Exodus
Chapter 4
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Moses antwoordde: Zie, ze zullen mij niet geloven en niet naar mij luisteren; maar ze zullen zeggen: “Jahweh is u niet verschenen”.
1І відказав Мойсей і каже: А як же не звіряться менї, анї послухають голосу мого, та скажуть: Не являвсь тобі Господь?
2Toen sprak Jahweh tot hem: Wat hebt ge daar in uw hand? Hij antwoordde: Een staf.
2І промовив до його Господь: Що се в руцї у тебе? І каже він: Палиця.
3Hij sprak: Werp hem op de grond. Hij wierp hem op de grond en de staf werd een slang, waar Moses voor vluchtte.
3І глаголе: Кинь її на землю. І кинув її на землю, і стала змієм. І відбіг Мойсей від його.
4Maar Jahweh sprak tot Moses: Steek uw hand uit en grijp haar bij de staart. Hij stak zijn hand uit en greep haar vast, en zij werd in zijn hand weer een staf.
4І каже Господь Мойсейові: Простягни руку, та возьми за хвоста. І просьтяг руку і узяв його за хвоста. І стала палиця в руцї в його:
5Hierdoor zullen zij geloven, dat Jahweh, de God hunner vaderen, de God van Abraham, Isaäk en Jakob, u is verschenen.
5Щоб упевнились, що явивсь тобі Господь, Бог батьків їх, Бог Авраамів, Бог Ізааків і Бог Яковів.
6Opnieuw sprak Jahweh tot hem: Steek uw hand in uw boezem. Hij stak zijn hand in zijn boezem, maar toen hij ze terugtrok, was zijn hand melaats, en leek wel sneeuw.
6Каже йому Господь знов: Засунь руку твою за пазуху собі. І засунув руку за пазуху собі, і як вийняв її зза пазухи своєї, аж се рука його побілїла від прокази, як сьнїг.
7Hij sprak: Steek uw hand opnieuw in uw boezem. Weer stak hij zijn hand in zijn boezem; en toen hij ze er uit trok, zie, daar was ze weer als de rest van zijn lichaam.
7І каже знов йому: Засунь руку твою за пазуху собі. І засунув він знов руку за пазуху свою; і вийняв її зза пазухи своєї, і се стала вона як тїло його.
8Wanneer ze u dan niet willen geloven en aan het eerste teken geen gehoor willen geven, dan zullen ze aan het tweede teken geloven.
8І станеться коли не піймуть віри тобі, анї послухаються знамення первого, так піймуть віри тобі й послухаються знамення другого.
9Maar wanneer ze na die beide tekenen nog niet geloven en niet naar u luisteren, neem dan water uit de Nijl, en stort dat op het droge. En het water, dat ge uit de Nijl hebt genomen, zal op het droge in bloed veranderen.
9І станеться, коли не впевняться й сими двома знаменнями, і не послухають голосу твого, так візьмеш води річної, та й виллєш на суходіл, і вода, що взяв єси з ріки, візьметься кровю на суходолї.
10Maar Moses sprak tot Jahweh: Ach, Heer, ik ben helemaal niet welbespraakt, ik ben het vroeger nooit geweest, en ben het ook nu nog niet, al hebt Gij tot uw dienaar gesproken; ik ben slechts een stamelaar.
10І каже Мойсей Господеві: Ой Господе! Не проречистий я нї здавна, нї з того часу, як почав єси глаголати рабові твойму. Нї! покволий у мові й тугоязикий.
11Toen sprak Jahweh tot hem: Wie heeft den mens een mond gegeven; wie maakt hem stom of doof, ziende of blind; Ik, Jahweh, niet waar?
11І каже Господь Мойсейові: Хто дав уста чоловікові? Або хто сотворив нїмого, чи глухого, чи видющого, чи слїпуючого? Хиба не я, Господь?
12Ga dus; Ik zal u in het spreken bijstaan en u ingeven, wat ge moet zeggen.
12Оце ж ійди, і я буду в устах твоїх, і навчати му тебе, що тобі промовляти.
13Maar Moses hield aan: Ach Heer, zend toch liever een ander!
13І рече Мойсей: Молю тебе, Господи, вибери луччого посла.
14Toen ontstak Jahweh in toorn tegen Moses en sprak: Is uw broeder Aäron, de Leviet, er ook niet? Ik weet, dat hij gemakkelijk spreekt! Zie, hij komt u al tegemoet, en verheugt er zich op, u weer te zien.
14І запалав гнїв Господень на Мойсея, і рече: Хиба не знаю, що твій брат Арон, Левієнко, уміє добре промовляти? І се він вийде на зустріч тобі і, побачивши тебе, звеселиться в серцї свойму.
15Tot hem zult ge spreken, en hem de woorden in de mond leggen; Ik zal u bijstaan, u en hem, als ge moet spreken, en u beiden ingeven wat ge moet doen.
15І промовляти меш до його, вкладувати меш слова мої в уста його, я ж буду в устах у тебе і в устах у його, і навчати му вас, що вам чинити.
16Hij zal voor u het woord tot het volk richten; hij zal uw tolk, en gij zult zijn God zijn.
16І він буде речником твоїм до людей, і він тобі буде устами, ти ж йому будеш Богом.
17Neem deze staf met u mee, om er de tekenen mee te verrichten.
17І сю палицю візьмеш у руку твою, нею сотвориш знамення.
18Toen ging Moses naar zijn schoonvader Jitro terug en zei tot hem: Ik zou naar mijn broeders in Egypte terug willen keren, om te zien, of ze nog in leven zijn. En Jitro gaf Moses ten antwoord: Ga in vrede!
18І пійшов Мойсей, та й вернувсь до Єтра, тесьтя свого, і каже: Пійду й вернусь до браття мого, що в Египтї, та побачу, чи вони ще живі. І каже Єтро Мойсейові: Ійди собі здоровий з миром.
19Jahweh sprak tot Moses in Midjan: Trek op, en keer terug naar Egypte; want allen, die u naar het leven stonden, zijn dood.
19І рече Господь Мойсейові в Мидіян землї: Ійди, вертайсь у Египет; повмірали бо всї, що шукали душі твоєї.
20Moses nam dus zijn vrouw en zijn zonen, zette ze op ezels, en keerde naar het land van Egypte terug, Moses nam ook de staf van God met zich mee.
20І взяв Мойсей жену свою та хлопята свої, посадив їх на осла, та й вернувсь у Египет. І взяв Мойсей жезло Боже в руку свою.
21En Jahweh sprak tot Moses: Wanneer ge teruggekeerd zijt in Egypte, zorg er dan voor, alle wonderen, waartoe Ik u de macht heb gegeven, ten aanschouwen van Farao te verrichten. Maar Ik zal zijn hart verharden, zodat hij het volk niet laat gaan.
21І рече Господь Мойсейові: Як прийдеш в Египет, гляди, усї ті чудеса, що вложив я в руку твою, щоб ти сотворив перед Фараоном. Я ж закаменю серце йому, і не відпустить людей.
22Dan moet gij tot Farao zeggen: Zo spreekt Jahweh! Israël is mijn eerstgeboren zoon!
22Ти ж промовляти меш до Фараона: Тако глаголе Господь: Мій син, мій первенець Ізраїль.
23Ik heb u gezegd: Laat mijn zoon gaan, om Mij te vereren. Ge hebt geweigerd, hem te laten vertrekken; daarom dood Ik uw zoon, uw eerstgeborene!
23І глаголю тобі: Відпусти сина мого, щоб він служив менї. Як же не схочеш відпустити, знай, я вбю сина твого, первенця твого.
24Terwijl hij onderweg in een nachtverblijf toefde, zocht Jahweh hem op, en wilde hem doden.
24І сталось у дорозї, на попасї, що стьрів Господь його та й хотїв убити.
25Maar Sippora nam een scherpe steen, en sneed de voorhuid van haar zoon af; zij raakte Moses’ voeten daarmee aan, en sprak: Een bloedige bruidegom zijt ge mij.
25І взяла Зипора гострого кременя, та й обрізала крайнє тїлце в синка свого, та й кинула до ніг йому, і каже: Крівавий жених ти менї.
26Toen liet Jahweh hem met rust. Zij had immers bedoeld: een bloedige bruidegom door de besnijdenis.
26І відійшов геть від його. Казала тодї вона: Крівавий жених задля обрізання.
27Intussen had Jahweh tot Aäron gesproken: Ga Moses in de woestijn tegemoet. Hij ging dus op weg, ontmoette hem bij de berg van God en kuste hem.
27І рече Господь Аронові: Вийди в степ на зустьріч Мойсейові. І пійшов і зустьрів його під горою Божою, та й поцїлував його.
28En Moses deelde Aäron de hele opdracht van Jahweh mee en alle tekenen, die Hij hem bevolen had te verrichten.
28І повідав Мойсей Аронові всї слова Господнї, що послав його, й усї знамення, що заповідав йому.
29Daarop gingen Moses en Aäron verder en riepen al de oudsten van de Israëlieten bijeen.
29І пійшов Мойсей з Ароном і поскуплювали до купи всїх старших мужів громадських Ізраїля.
30Aäron verkondigde alles wat Jahweh tot Moses gesproken had, en Moses verrichtte de tekenen voor de ogen van het volk.
30І промовив Арон усї слова, що глаголав Бог до Мойсея, і сотворив знамення перед людьми.
31Het volk geloofde; en toen zij hoorden, dat Jahweh de kinderen Israëls had bedacht, en hun ellende had aanschouwd, wierpen zij zich op de knieën en bogen zich ter aarde.
31І вірували люде, і чувши, що Господь навідавсь до синів Ізрайлевих, і що зглянувсь на їх бідуваннє, похилились і поклонились до землї.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.