Exodus 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1Toen sprak Jahweh tot Moses: Nu zult ge zien, wat Ik Farao zal doen. Door sterke hand gedwongen zal hij hen laten gaan; door sterke hand gedwongen zal hij hen zelfs uit zijn land verdrijven.
1主はモーセに言われた。「今、あなたはわたしがファラオにすることを見る。彼は力強い手に迫られて民を行かせ、力強い手に迫られて自分の地から彼らを追い出す。」
2En God sprak tot Moses: Ik ben Jahweh!
2神はモーセに語り、彼に言われた。「わたしは主である。
3Als de almachtige God ben Ik aan Abraham, Isaäk en Jakob verschenen; maar mijn naam Jahweh heb ik hun niet bekend gemaakt.
3わたしはアブラハム、イサク、ヤコブに全能の神として現れたが、主というわたしの名によっては、彼らに知られなかった。
4Ik heb met hen mijn Verbond gesloten, om hun het land Kanaän te geven, het land waar zij als vreemdelingen hebben vertoefd;
4わたしは彼らと契約を立て、彼らが寄留していたカナンの地を与えると約束した。
5en thans heb Ik het kermen gehoord van Israëls zonen, die door de Egyptenaren als slaven worden behandeld. Ik zal dus mijn Verbond gedenken!
5さらに、わたしはエジプト人が奴隷としているイスラエルの子らのうめきを聞き、わたしの契約を思い起こした。
6Zeg daarom tot de Israëlieten: Ik ben Jahweh! Ik zal u bevrijden van het juk van Egypte, u uit de slavernij verlossen en u met gespierde arm en onder zware straffen redden.
6それゆえ、イスラエルの子らに言いなさい。『わたしは主である。わたしはエジプト人の重労働の下からあなたがたを導き出し、彼らの奴隷の身からあなたがたを救い出す。わたしは伸ばした腕と大いなる裁きによってあなたがたを贖う。
7Ik heb u tot mijn volk gekozen. Ik zal uw God zijn, en gij zult weten, dat Ik Jahweh, uw God, ben, die u red uit de slavernij van Egypte.
7わたしはあなたがたをわたしの民とし、あなたがたの神となる。あなたがたは、エジプト人の重労働の下から導き出す方が、あなたがたの神、主であることを知る。
8Ik zal u brengen naar het land, dat Ik met opgestoken hand aan Abraham, Isaäk en Jakob beloofd heb. Ik zal het u in eigendom geven, zo waarachtig als Ik Jahweh ben.
8わたしは、アブラハム、イサク、ヤコブに与えると誓った地にあなたがたを導き入れ、それをあなたがたの所有として与える。わたしは主である。』」
9Moses bracht die boodschap over; maar de Israëlieten luisterden niet meer naar Moses, omdat zij de moed hadden verloren en onder de zware arbeid gingen gebukt.
9モーセはそのようにイスラエルの子らに語ったが、彼らは心が打ちひしがれ、過酷な奴隷労働のゆえに、モーセに聞き従わなかった。
10Toen sprak Jahweh tot Moses:
10主はモーセに言われた。
11Ga Farao, den koning van Egypte, bevelen, de zonen Israëls uit zijn land te laten vertrekken.
11「行きなさい。エジプトの王ファラオに語り、イスラエルの子らを彼の地から去らせるように言いなさい。」
12Maar Moses zeide tot Jahweh: Zie, als zelfs de zonen Israëls niet naar mij willen luisteren, hoe zal Farao dan naar mij luisteren: naar mij, die onbesneden van lippen ben?
12モーセは主の前で言った。「イスラエルの子らさえ私に聞き従いませんでした。ましてファラオが聞き従うでしょうか。私は唇に割礼のない者です。」
13En Jahweh sprak tot Moses en Aäron, en zond hen naar de kinderen Israëls en naar Farao, den koning van Egypte, met de opdracht, om de Israëlieten uit het land van Egypte te leiden.
13主はモーセとアロンに語り、イスラエルの子らとエジプトの王ファラオについて命じて、イスラエルの子らをエジプトの地から導き出させた。
14Dit zijn de hoofden hunner geslachten. De zonen van Ruben, den eerstgeborene van Israël, waren Chanok en Palloe, Chesron en Karmi. Dit zijn de geslachten van Ruben.
14彼らの父祖の家々の長は次の通りである。イスラエルの長子ルベンの子らは、エノク、パル、ヘツロン、カルミ。これらはルベンの諸氏族である。
15De zonen van Simeon waren Jemoeël, Jamin, Ohad, Jakin, Sóchar en Sjaoel, de zoon van een kanaänietische vrouw. Dit zijn de geslachten van Simeon.
15シメオンの子らは、イムエル、ヤミン、オハデ、ヤキン、ツォハル、そしてカナン人の女の息子サウル。これらはシメオンの諸氏族である。
16Dit zijn de namen van de zonen van Levi naar hun geslachten: Gersjon, Kehat en Merari; Levi leefde honderd zeven en dertig jaar.
16その世代に基づくレビの子らの名前は次の通りである。ゲルション、ケハト、メラリ。レビの生涯の年は百三十七年であった。
17De zonen van Gersjon waren Libni en Sjimi naar hun families.
17その諸氏族に基づくゲルションの子らは、リブニとシムイである。
18De zonen van Kehat waren Amram, Jishar, Chebron en Oezziël; Kehat werd honderd drie en dertig jaar oud.
18ケハトの子らは、アムラム、イツハル、ヘブロン、ウジエル。ケハトの生涯の年は百三十三年であった。
19De zonen van Merari waren Machli en Moesji. Dit zijn de geslachten van Levi naar hun families.
19メラリの子らは、マフリとムシ。これらがその世代に基づくレビ人の諸氏族である。
20Amram nam Jokébed, zijn tante, tot vrouw, en zij baarde hem Moses en Aäron; Amram leefde honderd zeven en dertig jaar.
20アムラムは父の妹ヨケベデを妻とし、彼女は彼にアロンとモーセを産んだ。アムラムの生涯の年は百三十七年であった。
21De zonen van Jishar waren Kore, Néfeg en Zikri.
21イツハルの子らは、コラ、ネフェグ、ジクリである。
22De zonen van Oezziël waren Misjaël, Elsafan en Sitri.
22ウジエルの子らは、ミシャエル、エルツァファン、シトリである。
23Aäron nam Elisjéba, de dochter van Amminadab en zuster van Naässon tot vrouw; zij baarde hem Nadab, Abihoe, Elazar en Itamar.
23アロンはアミナダブの娘でナフションの妹であるエリシェバを妻とし、彼女は彼にナダブ、アビフ、エルアザル、イタマルを産んだ。
24De zonen van Kore waren Assir, Elkana en Abiasaf. Dit zijn de families der Korieten.
24コラの子らは、アシル、エルカナ、アビアサフ。これらがコラ人の諸氏族である。
25Elazar, de zoon van Aäron, nam een van de dochters van Poetiël tot vrouw, en zij baarde hem Pinechas. Dit zijn de stamhoofden der Levieten naar hun geslachten.
25アロンの息子エルアザルはプティエルの娘の一人を妻とし、彼女は彼にピネハスを産んだ。これらがその諸氏族に基づくレビ人の父祖の家々の長である。
26Het waren deze Aäron en Moses, tot wie God had gezegd: Voert de legerscharen van Israëls kinderen uit het land van Egypte.
26「イスラエルの子らをその軍団ごとにエジプトの地から導き出せ」と主から命じられたのは、このアロンとモーセである。
27Het waren dezelfde Moses en Aäron, die tot Farao, den koning van Egypte, hebben gesproken, om de Israëlieten uit het land van Egypte te leiden.
27イスラエルの子らをエジプトから導き出すため、エジプトの王ファラオに語ったのも、このモーセとアロンである。
28In die tijd, dat Jahweh tot Moses sprak in het land van Egypte,
28主がエジプトの地でモーセに語られた日、
29had Jahweh tot Moses gezegd: Ik ben Jahweh! Zeg aan Farao, den koning van Egypte, al wat Ik tot u spreken ga.
29主はモーセに言われた。「わたしは主である。わたしがあなたに語るすべてのことを、エジプトの王ファラオに語りなさい。」
30Maar Moses had Jahweh ten antwoord gegeven: Ik ben onbesneden van lippen; hoe zal Farao naar mij luisteren!
30モーセは主の前で言った。「私は唇に割礼のない者です。どうしてファラオが私に聞き従うでしょうか。」
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.