Exodus 10
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Toen sprak Jahweh tot Moses: Ga naar Farao. Waarachtig, Ik heb zijn hart en dat van zijn dienaars verhard, opdat ik mijn tekenen onder hen zou kunnen verrichten,
1І рече Господь Мойсейові: Увійди до Фараона; я ж бо закаменив запекле серце його і серце в дворян його, щоб менї показати сї знамення на них.
2opdat gij uw zonen en kleinzonen zoudt kunnen verhalen, hoe Ik tegen de Egyptenaren ben opgetreden, en welke wonderen Ik onder hen heb gewrocht, en opdat gij zoudt weten, dat Ik Jahweh ben.
2І щоб тобі можна було повідати в уші синові твойму, як я насьміявсь з Египту, і які знамення сотворив я над ним, щоб ви взнали, що я Господь.
3Moses en Aäron gingen dus naar Farao en zeiden tot hem: Zo spreekt Jahweh, de God der Hebreën! Hoelang weigert gij nog, u aan Mij te onderwerpen? Laat mijn volk vertrekken, om Mij te vereren.
3І прийшов Мойсей та Арон до Фараона та й промовили йому: Так каже Господь, Бог Єврейський: Докіль ще ставити меш опір, не хотячи впокоритись передо мною? Відпусти люде мої послужити менї.
4Want zo ge weigert, mijn volk te laten vertrekken, zal Ik morgen met sprinkhanen uw gebied overstromen.
4Коли ж не схочеш одпустити люде мої, се я наведу завтра сарану на займища твої.
5Zij zullen de bodem van het land bedekken, zodat men geen grond meer kan zien; zij zullen het overschot, dat u door de hagel gespaard bleef, tot het laatste toe verslinden, en alle bomen, die op uw velden groeien, kaal vreten.
5І вкриє лице землї, що й землї буде не знати, і поїсть увесь останок, що зістався вам од гряду, і жерти ме всяке дерево, що виростає вам у полї;
6Uw huizen en de huizen uwer hovelingen en van alle Egyptenaren zullen er zo vol van zijn, als uw vaders en voorvaders nooit hebben beleefd al de tijd, dat zij in dit land wonen tot de dag van vandaag. Toen keerde hij Farao de rug toe, en ging van hem heen.
6І сповняться будинки твої, й будинки всїх дворян твоїх, й усї оселї Египецькі, що нїколи не бачили сього батьки твої, нї батьки батьків твоїх з того часу, як постали на сїй землї та й по сей день. І повернувся Мойсей та й вийшов од Фараона.
7Maar de hovelingen van Farao zeiden tot hem: Hoelang zal die man ons nog schade moeten berokkenen? Laat die mensen toch vertrekken, om Jahweh, hun God, te vereren. Beseft ge nu nog niet, dat Egypte zo te gronde gaat?
7І промовили слуги Фараонові до його: Докіль буде сей чоловік западнею нам? Відпусти людей послужити Господеві, Богу свойму. Хиба не знаєш і досї, що погублено Египет?
8Nu werden Moses en Aäron opnieuw bij Farao ontboden, en hij zeide tot hen: Ge kunt vertrekken, om Jahweh, uw God, te vereren. Maar wie moeten er allemaal mee?
8І вернули Мойсея та Арона перед Фараона, і каже їм: Ідїте послужіте Господеві, Богу вашому! Хто ж усї ті, що хочуть вийти?
9Moses antwoordde: Jong en oud moet mee; we willen gaan met onze zonen en dochters, met onze schapen en runderen; want we willen feest vieren ter ere van Jahweh.
9І каже Мойсей: З молодиками нашими й з дїдами нашими пійдемо, з синами й дочками нашими, з отарами й чередами нашими пійдемо; бо сьвято Господа Бога в нас.
10Hij zeide tot hen: Even zeker mag Jahweh u bijstaan, als ik u met uw kinderen laat vertrekken. Het is duidelijk, dat gij kwaad in uw schild voert.
10І каже він: Нехай буде так. Господь із вами! Я готов відпустити вас, но чому з малечою вашою? Та гледїть, у вас бо на умі щось лихе!
11Maar het zal niet gebeuren! De mannen kunnen gaan, om Jahweh te vereren; want dat hebt gij gevraagd. Zo joeg men hen van Farao weg.
11Нї бо! Йдїте собі, що вже дорослі, та й послужіте Господеві; сього бо самі допевняєтесь. Та й вигнали їх зперед Фараона.
12Toen sprak Jahweh tot Moses: Strek uw hand uit over Egypte, om de sprinkhanen te laten komen. Zij zullen neerstrijken op het land van Egypte, en al het veldgewas wegvreten, dat de hagel gespaard heeft.
12І рече Господь Мойсейові: Просьтягни руку твою над Египецькою землею про сарану, і нехай налетить сарана на Египецьку землю, та й пожере всю траву земну, що лишив гряд.
13En Moses strekte zijn staf uit over Egypte. De hele dag en de hele nacht liet Jahweh een oostenwind waaien over het land van Egypte, en in de morgen bracht de oostenwind de sprinkhanen mee.
13І простяг Мойсей жезло своє над Египецькою землею, Господь же наводив од схід сонця вітра на землю весь той день і всю ніч, а як обутріло, східний вітер нагнав сарану.
14De sprinkhanen verspreidden zich over heel Egypte en streken neer op heel het grondgebied van Egypte, in zulke geweldige zwermen, als er tevoren nooit waren geweest, en ook later nooit meer zullen zijn.
14І напала сарана на всю землю Египецьку, і посїла вона по всїх займищах Египецьких, тьма тьмою. Доти не було такої сарани, і потім не буде такої.
15Heel de oppervlakte van het land was er mee bedekt, en de grond zag er zwart van. Zij verslonden al het veldgewas en vraten alle vruchtbomen kaal, die door de hagel waren gespaard, zodat er in heel Egypte geen groen aan de bomen bleef en geen gewas op het veld.
15І вкрила лице всієї землї, так що земля почорнїла, та й пожерла всю траву земную й усї плоди на деревах, що позоставались од гряду, і не зосталось нїчогісїнько зеленого на дереві або на траві в полях, по всїй землї Египецькій.
16Nu liet Farao in allerijl Moses en Aäron ontbieden en zeide: Ik heb gezondigd tegen Jahweh, uw God, en tegen u.
16І метнувся Фараон кликати Мойсея та Арона, та й каже: Провинив Господеві, Богу вашому, та й вам.
17Vergeef mij deze keer nog mijn zonden, en bidt tot Jahweh, uw God, dat Hij ten minste deze dodelijke ramp van mij wegneemt.
17Простїте ж мою провину тілько сей раз, і вблагайте Господа, Бога вашого, щоб одвернув од мене сю тілько смерть.
18En Moses ging van Farao heen, en bad tot Jahweh.
18І вийшов Мойсей од Фараона і вблагав Господа.
19En Jahweh keerde de wind, en liet een krachtige westenwind waaien, die de sprinkhanen meevoerde en in de Rode Zee dreef: op het hele grondgebied van Egypte bleef geen enkele sprinkhaan meer over.
19І дав Господь вітер потужний на захід соньця, і взяв той вітер сарану та й вкинув її в Червоне море. Не зісталось же сарани по всїх Египецьких займищах.
20Maar Jahweh verhardde het hart van Farao, zodat hij de Israëlieten niet liet vertrekken.
20Та закаменив Господь запекле серце Фараонове, і не відпустив він синів Ізрайлевих.
21Toen sprak Jahweh tot Moses: Strek uw hand uit naar de hemel, en er zal een duisternis over Egypte vallen zo dicht, dat men ze tasten kan.
21І рече Господь Мойсейові: Простягни руку твою до неба, і нехай постане темрява над Египецькою землею така, щоб ходили помацки.
22En Moses strekte zijn hand naar de hemel uit, en er viel een dikke duisternis over heel Egypte, drie dagen lang,
22І простяг Мойсей руку свою до неба, і стояла густа темрява по всїй землї Египецький три днї.
23zodat men elkaar niet kon zien, en drie dagen lang niemand van zijn plaats kon; maar voor de Israëlieten bleef het licht overal, waar zij woonden.
23І не бачило одно ʼдного, і не встав нїхто з місця свого три днї, у всїх же синів Ізрайлевих був сьвіт по їх осадах.
24Nu liet Farao Moses en Aäron ontbieden, en zeide: Gaat heen, om Jahweh te vereren. Uw kinderen kunnen met u meegaan, maar uw schapen en runderen blijven hier.
24І кликне Фараон Мойсея та Арона, та й каже: Йдїте служити Господеві, тільки отарі та череди покиньте. Малеча ж ваша теж нехай йде з вами.
25Moses antwoordde: Onmogelijk; ge moet ons toch slacht(-) en brandoffers mee laten nemen, die wij aan Jahweh, onzen God, zullen brengen.
25І каже Мойсей: Нї! ти сам нам даси й жертви й усепалення, щоб ми принесли Господеві, Богу нашому.
26Daarom moet ook onze kudde met ons mee: geen hoef zal achterblijven. Want daaruit hebben we een keuze te doen, om Jahweh, onzen God, te vereren; anders zouden we niet weten, wat we Jahweh, onzen God, moesten offeren, als we ter plaatse zijn aangekomen.
26Та й уся наша скотина пійде з нами; не покинемо позад себе й копита; з них бо брати мемо про службу Господеві, Богу нашому; ми же і самі не відаємо, чим служити мем Господеві, аж покіль прийдемо туди.
27Maar Jahweh verhardde het hart van Farao, zodat hij weigerde, hen te laten vertrekken.
27І закаменив Господь серце Фараонове, і не схотїв він одпустити їх.
28Farao zeide hem: Pak u weg, en waag het niet, mij nog onder de ogen te komen: want wanneer ge me nog eens onder de ogen komt, zult ge sterven.
28І каже йому Фараон: Ійди геть собі від мене! Сховайся! Не побачиш уже лиця мого; бо того дня, як побачиш лице моє, тобі й смерть.
29Moses antwoordde: Zoals ge zegt; ik zal u niet meer onder de ogen komen.
29І каже Мойсей: Правду промовив єси: вже не бачити му лиця твого.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.