Exodus
Chapter 15
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Toen zongen Moses en Israëls kinderen dit lied ter ere van Jahweh: Laat ons zingen voor Jahweh, Want hoog is Hij verheven; Paard en ruiter wierp Hij in zee!
1Засьпівав тодї Мойсей й синове Ізрайлеві пісню Господеві, і сьпівали сими словами: Ой сьпіваймо ж Господеві, славно бо прославивсь, і коня і їздеця він поввергав у море.
2Mijn kracht is Jahweh en mijn roem, Want Hij heeft mij gered. Hij is mijn God, dien ik wil prijzen, De God van mijn vaderen, dien ik verheerlijk.
2Господь, сила моя й велич, був моїм рятунком. Він мій Бог, і я споруджу дом йому преславний. Вознесу його, прославлю Бог-отця благого.
3Een krijgsheld is Jahweh, Jahweh is zijn Naam!
3Господь — муж боїв страшенний, на імя Господь він.
4Farao’s wagens en zijn leger wierp Hij in zee, In de Rode Zee ligt de bloem zijner helden verdronken.
4Колесницї в Фараона і полки-потуги Божа сила потопила, поввергала в море, і вибране отаманнє потонуло в морі; лицярі над лицарями згинули в Червонім,
5De golven bedekten hen, Zij zakten als een steen in de diepte.
5Глибиня їх повкривала по всї вічні роки; мов каміннє потонули у морю глибокім.
6Uw rechterhand, Jahweh, is heerlijk door kracht, Uw rechterhand, Jahweh, verplettert den vijand!
6Господе! твоя правиця вславилась в потузї; Господе! твоя десниця ворога згубила.
7In de volheid van uw majesteit werpt Gij uw tegenstanders neer, Laat Gij de vrije loop aan uw toorn, Die als kaf hen verteert.
7Величчю твоєю, Боже, стер єси противних, послав гнїв твій, і огнем він мов стебло пожер їх.
8Door uw briesen hoopten de wateren zich op, Bleven de golven staan als een dam, Stolden de baren in het midden der zee.
8Духом яростї твоєї води роздїлив ти, і загусли муром филї, встали серед моря.
9De vijand sprak: Ik zet ze na, haal ze in, Ik verdeel de buit, ik zal mij verzadigen; Ik trek mijn zwaard, Mijn hand slaat ze neer.
9Рече ворог: Пожену їх, уженусь, настигну; попаюю здобич, буде міч мій царювати.
10Maar Gij hebt met uw adem geblazen en de zee golfde over hen heen; Zij zonken als lood in de vreselijke wateren.
10Но дмухнув єси вітрами, море їх укрило, мов те оливо втонули в морі, у безоднї.
11Wie is als Gij onder de goden, o Jahweh, Wie als Gij, heerlijk door heiligheid, Geducht om uw roemvolle daden, En om de wonderen, die Gij wrocht.
11Хто тобі подобен в бозїх, Господе, хто рівен, славен сьвятостю твоєю, страшен чудесами!
12Gij strekt uw rechterhand uit, En de aarde verslindt ze!
12Простягнув єси правицю, — їх земля пожерла.
13In uw goedheid leidt Gij het volk, dat Gij hebt verlost, In uw kracht voert Gij het naar uw heilige woning!
13Вивів правдою твоєю люде сї з неволї, і провів потужно в землю, в займище спасенне.
14De volken horen het en beven, Angst overvalt Filistea’s bewoners.
14Чути муть про се народи, острах їх обійме, печаль серце Филистимське туга гризти буде.
15De vorsten van Edom zijn van schrik overmand, De koningen van Moab rillen ervan. Onrust grijpt alle bewoners van Kanaän aan,
15Стуманїють і Єдомцї, глави Моавійські, і тремтіти муть потужні дуки Канаанські.
16Bevangen door angst en ontzetting; Voor uw geweldige kracht Worden ze stom als een steen, Terwijl uw volk, o Jahweh, zijn doortocht voltooit, Het volk, dat Gij U hebt verworven, is overgestoken.
16Ой нехай же страх і трепет злющих постигає, величчю руки твоєї в камінь обертає! Докіль, Господе, перейдуть вірні щирі люде, що з усїх людей собі ти вибрав у наслїддє.
17Nu brengt en plant Gij hen Op de berg van uw erfdeel; Op de plaats van uw woning, o Jahweh, die Gij U hebt bereid: Heer, in het heilige oord, Dat uw handen hebben gegrond!
17Уведеш їх і насадиш на горі наслїднїй, там, о Господе, насадиш, де пречистї руцї уготовили сьвятиню про всї вічні роки.
18Jahweh zal heersen Voor eeuwig en immer!
18Ой царюй же, Боже правий, правдою во віки!
19Want toen de paarden van Farao De zee introkken, met zijn wagens en ruiters, Bedolf Jahweh hen met de golven der zee; Maar Israëls kinderen trokken er droogvoets doorheen!
19Бо ввійшов кінь Фараонів, колесницї його й комонник його в море, і вернув Господь на їх воду, а синове Ізрайлеві пройшли по сусї, серед вод.
20En Mirjam de profetes, de zuster van Aäron, nam de tamboerijn ter hand, en terwijl alle vrouwen met tamboerijnen haar dansende volgden,
20І взяла Мирияма, натхнена сестра Аронова, бубен у руку свою, і повиходило все жіноцтво за нею з бубнами й таньцями.
21herhaalde Mirjam voor hen het refrein: Laat ons zingen voor Jahweh, Want hoog is Hij verheven, Paard en ruiter wierp Hij in zee!
21Відказувала Мирияма їм: Ой сьпіваймо Господеві, славно бо прославивсь, і коня і їздеця він повкидав у море!
22Daarna liet Moses Israël van de Rode Zee opbreken en trokken zij naar de woestijn van Sjoer. Toen zij al drie dagreizen ver de woestijn in waren getrokken, zonder water te vinden,
22І повелїв Мойсей Ізрайлеві рушати від Червоного моря, і вийшли вони з Сур степу, і йшли три днї степом, та й не знаходили води.
23bereikten zij Mara. Maar ze konden het water van Mara niet drinken, omdat het bitter was; daarom noemde men het Mara.
23І прийшли в Меру, та не змогли пити води Мерської, бо гірка вона, тим і прозвали те врочище Мера.
24Toen begon het volk tegen Moses te morren en zeide: Wat moeten we drinken?
24І нарекали люде на Мойсея, говорючи: Що нам пити?
25Hij bad tot Jahweh, en Jahweh wees hem een stuk hout aan; hij wierp het in het water, en het water werd zoet. Op deze plaats gaf hij hun voorschriften en wetten, en stelde hen daar voor de keus:
25І заголосив Мойсей до Господа, і вказав йому дерево Господь, і вкинув його він у воду, і прісною стала вода. Там він дав їм установу й суд, і сим робом випробував їх.
26Zo ge luistert naar de stem van Jahweh, uw God, en doet wat recht is in zijn ogen, zo ge zijn geboden in acht neemt, en al zijn voorschriften onderhoudt, zal Ik geen van de kwalen, waarmee Ik Egypte heb geteisterd, u laten treffen, maar genees Ik u juist; Ik, Jahweh!
26І рече: Коли щиро слухати мешся голосу Господа Бога твого, і чинити меш праведне в очу його, і нахиляти меш ухо до заповідей його, і допильновувати меш усїх установ його, нї одну болесть, що я наводив на Египтян, не наведу на тебе: я бо Господь, Бог твій, що виздоровлює тебе.
27Vandaar gingen zij naar Elim, waar twaalf waterbronnen zijn en zeventig palmen staan, en zij sloegen de legerplaats op aan het water.
27І прийшли в Єлим, аж там двайцять водяних криниць і сїмдесять пальм. І отаборились там понад водою.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.