wie buiten de Wet heeft gezondigd, zal ook verloren gaan buiten de Wet; en wie gezondigd heeft onder de Wet, zal worden geoordeeld volgens de Wet.
12Pois todos os que pecaram sem a lei também perecerão sem a lei. E todos os que pecaram sob a lei serão julgados pela lei.
13Want niet zij, die de Wet horen, zijn rechtvaardig voor God; maar zij, die de Wet volbrengen, zullen gerechtvaardigd worden.
13Pois não são os ouvintes da lei que são justos diante de Deus, mas os praticantes da lei serão justificados
14Welnu, wanneer de heidenen, die de Wet niet bezitten, natuurlijkerwijze de voorschriften der Wet onderhouden, dan zijn ze zonder de Wet zichzelf tot wet.
14(pois, quando os gentios, que não têm a lei, fazem por natureza o que a lei exige, eles, embora não tenham a lei, são lei para si mesmos,
15Ze tonen dan, dat de voorschriften der Wet in hun hart staan geschreven, en hun geweten legt dezelfde getuigenis af; zo ook hun gedachten, die beurtelings hen zullen aanklagen of vrijpleiten
15mostrando que a obra da lei está escrita em seus corações, enquanto a consciência deles também dá testemunho, e seus pensamentos ora os acusam, ora os defendem)
16op de Dag, dat God de verborgen daden der mensen door Christus Jesus zal oordelen, naar mijn Evangelie
16no dia em que Deus julgará os segredos dos homens, segundo o meu Evangelho, por Jesus Cristo.
17Maar gij, zo ge u Jood noemt, zo ge steunt op de Wet en u op God beroemt,
17De fato, você leva o nome de judeu, apoia-se na lei, gloria-se em Deus,
18zo ge zijn wil kent, en onderricht door de Wet, het goed van het kwaad onderscheidt,
18conhece a sua vontade e aprova as coisas que são excelentes, sendo instruído pela lei,
19zo ge de overtuiging bezit, dat ge een leidsman zijt voor de blinden, een licht voor wie in het duister zijn,
19e está confiante de que você mesmo é guia dos cegos, luz dos que estão em trevas,
20een opvoeder van onwetenden, een leermeester voor onmondigen, daar ge in de Wet de maatstaf bezit van kennis en waarheid:
20instrutor dos tolos, mestre de crianças, tendo na lei a forma do conhecimento e da verdade.
21onderwijst ge uzelf dan niet, terwijl ge anderen onderricht?. Gij die preekt, dat men niet stelen mag, ge steelt?
21Você, portanto, que ensina a outro, não ensina a si mesmo? Você, que prega que um homem não deve roubar, você rouba?
22Gij die overspel verbiedt, ge zijt een overspelige? Gij die van de afgoden gruwt, ge plundert hun tempels?
22Você, que diz que um homem não deve cometer adultério, você comete adultério? Você, que abomina ídolos, rouba templos?
23Gij die pocht op de Wet, ge onteert God door overtreding der Wet;
23Você, que se gloria na lei, desonra a Deus desobedecendo à lei?
24want “door uw schuld wordt de naam van God onder de heidenen gelasterd,” zoals er geschreven staat.
24Pois “o nome de Deus é blasfemado entre os gentios por causa de vocês”, assim como está escrito.
25Zeker, de besnijdenis strekt tot nut, zo ge de Wet onderhoudt; maar zo ge de Wet overtreedt, dan staat uw besnijdenis met onbesnedenheid gelijk.
25Pois a circuncisão de fato tem proveito, se você pratica a lei; mas, se transgride a lei, a sua circuncisão se tornou incircuncisão.
26Wanneer dus de onbesnedene de voorschriften der Wet onderhoudt, zal dan zijn onbesnedenheid niet voor besnijdenis gelden?
26Portanto, se o incircunciso guardar as ordenanças da lei, não será a sua incircuncisão considerada como circuncisão?
27En zal dan de onbesnedene, die in zijn natuurlijke staat is gebleven, maar toch de Wet onderhoudt, geen rechter worden over u, die trots letter en besnijdenis de Wet overtreedt?
27Aqueles que são fisicamente incircuncisos, mas cumprem a lei, não julgarão você, que, apesar de ter a letra da lei e a circuncisão, transgride a lei?
28Immers niet hij is een Jood, die het uiterlijk is; en dit is geen besnijdenis, die uiterlijk geschiedt in het vlees;
28Pois não é judeu quem o é exteriormente, nem é circuncisão a que é exterior na carne;
29maar hij is een Jood, die het is in zijn binnenste; en dit is besnijdenis, die geschiedt in het hart, naar de geest en niet naar de letter; -zo iemand krijgt lof, niet van de mensen, maar van God.
29mas é judeu aquele que o é interiormente, e a circuncisão é a do coração, no espírito, não na letra. O louvor desse não vem dos homens, mas de Deus.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.