Handelingen 26
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Nu sprak Agrippa tot Paulus: Ge hebt verlof, u te verdedigen. Toen strekte Paulus zijn hand uit, en sprak te zijner verdediging:
1Агриппа ж каже до Павла: Дозволяєть ся тобі за себе говорити. Тодї Павел відповів, простягши руку:
2Ik acht me gelukkig, koning Agrippa, dat ik heden in de gelegenheid ben, mij voor u te rechtvaardigen op alle punten, waarvan ik door de Joden beticht word;
2Про все, в чому винують мене Жиди, царю Агриппо, вважаю себе за щасливого, маючи відповідати сьогоднї перед тобою,
3en dit des te meer, omdat gij alle gebruiken en strijdvragen der Joden kent. Daarom bid ik u, mij geduldig aan te horen.
3а й надто, що ти сьвідомий всїх звичаїв Жидівських і перепитів. Тим благаю тебе вислухати мене терпиливо.
4Wat mijn vroeger leven betreft, dat is aan alle Joden bekend, daar ik het van jongsaf aan onder mijn volk te Jerusalem heb doorgebracht.
4Яке ж було життє моє з малку від почину між народом моїм у Єрусалимі, знають усї Жиди,
5Ze weten, als ze het maar willen getuigen, dat ik van de aanvang af naar de strengste richting van onze godsdienst als farizeër heb geleefd.
5знаючи мене здавна (коли схочуть сьвідкувати), що жив я Фарисеєм по найдокональшій єресї нашої віри.
6En thans sta ik terecht om de verwachting van de Belofte, die God aan onze vaderen deed,
6А тепер за надїю обітування, зробленого отцям нашим од Бога, стою на судї,
7en wier vervulling onze twaalf stammen vol hoop tegemoet blijven zien, door God dag en nacht met ijver te dienen. Om die verwachting, o koning, word ik door de Joden beschuldigd.
7котрого дванайцять родів наших, без перестану день і ніч служачи, надїють ся дойти. За сю надїю, царю Агриппо, винуватять мене Жиди.
8Wat ongelovigs vindt gij er in, dat God doden doet verrijzen?
8Що? невірним здаєть ся вам (се), що Бог воскрешає мертвих?
9Om op mijzelf terug te komen: ik meende dus, dat het mijn plicht was, zeer vijandig op te treden tegen de naam van Jesus van Názaret.
9Менї справдї й самому здавалось, що проти імени Ісуса Назорея треба багато робити.
10Dat heb ik dan ook te Jerusalem gedaan. Door de opperpriesters gemachtigd, heb ik een groot aantal heiligen in de gevangenis geworpen; en als ze ter dood werden gebracht, stemde ik er voor.
10Що й робив я в Єрусалимі, і многих сьвятих замикав у темницї, прийнявши власть од архиєреїв, а як убивали їх, давав мій голос.
11In alle synagogen heb ik ze vaak gekastijd, en ze tot godslastering trachten te dwingen. Mijn woede kende geen grenzen; ik heb ze vervolgd tot in de steden van het buitenland.
11І по всїх школах часто караючи їх, примушував хулити; і превельми лютуючи на них, гонив їх навіть і в чужих городах.
12Met dat doel reisde ik naar Damascus met volmacht en opdracht van de opperpriesters.
12І, в сих (мислях) ідучи в Дамаск з властю і наказом од архиєреїв,
13Nog was ik op weg, toen ik, o koning, op klaarlichte dag een licht uit de hemel, dat de glans van de zon overtrof, om mij en mijn gezellen zag bliksemen.
13ополуднї, царю, в дорозї видїв я з неба сьвітло над сяєво сонця, осиявше мене й тих, що йшли зо мною.
14We vielen allen neer op de grond, en ik hoorde een stem, die in het hebreeuws tot mij sprak: “Saul, Saul, waarom vervolgt ge Mij? Het valt u hard, terug te slaan tegen de prikkel”.
14Як же всї ми попадали на землю, почув я голос, що глаголав до мене і промовив Єврейською мовою: Савле, Савле, чого гониш мене? тяжко тобі проти рожна прати (перти).
15Ik antwoordde: “Wie zijt Gij, Heer”? En de Heer sprak: Ik ben Jesus, dien ge vervolgt.
15Я ж сказав: Хто єси, Господи? Він же рече: Я, Ісус, котрого ти гониш.
16Maar richt u op, en sta op uw voeten. Want hiertoe ben Ik u verschenen, om u aan te stellen tot dienaar en getuige van wat ge gezien hebt, en van wat Ik u zal laten zien.
16Та встань і стань на ноги твої; на се бо явивсь я тобі, щоб зробити тебе слугою і сьвідком того, що бачив єси, і що обявлю тобі,
17Ik heb u afgezonderd van het volk en van de heidenen. Ik zend u tot hen,
17вириваючи тебе від людей і від поган, до котрих тепер тебе посилаю,
18om hun ogen te openen, hen van de duisternis tot het licht te bekeren, en van de macht van den satan tot God; opdat ze, door in Mij te geloven, vergiffenis der zonden bekomen, en een erfdeel te midden der heiligen.
18відкрити очі їм, щоб обернулись від темряви до сьвітла і від власти сатаниної до Бога, щоб прийняли вони оставленнє гріхів і наслїддє між сьвятими вірою в мене.
19Daarom, koning Agrippa, ben ik nooit ongehoorzaam geweest aan dit hemels visioen.
19Тим, царю Агриппо, не протививсь я небесному видїнню,
20Maar ik heb gepreekt eerst aan de Joden van Damascus en van Jerusalem en van heel het joodse land, later ook aan de heidenen, dat ze zich zouden bekeren en zich wenden tot God, door waardige werken van boete te doen.
20а найперш у Дамаску і в Єрусалимі і по всїй землї Юдейській та й поганам проповідував, щоб покаялись та обернулись до Бога, роблячи дїла, достойні покаяння.
21En daarom hebben de Joden mij in de tempel gegrepen, en getracht mij te doden.
21За се Жиди, вхопивши мене в церкві, хотїли вбити.
22Maar door Gods bijstand geholpen, houd ik stand tot op deze dag toe, en leg ik getuigenis af voor klein en groot. Maar ik leer niets anders, dan wat de profeten en Moses hebben voorspeld:
22Дізнавши ж помочи від Бога, аж до сего дня стою, сьвідкуючи малому й великому, нїчого иншого не говорячи, як що пророки глаголали, що має бути, і Мойсей:
23dat de Christus moest lijden, en als de eerste uit de opstanding der doden, het licht zou brengen aan het volk en de heidenen.
23що мусить пострадати Христос, а будучи первий з воскресення мертвих, має сьвітло проповідувати народові і поганам.
24Terwijl hij zich zó aan het verdedigen was, viel Festus uit: Ge raaskalt Paulus; uw grote geleerdheid maakt u waanzinnig.
24Як же він так відповів, сказав Фест голосом великим: Дурієш, Павле; великі науки до дурощів тебе приводять.
25Maar Paulus sprak: Ik ben niet waanzinnig, edele Festus, maar ik spreek woorden van waarheid en wijsheid.
25Він же рече: Не дурію, вельможний Фесте, а слова правди й розуму глаголю.
26Want de koning weet van al die dingen, en ik spreek er hem dus vrijmoedig over. Ik ben er zeker van, dat niets daarvan hem onbekend is gebleven; want het is niet in een uithoek gebeurd.
26Знає бо про се цар, до котрого і промовляю вільно; певен бо я, що нїщо з сего перед ним не втаїлось; бо не в закутку се дїялось.
27Gelooft ge aan de profeten, koning Agrippa? Ik weet, dat ge er aan gelooft.
27Віруєш, царю Агриппо, пророкам? Знаю, що віруєш.
28Agrippa zeide tot Paulus: Ge zoudt me haast overhalen, christen te worden.
28Агриппа ж каже до Павла: О мало не вговорив єси мене бути Християнином.
29En Paulus weer: Ik zou tot God willen bidden, dat nu of later gij niet alleen, maar allen, die mij heden aanhoren, mogen worden juist zoals ik, uitgezonderd deze boeien.
29Павел же рече: Бажав би я від Бога, щоб чи за малий чи за довгий (час) не тільки ти, та й усї, хто чує мене сьогоднї, стались такими, як я, окрім оцїх кайданів.
30Nu stonden de koning, de landvoogd, Bernike, en allen die bij hen hadden gezeten, op,
30І, як промовив се, устав цар і ігемон і Вереникия і ті, що сидїли з ними,
31en zeiden bij het heengaan onder elkander: Deze man heeft niets gedaan, wat dood of boeien verdient.
31і, одійшовши на бік, розмовляли між собою, говорячи, що нїчого смерти достойного не робить чоловік сей.
32En Agrippa zeide tot Festus: Deze man had vrijgelaten kunnen worden, zo hij zich niet had beroepen op Caesar.
32Агриппа ж каже Фестові: Можна було б випустити сего чоловіка, коли б не покликав ся до кесаря.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.