Handelingen
Chapter 10
Petrus Canisius Bible, 1…

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Old Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Chamorro: Gospels,…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chamorro: Gospels, Acts and Psalms
1Te Cesarea woonde een man, Cornélius geheten, een honderdman van de legerafdeling, die de Italiaanse werd genoemd.
1YA estaba güije un taotao guiya Sesarea na y naanña si Cornelio, ya senturion y inetnon sendalo na mafanaan, inetnon Italiano.
2Hij was vroom en godvrezend met heel zijn gezin, gaf veel aalmoezen aan het volk en bad zonder ophouden tot God.
2Deboto na taotao, yan maañao as Yuus contodo y guimaña, ni y janae limosna gui taotao, yan jatatayuyutja siempre si Yuus.
3Zekere dag, tegen het negende uur, zag hij duidelijk in een visioen een engel Gods bij zich binnentreden, die tot hem sprak: Cornélius!
3Jalie gui vision claroja y angjet Yuus na mamamaela guiya güiya gui mina nuebe na ora gui jaane, ya ilelegña nu güiya: Cornelio.
4Hij staarde hem angstig aan, en zeide: Wat is er, Heer? Hij sprak tot hem: Uw gebeden en aalmoezen zijn opgestegen, en worden voor Gods aanschijn herdacht.
4Ya anae jaatan, ninamaañao, ya ilegña: Jafa Señot? Ya ilegña nu güiya: Y tinayuyutmo yan y limosnamo, manmato julo para umajaso gui menan Yuus.
5Zend nu een paar mannen naar Joppe, om zekeren Simon te ontbieden, die ook Petrus wordt genoemd.
5Ya pago, fanago lalaje para Joppe, ya umacone mague si Simon ni y apeyiduña Pedro:
6Hij woont bij een leerlooier Simon in, wiens huis aan zee is gelegen.
6Güiya sumasaga yan un Simon titumo, na y guimaña gaegue gui oriyan tase.
7Zodra de engel, die tot hem sprak, zich had verwijderd, ontbood hij twee van zijn dienaars en een vroom soldaat uit zijn oppassers;
7Ya anae mapos y augjet ni y cumuentutuse güe jaagang dos gui tentagoña gui guimaña yan un sendalo na deboto guiya sija, ni y maayuyuda güe siempre;
8hij legde hun alles uit, en zond hen naar Joppe.
8Ya anae jasangane sija todo ni este na güinaja, jatago sija para Joppe.
9De volgende dag tegen het zesde uur, terwijl ze nog. onderweg waren, maar de stad reeds begonnen te naderen, ging Petrus naar het dakterras, om te bidden.
9Ya y inagpaña anae manjajanao gui jinanaoñija, ya manjijot gui siuda, cajulo si Pedro gui jilo guma para ufanaetae, gui mina saes na ora.
10Na enige tijd kreeg hij honger, en wilde wat eten. Terwijl men iets gereedmaakte, kwam hij in geestverrukking.
10Ya mato y niñalangña, ya malago na uchocho: ya mientras mafamaulilique naña nu sija, malingo y jinasoña.
11Hij zag de hemel geopend, en een soort zak als een groot laken, die aan de vier uiteinden werd neergelaten en op de aarde terechtkwam.
11Ya jalie y langet na mababa, yan un nayan na tumunog para iya güiya, taegüije y dangculon sabanas na magogode y cuatro punta ya mapolo papa, gui jilo tano;
12Daarin bevonden zich allerlei viervoetige en kruipende dieren der aarde en vogels uit de lucht.
12Ya mañañajguan todo clasen gâgâ ni y cuatro patasñija, yan y gâgâ ni y mangucunanaf gui jilo y tano, yan y pajaro sija gui aire.
13En een stem klonk hem tegen: Sta op, Petrus, slacht en eet.
13Ya mato un inagang guiya güiya, ilegña: Cajulo Pedro: puno ya uncano.
14Maar Petrus sprak: Onmogelijk, Heer; want nog nooit heb ik iets gegeten, wat bezoedeld is, of onrein.
14Lao si Pedro ilegña: Aje Señot; sa guajo ti guinen juchocho ni jafa na güinaja ni y comun pat áplacha.
15Weer klonk tot hem een stem, nu voor de tweede maal: Wat God rein heeft verklaard, moogt gij niet bezoedeld noemen.
15Ya y inagang mato guiya güiya talo gui mina dos biaje, ilegña: Jafa y janagasgas si Yuus, chamo fumatitinas comun.
16Dit gebeurde tot driemaal toe; daarna werd plotseling de zak naar de hemel opgetrokken.
16Ya este mafatinas pot tres biaje; ya enseguidas y nayan machule julo talo gui langet.
17Terwijl Petrus zich afvroeg, wat het visioen, dat hij aanschouwd had, wel mocht betekenen, zie, daar stonden de mannen voor de deur, die door Cornélius waren gezonden, en die naar het huis van Simon vroegen.
17Ya mientras bumuebuente gui sumenjalom si Pedro ni y jafa liniiña na vision, estagüiya sija y taotao ni y manmatago guinin as Cornelio, na manmamamaesen ni y guima Simon ya manotojgue gui trangca.
18Luid roepend vroegen ze, of Simon, die Petrus genoemd wordt, daar ook verblijf hield.
18Ya managang, ya manmamaesen cao sumasaga güije si Simon ni y apiyiduña Pedro.
19Terwijl Petrus bleef nadenken over het visioen, sprak de Geest: Daar zijn drie mannen, die naar u vragen.
19Ya mientras jajajaso si Pedro y vision, y Espiritu ilegña nu güiya: Estagüe tres taotao na maaliligao jao.
20Sta dus op, ga naar beneden, en trek zonder enig bedenken met hen mee; want Ik heb ze gezonden.
20Cajulo ya tunog papa, chamo bumuebuente na unjanao yan sija, sa guajo tumago sija.
21Petrus ging naar beneden, en sprak tot de mannen: Zie, ik ben degene, dien gij zoekt; wat is de reden van uw komst?
21Ya si Pedro tumunog papa para ayo taotao sija ya ilegña: Estagüiyayo ni y inaliligao; jafa guaja na inaliligaoyo?
22Ze zeiden: De honderdman Cornélius, een rechtvaardig en godvrezend man, in hoog aanzien bij heel het joodse volk, heeft van een heiligen engel een godsspraak ontvangen, om u in zijn huis te ontbieden, en te horen, wat ge hem hebt te zeggen.
22Ya sija ilegñija: Si Cornelio ni y senturion, un taotao na tunas yan maañao as Yuus, yan guaja mauleg na testimonio gui entalo todo y nasion y Judio sija, sa ninatungo as Yuus pot y Santos na angjet ni y tinago jao na unjalom gui guimaña, ya ufanjungog finijo guiya jago.
23Hierop verzocht hij hun, binnen te komen en zijn gasten te zijn. De volgende dag vertrok hij met hen, en ging op weg; ook enige broeders uit Joppe gingen met hen mee.
23Ya jaagang sija na ufanjalom, ya ufañaga. Ya y inagpaña jumanao si Pedro yan sija, yan palo gui mañelo ni y manguinin Joppe maosgaejon güe,
24De dag daarna kwam hij te Cesarea aan. Cornélius verwachtte hem, en had zijn bloedverwanten en beste vrienden bij zich genodigd.
24Ya y inagpaña talo na jaane, manjalom Sesarea. Ya manninanangga as Cornelio, ya jaagange y manparientesña yan y amiguña sija ni y guesmanatungo.
25Zodra Petrus aankwam, ging Cornélius hem tegemoet, wierp zich ter aarde, en knielde aan zijn voeten neer.
25Ya susede anae jumalom si Pedro, na tinagam as Cornelio, ya dumimo papa ya inadora güe.
26Maar Petrus beurde hem op, en sprak: Sta op; ook ik ben maar een mens.
26Lao jinatsa as Pedro, ya ilegña: Tojgue julo, sa guajo taotaojayo locue.
27Met hem sprekende ging hij naar binnen, en vond er velen bijeen.
27Ya anae cumuecuentos y dos, jumalom, ya jasoda megae ni y manmato ya mandaña;
28En hij zeide tot hen: Gij weet, dat het een jood niet geoorloofd is, omgang te hebben met een heiden, of hem aan huis te bezoeken; maar God heeft me doen weten, dat geen enkel mens besmet of onrein mag worden genoemd.
28Ya si Pedro ilegña nu sija: Intingoja na ti combiene y Judios na taotao na udaña patseno ufato gui otro na nasion; lao jasanganeyo si Yuus na chajo umaalog ni jaye na taotao na áplacha, pat comun:
29Daarom ben ik gekomen, toen ik ontboden werd, zonder enig bezwaar te maken. Ik vraag dus alleen naar de reden, waarom gij mij hebt ontboden.
29Enaomina matoyo guiya jamyo, sin jafa na sinangan, enseguidas qui matagoyo. Ya jufaesen jamyo jafa malagonmiyo na innamaagangeyo?
30Cornélius antwoordde; Juist vier dagen geleden, tegen het negende uur, was ik thuis in gebed; en zie, daar stond voor mij een man, in helderwit gewaad.
30Ya si Cornelio ilegña: Cuatro na jaane asta este na ora, estabayo juadadaje y mina nuebe na oran tinayuyut gui jalom gumajo, ya estaba un taotao na tumotojgue gui menajo na malag magaguña.
31Hij sprak: Cornélius, uw gebed is verhoord, en uw aalmoezen zijn voor Gods aanschijn herdacht.
31Ya ilelegña: Cornelio, y tinayuyutmo majungog, yan y limosnamo manmajaso gui menan Yuus.
32Zend dus iemand naar Joppe, om Simon te ontbieden, die ook Petrus wordt genoemd; hij verblijft in het huis van den leerlooier Simon, dat aan zee is gelegen.
32Fanago para Joppe, ya umaagange si Simon, ni y apiyiduña Pedro: na sumasaga gui guima un Simon titumo, gui oriyan tase;
33Toen heb ik u dadelijk ontboden; en ge hebt goed gedaan, met over te komen. Nu zijn wij allen voor Gods aanschijn bijeen, om alles te vernemen, wat u door den Heer is bevolen.
33Enaomina enseguidas junamaagange jao; ya mauleg finatinasmo sa mato jao. Pago estagüejit todos gui menan Yuus, para injingog todo y tinago jao as Señot.
34Toen opende Petrus de mond, en sprak Nu zie ik waarachtig, dat er bij God geen aanzien van personen bestaat;
34Ayonae si Pedro, jababa y pachotña, ya ilegña: Jutungo magajet na si Yuus taya janasasajnge taotao.
35maar dat al wie Hem vreest en gerechtigheid doet, Hem welgevallig is, tot welk volk hij ook hoort.
35Lao gui todo na nasion masqueseaja jaye ni y maaañao nu güiya, yan jafatitinas y tininas, ayo jaguaeya.
36Dit is het woord, dat Hij aan de kinderen Israëls heeft verkondigd. toen Hij de blijde boodschap bracht van vrede door Jesus Christus: Hij is de Heer van àllen.
36Y sinangan ni y janamanajanao si Yuus para y famaguon Israel, mapredica y pas pot si Jesucristo: (güiya y Señot para todo)—
37Gij weet, wat er na het doopsel, dat Johannes gepreekt heeft, van Galilea af door heel Judea is gebeurd.
37Ayo na sinangan, jamyo intingoja y masanganñaejon todo guiya Judea, ya matutujon guiya Galilea, despues di y tinagpange ni y japredica si Juan:
38Hoe God Jesus van Názaret met den Heiligen Geest en met kracht heeft gezalfd hoe Hij weldoende rondging en allen genas, die door den duivel werden beheerst, omdat God met Hem was.
38Güiya si Jesus Nasareno; jaftaemano si Yuus japalae ni y Espiritu Santo yan y ninasiña: ya jumajanao ya jafatitinas y mauleg, yan janafanjomlo todo ayo sija y manchinichiguet ni y anite; sa sumisija yan Yuus.
39En wij, wij zijn getuigen van alles wat Hij gedaan heeft in het land van de Joden en in Jerusalem. Hem hebben ze aan het kruis geslagen, en gedood;
39Ya jame mantestigo todo y güinaja ni y finatinasña gui tano Judios, yan iya Jerusalem; ayo y japuno sija, ya jacana gui trongcon jayo:
40maar God heeft Hem de derde dag opgewekt en Hem laten verschijnen:
40Güiya ninacajulo as Yuus gui mina tres na jaane, ya japolo ya ufinanue güe senclaroja,
41niet aan heel het volk, maar aan de getuigen, door God voorbeschikt: aan ons, die met Hem gegeten hebben en gedronken na zijn verrijzenis uit de doden.
41Ti para todo y taotao, lao para y testigo sija ni y manmaayeg antes as Yuus; junggan, para jita, ni y guinin manjita mañocho yan manguimen despues di cajulo guinin y manmatae.
42En ons heeft Hij de opdracht gegeven, aan het volk te prediken en te getuigen, dat Hij door God is aangesteld als Rechter van levenden en doden.
42Ya jatagojit na tapredica gui taotao sija, yan tanamatungo na güiya tinancho as Yuus para ujuyong Jues y manlalâlâ yan y manmatae.
43Van Hem getuigen al de profeten, dat ieder. die in Hem gelooft, vergiffenis van zonden verkrijgt door zijn Naam.
43Pot güiya na manmannae todo y profeta testimonio, na pot y naanña, jayeja y jumongue güe uresibe inasiin y isao.
44Nog was Petrus aan het woord, toen de Heilige Geest op allen neerdaalde, die naar de toespraak stonden te luisteren.
44Ya mientras jasanganja trabia si Pedro este sija na sinangan, y Espiritu Santo podong gui jilo ayo sija todo y jumujungog y sinangan.
45De gelovigen uit de besnijdenis die met Petrus waren meegekomen, stonden verbaasd. dat de gave van den Heiligen Geest ook over de heidenen was uitgestort;
45Ya ayo sija y manmasirconsida ni y manmanjonggue, ninafanmanman, ya megae manmato as Pedro, sa asta y Gentiles locue manmachudae ni y ninaen y Espiritu Santo.
46want ze hoorden hen in talen spreken, en God verheerlijken. Toen hernam Petrus:
46Sa jajungog na manguecuentos ni y jilañija, ya manadangculo si Yuus. Ayonae manope si Pedro, ilegña:
47Zou iemand het water kunnen weigeren, en deze mensen niet dopen, die toch den Heiligen Geest hebben ontvangen, juist zoals wij?
47Jaye siña na taotao chumoma y janom para ti ufanmatagpange este sija y rumesibe y Espiritu Santo taegüine iya jita?
48En hij beval, hen te dopen in de naam van Jesus Christus Toen verzochten ze hem, enkele dagen te blijven.
48Ya jatago sija na ujafanmatagpange ni y naan Jesucristo. Ya matayuyut güe na ufañaga unos cuantos na jaane.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.