Handelingen
Chapter 26
Petrus Canisius Bible, 1…

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Old Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Chamorro: Gospels,…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chamorro: Gospels, Acts and Psalms
1Nu sprak Agrippa tot Paulus: Ge hebt verlof, u te verdedigen. Toen strekte Paulus zijn hand uit, en sprak te zijner verdediging:
1AYONAE si Agripa ilegña as Pablo: Jupetmite jao na uncuentos pot jago namaesa. Ayonae si Pablo jaestira mona y canaeña ya manope pot güiya namaesa.
2Ik acht me gelukkig, koning Agrippa, dat ik heden in de gelegenheid ben, mij voor u te rechtvaardigen op alle punten, waarvan ik door de Joden beticht word;
2Magofyo ray, Agripa, sa jufanope pot guajo gui menamo pago na jaane, pot todo y mafaaelajo ni y Judio sija.
3en dit des te meer, omdat gij alle gebruiken en strijdvragen der Joden kent. Daarom bid ik u, mij geduldig aan te horen.
3Yan pot y jutungo na jago untungo todo y costumbre yan y finaesen gui entre y Judios; pot enaomina jutayuyut jao na con pasensiamo umaecungogyo.
4Wat mijn vroeger leven betreft, dat is aan alle Joden bekend, daar ik het van jongsaf aan onder mijn volk te Jerusalem heb doorgebracht.
4Y jaanejo desde y pinatgonjo, ni y finenana gui entre y nasionjo yan guiya Jerusalem, todo y Judios tumungo.
5Ze weten, als ze het maar willen getuigen, dat ik van de aanvang af naar de strengste richting van onze godsdienst als farizeër heb geleefd.
5Matungojayo desde y tutujonña, yaguin manmalago masangan, na taemanoja y mas tunas na secta y religionta, jumajanaoyo taegüije y Fariseo.
6En thans sta ik terecht om de verwachting van de Belofte, die God aan onze vaderen deed,
6Ya pago, tumotojgueyo ya majus gayo pot y ninanggan y promesa ni y jafatinas si Yuus gui mañaenata.
7en wier vervulling onze twaalf stammen vol hoop tegemoet blijven zien, door God dag en nacht met ijver te dienen. Om die verwachting, o koning, word ik door de Joden beschuldigd.
7Ni y manmaprometa y dose tribus, masestbeja si Yuus jaane yan puenge, mananangga na ufato. Ya pot ayo na ninangga ray Agripa, na mafaaelayo ni y Judio sija.
8Wat ongelovigs vindt gij er in, dat God doden doet verrijzen?
8Jaftaemano majusga y tijongguiyon entre jamyo, na si Yuus janacajulo y manmatae?
9Om op mijzelf terug te komen: ik meende dus, dat het mijn plicht was, zeer vijandig op te treden tegen de naam van Jesus van Názaret.
9Guajo magajet na jujaso gui jinalomjo, na nesesitayo jufatinas megae contra y naan Jesus Nasareno.
10Dat heb ik dan ook te Jerusalem gedaan. Door de opperpriesters gemachtigd, heb ik een groot aantal heiligen in de gevangenis geworpen; en als ze ter dood werden gebracht, stemde ik er voor.
10Ya jufatinas este locue guiya Jerusalem; ya megae na mañantos jupreso, anae manresibeyo ninasiña guinin y magas mamale; ya anae para ufanmapuno, junae vosso contra sija.
11In alle synagogen heb ik ze vaak gekastijd, en ze tot godslastering trachten te dwingen. Mijn woede kende geen grenzen; ik heb ze vervolgd tot in de steden van het buitenland.
11Ya jucastiga sija gui sinagoga, ya juprocura na junafanman chatfino contra si Yuus; ya pot gogoslalaloyo contra sija, jupetsigue sija achogja asta otro siuda sija.
12Met dat doel reisde ik naar Damascus met volmacht en opdracht van de opperpriesters.
12Ya anae jumajanaoyo para Damasco yan y ninasiña guinin y magas mamale sija,
13Nog was ik op weg, toen ik, o koning, op klaarlichte dag een licht uit de hemel, dat de glans van de zon overtrof, om mij en mijn gezellen zag bliksemen.
13Y taloane, O ray, julie gui chalan y candet guinin y langet, na malagña qui y ininan y atdao, ya manina gui oriyajo yan ayo y mangachochongjo manjanao.
14We vielen allen neer op de grond, en ik hoorde een stem, die in het hebreeuws tot mij sprak: “Saul, Saul, waarom vervolgt ge Mij? Het valt u hard, terug te slaan tegen de prikkel”.
14Ya anae mamodongjam todo gui jilo oda, jujungog y inagang na jacuentuseyo gui fino Hebreo, ilegña: Saulo, Saulo, jafa na unpetsisigueyo? mapot para jago y unfamateg contra y títuca.
15Ik antwoordde: “Wie zijt Gij, Heer”? En de Heer sprak: Ik ben Jesus, dien ge vervolgt.
15Ya ilegco: Jaye jao Señot? ya ilegña: Guajo si Jesus ni y unpetsisigue.
16Maar richt u op, en sta op uw voeten. Want hiertoe ben Ik u verschenen, om u aan te stellen tot dienaar en getuige van wat ge gezien hebt, en van wat Ik u zal laten zien.
16Lao, cajulo ya untojgue; sa jufatoigüe jao pot este na jinaso, para junaministro jao yan untestigo ni este sija na güinaja y liniimo, yan ayo sija y pot y jufatoigüe jao;
17Ik heb u afgezonderd van het volk en van de heidenen. Ik zend u tot hen,
17Junalibre jao gui pueblo yan y Gentiles, ya pago junajanao jao para iya sija,
18om hun ogen te openen, hen van de duisternis tot het licht te bekeren, en van de macht van den satan tot God; opdat ze, door in Mij te geloven, vergiffenis der zonden bekomen, en een erfdeel te midden der heiligen.
18Para unbaba y atadogñija, yan unbira sija gui jemjom para y manana, yan y ninasiñan Satanas para as Yuus, ya ujaresibe y inasiin y isaoñija, yan erensia gui entalo ayo sija y manafangasgas pot y jinenggue ni y gaegue guiya guajo.
19Daarom, koning Agrippa, ben ik nooit ongehoorzaam geweest aan dit hemels visioen.
19Ya pot ayo, ti chatmatagoyo, O ray Agripa, para y vision y langet:
20Maar ik heb gepreekt eerst aan de Joden van Damascus en van Jerusalem en van heel het joodse land, later ook aan de heidenen, dat ze zich zouden bekeren en zich wenden tot God, door waardige werken van boete te doen.
20Lao jusangane finenana ayo sija y mangaegue Damasco, yan iya Jerusalem, yan todo y tano Judea, yan y Gentiles, na ufanmañotsot ya ujabira sija para as Yuus, yan ufanmachocho y chechoñija ni y para mañotsot.
21En daarom hebben de Joden mij in de tempel gegrepen, en getracht mij te doden.
21Sa pot este sija na maconeyo ni y Judios gui guimayuus para jumapuno.
22Maar door Gods bijstand geholpen, houd ik stand tot op deze dag toe, en leg ik getuigenis af voor klein en groot. Maar ik leer niets anders, dan wat de profeten en Moses hebben voorspeld:
22Lao jatacayo y inayudan Yuus, ya jusisigueja asta pago na jaane, mannanaeyo testimonio parejoja y diquique yan y dangculo; taya jusasangan na ayo y ufato ni y sinangan Moises yan y proteta sija;
23dat de Christus moest lijden, en als de eerste uit de opstanding der doden, het licht zou brengen aan het volk en de heidenen.
23Na si Cristo, nesesitagüe ufamadese, ya güiya ufinenana, pot ucajulo guinin y manmatae, ufannae candet gui pueblo yan y Gentiles.
24Terwijl hij zich zó aan het verdedigen was, viel Festus uit: Ge raaskalt Paulus; uw grote geleerdheid maakt u waanzinnig.
24Ya anae cumuecuentos, umagang si Festo ni y dangculo na inagangña, ilegña: Caduco jao Pablo: megae na tiningo ninacaduco jao.
25Maar Paulus sprak: Ik ben niet waanzinnig, edele Festus, maar ik spreek woorden van waarheid en wijsheid.
25Lao si Pablo ilegña: Ti caducoyo Festo; lao jusasangan y sinangan ni y magajet yan y tinas.
26Want de koning weet van al die dingen, en ik spreek er hem dus vrijmoedig over. Ik ben er zeker van, dat niets daarvan hem onbekend is gebleven; want het is niet in een uithoek gebeurd.
26Sa y ray jatungoja estesija, cumuentosyoja gui menaña locue libre; sa seguroyo na taya güine sija na güinaja umanaatog guiya güiya; sa estesija, ti manmafatinas gui rincon.
27Gelooft ge aan de profeten, koning Agrippa? Ik weet, dat ge er aan gelooft.
27Ray Agripa, unjonggue y profeta sija? jutungo na unjonggue.
28Agrippa zeide tot Paulus: Ge zoudt me haast overhalen, christen te worden.
28Ayonae si Agripa ilegña as Pablo, Canaja unnamamañañayo para juquilisyano.
29En Paulus weer: Ik zou tot God willen bidden, dat nu of later gij niet alleen, maar allen, die mij heden aanhoren, mogen worden juist zoals ik, uitgezonderd deze boeien.
29Ya si Pablo ilegña. Malagoyo as Yuus, na ti jagoja, lao todo ayo sija y jumungogyo pago na jaane, ufantaegüine iya guajo, fuera di y mapresujo.
30Nu stonden de koning, de landvoogd, Bernike, en allen die bij hen hadden gezeten, op,
30Ya anae munjayan jasangan este, cumajulo y ray yan y magalaje, yan Bernise, yan ayo sija y mangachongñiñija manmatachong.
31en zeiden bij het heengaan onder elkander: Deze man heeft niets gedaan, wat dood of boeien verdient.
31Ya anae mañuja, manguentos uno yan y otro, ilegñija: Taya finatinasña este na taotao, na jamerese y finatae, pat umapreso.
32En Agrippa zeide tot Festus: Deze man had vrijgelaten kunnen worden, zo hij zich niet had beroepen op Caesar.
32Ayonae ilegña si Agripa as Festo: Este na taotao, umanalibre, yaguin ti jagagao jinisgaña gui as Sesat.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.