Exodus
Chapter 10
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Freedom Bible (フリー…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1Toen sprak Jahweh tot Moses: Ga naar Farao. Waarachtig, Ik heb zijn hart en dat van zijn dienaars verhard, opdat ik mijn tekenen onder hen zou kunnen verrichten,
1主はモーセに言われた。「ファラオのもとへ行きなさい。わたしが彼と家臣たちの心をかたくなにしたのは、これらのしるしを彼らの中で行うため、
2opdat gij uw zonen en kleinzonen zoudt kunnen verhalen, hoe Ik tegen de Egyptenaren ben opgetreden, en welke wonderen Ik onder hen heb gewrocht, en opdat gij zoudt weten, dat Ik Jahweh ben.
2また、わたしがエジプトをどのように扱い、どのようなしるしを彼らの中で行ったかを、あなたが子や孫に語り聞かせるためである。こうして、あなたがたはわたしが主であることを知る。」
3Moses en Aäron gingen dus naar Farao en zeiden tot hem: Zo spreekt Jahweh, de God der Hebreën! Hoelang weigert gij nog, u aan Mij te onderwerpen? Laat mijn volk vertrekken, om Mij te vereren.
3モーセとアロンはファラオのところに行き、彼に言った。「ヘブル人の神、主はこう言われる。『あなたはいつまで、わたしの前にへりくだることを拒むのか。わたしの民を行かせ、わたしに仕えさせなさい。
4Want zo ge weigert, mijn volk te laten vertrekken, zal Ik morgen met sprinkhanen uw gebied overstromen.
4わたしの民を行かせることを拒むなら、見よ、明日いなごをあなたの国に送り込む。
5Zij zullen de bodem van het land bedekken, zodat men geen grond meer kan zien; zij zullen het overschot, dat u door de hagel gespaard bleef, tot het laatste toe verslinden, en alle bomen, die op uw velden groeien, kaal vreten.
5いなごは地面が見えないほど地を覆い、雹を免れて残ったものを食べ、野に生える木をすべて食い尽くす。
6Uw huizen en de huizen uwer hovelingen en van alle Egyptenaren zullen er zo vol van zijn, als uw vaders en voorvaders nooit hebben beleefd al de tijd, dat zij in dit land wonen tot de dag van vandaag. Toen keerde hij Farao de rug toe, en ging van hem heen.
6あなたの家、すべての家臣の家、すべてのエジプト人の家は、いなごで満ちる。あなたの父祖も、そのまた父祖も、地上に生きた日から今日まで見たことのないものだ。』」モーセは身を翻し、ファラオのもとを去った。
7Maar de hovelingen van Farao zeiden tot hem: Hoelang zal die man ons nog schade moeten berokkenen? Laat die mensen toch vertrekken, om Jahweh, hun God, te vereren. Beseft ge nu nog niet, dat Egypte zo te gronde gaat?
7ファラオの家臣たちは言った。「いつまでこの男は私たちの罠となるのでしょう。男たちを行かせ、彼らの神、主に仕えさせてください。エジプトが滅びたことが、まだお分かりにならないのですか。」
8Nu werden Moses en Aäron opnieuw bij Farao ontboden, en hij zeide tot hen: Ge kunt vertrekken, om Jahweh, uw God, te vereren. Maar wie moeten er allemaal mee?
8モーセとアロンは再びファラオのもとに連れ戻された。彼は彼らに言った。「行って、あなたがたの神、主に仕えなさい。しかし、行くのは誰か。」
9Moses antwoordde: Jong en oud moet mee; we willen gaan met onze zonen en dochters, met onze schapen en runderen; want we willen feest vieren ter ere van Jahweh.
9モーセは言った。「若者も老人も、息子も娘も、羊も牛も連れて行きます。私たちは主の祭りを祝うのです。」
10Hij zeide tot hen: Even zeker mag Jahweh u bijstaan, als ik u met uw kinderen laat vertrekken. Het is duidelijk, dat gij kwaad in uw schild voert.
10ファラオは言った。「私がおまえたちを子どもと一緒に行かせるなら、主がおまえたちと共におられるだろうよ。見ろ、おまえたちの悪い企みは明らかだ。
11Maar het zal niet gebeuren! De mannen kunnen gaan, om Jahweh te vereren; want dat hebt gij gevraagd. Zo joeg men hen van Farao weg.
11そうはいかない。男たちだけ行って、主に仕えよ。おまえたちが求めていたのはそれだろう。」こうして二人はファラオの前から追い出された。
12Toen sprak Jahweh tot Moses: Strek uw hand uit over Egypte, om de sprinkhanen te laten komen. Zij zullen neerstrijken op het land van Egypte, en al het veldgewas wegvreten, dat de hagel gespaard heeft.
12主はモーセに言われた。「いなごを呼ぶため、エジプトの地の上に手を伸ばしなさい。いなごは地に群がり、雹が残した草をすべて食べる。」
13En Moses strekte zijn staf uit over Egypte. De hele dag en de hele nacht liet Jahweh een oostenwind waaien over het land van Egypte, en in de morgen bracht de oostenwind de sprinkhanen mee.
13モーセがエジプトの地の上に杖を伸ばすと、主はその日一日中、そして一晩中、地の上に東風を吹かせた。朝になると、東風がいなごを運んで来た。
14De sprinkhanen verspreidden zich over heel Egypte en streken neer op heel het grondgebied van Egypte, in zulke geweldige zwermen, als er tevoren nooit waren geweest, en ook later nooit meer zullen zijn.
14いなごはエジプト全土に群がり、国中にとどまった。これほど激しいいなごはかつてなく、二度と起こらないほどであった。
15Heel de oppervlakte van het land was er mee bedekt, en de grond zag er zwart van. Zij verslonden al het veldgewas en vraten alle vruchtbomen kaal, die door de hagel waren gespaard, zodat er in heel Egypte geen groen aan de bomen bleef en geen gewas op het veld.
15それらは地の面全体を覆ったので、地は暗くなった。それらは地のすべての草と、雹が残した木のすべての実を食べた。エジプトの地全体を通して、木にも野の草にも、緑のものは何も残らなかった。
16Nu liet Farao in allerijl Moses en Aäron ontbieden en zeide: Ik heb gezondigd tegen Jahweh, uw God, en tegen u.
16そこでファラオは急いでモーセとアロンを呼び寄せて言った。「私はあなたがたの神、主に対して、またあなたがたに対して罪を犯した。
17Vergeef mij deze keer nog mijn zonden, en bidt tot Jahweh, uw God, dat Hij ten minste deze dodelijke ramp van mij wegneemt.
17どうか今、もう一度だけ私の罪を赦し、あなたがたの神、主に祈って、この死を私から取り除いてくれ。」
18En Moses ging van Farao heen, en bad tot Jahweh.
18モーセはファラオのところから出て行き、主に祈った。
19En Jahweh keerde de wind, en liet een krachtige westenwind waaien, die de sprinkhanen meevoerde en in de Rode Zee dreef: op het hele grondgebied van Egypte bleef geen enkele sprinkhaan meer over.
19主は非常に強い西風を送り、それがいなごを巻き上げ、紅海に追い払った。エジプトの全領土に一匹のいなごも残らなかった。
20Maar Jahweh verhardde het hart van Farao, zodat hij de Israëlieten niet liet vertrekken.
20しかし、主はファラオの心をかたくなにされ、彼はイスラエルの子らを行かせなかった。
21Toen sprak Jahweh tot Moses: Strek uw hand uit naar de hemel, en er zal een duisternis over Egypte vallen zo dicht, dat men ze tasten kan.
21主はモーセに言われた。「手を天に向けて伸ばしなさい。エジプトの地を、手で触れられるほど濃い暗闇が覆う。」
22En Moses strekte zijn hand naar de hemel uit, en er viel een dikke duisternis over heel Egypte, drie dagen lang,
22モーセが天に向けて手を伸ばすと、三日間、エジプトの地全体が濃い暗闇に覆われた。
23zodat men elkaar niet kon zien, en drie dagen lang niemand van zijn plaats kon; maar voor de Israëlieten bleef het licht overal, waar zij woonden.
23三日間、人々は互いを見ることも、誰も自分の場所から動くこともなかった。しかし、イスラエルの子らが住む所にはすべて光があった。
24Nu liet Farao Moses en Aäron ontbieden, en zeide: Gaat heen, om Jahweh te vereren. Uw kinderen kunnen met u meegaan, maar uw schapen en runderen blijven hier.
24ファラオはモーセを呼び寄せて言った。「行って、主に仕えなさい。ただ、あなたがたの羊の群れと牛の群れは残しておけ。子どもたちも一緒に連れて行くがよい。」
25Moses antwoordde: Onmogelijk; ge moet ons toch slacht(-) en brandoffers mee laten nemen, die wij aan Jahweh, onzen God, zullen brengen.
25モーセは言った。「私たちの神、主に献げる犠牲と全焼のいけにえも、あなたが私たちに渡さなければなりません。
26Daarom moet ook onze kudde met ons mee: geen hoef zal achterblijven. Want daaruit hebben we een keuze te doen, om Jahweh, onzen God, te vereren; anders zouden we niet weten, wat we Jahweh, onzen God, moesten offeren, als we ter plaatse zijn aangekomen.
26家畜も一緒に連れて行きます。ひづめ一つ残しません。私たちはその中から選んで、私たちの神、主に仕えなければなりません。そこへ着くまで、何をもって主に仕えるべきか分からないのです。」
27Maar Jahweh verhardde het hart van Farao, zodat hij weigerde, hen te laten vertrekken.
27しかし主はファラオの心をかたくなにされ、彼は彼らを行かせようとはしなかった。
28Farao zeide hem: Pak u weg, en waag het niet, mij nog onder de ogen te komen: want wanneer ge me nog eens onder de ogen komt, zult ge sterven.
28ファラオは言った。「私の前から立ち去れ。二度と私の顔を見ないよう気をつけろ。私の顔を見る日、おまえは死ぬ。」
29Moses antwoordde: Zoals ge zegt; ik zal u niet meer onder de ogen komen.
29モーセは言った。「お言葉通りです。私は二度とあなたの顔を見ません。」

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.