Handelingen
Chapter 4
Petrus Canisius Bible, 1…

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Old Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Chamorro: Gospels,…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chamorro: Gospels, Acts and Psalms
1Terwijl ze nog spraken tot het volk, kwamen de priesters met den hoofdman van de tempelwacht en de sadduceën op hen af,
1YA anae manguecuentos yan y taotao sija, y magas na mamale yan y magas y templo, yan y Saduseosija, manmato guiya sija,
2vergramd, omdat ze het volk onderrichtten, en in Jesus’ persoon de opstanding uit de doden verkondigden.
2Ya guesinestotba, sa sija jafananagüe y taotao sija, ya japredidica y quinajulo guinin y manmatae, pot si Jesus.
3Ze sloegen de hand aan hen, en brachten ze in verzekerde bewaring tot de volgende morgen; want het was reeds avond.
3Ya manmapolo canae gui jiloñija, ya manmapreso asta y inagpaña, sa estaba esta pupuenge.
4Maar velen van hen, die de prediking hadden gehoord, werden gelovig; het getal der mannen steeg tot vijf duizend ongeveer.
4Lao megae sija y jumungog y sinangan majonggue; ya y numeron y taotao sija, buente sinco mit.
5De volgende morgen kwamen de oversten, oudsten en schriftgeleerden van Jerusalem bijeen,
5Ya y inagpaña güije, y magasñija yan y manamco, yan y escriba sija mandaña guiya Jerusalem;
6te zamen met Annas, den hogepriester, met Káifas, Johannes en Alexander, en met allen, die tot het hogepriesterlijk geslacht behoorden.
6Yan mangaegue si Annas, magas y mamale, yan si Caefas, yan si Juan, yan si Alejandro, yan ayosija parientes y magas mamale,
7Ze lieten hen voorbrengen, en vroegen: Door welke macht en in wiens naam hebt gij dit gedaan?
7Ya anae munjayan japlanta sija gui talo, jafaesen: Pot jafa na ninasiña, pat jaye na naan na infatinas este?
8Nu sprak Petrus, vervuld van den Heiligen Geest, hun toe: Oversten van het volk, en oudsten!
8Ya si Pedro, bula ni y Espiritu Santo, ilegña nu sija: Jamyo ni y magas y taotao, yan y manamco guiya Israel,
9Wanneer we heden gerechtelijk worden verhoord over een weldaad aan een gebrekkig mens be- wezen, en over het middel waardoor hij genas,
9Yaguin manmachaguejam pago na jaane pot y mauleg finatinas para y malango na taotao, sa jafa muna manajomlo;
10dan zij het u allen en heel het volk van Israël bekend, dat deze man gezond hier voor u staat door de naam van Jesus Christus van Názaret, dien gij hebt gekruisigd, maar dien God heeft opgewekt uit de doden.
10Intingo todo jamyo, yan todo y taotao guiya Israel, na pot y naan Jesucristo, y Nasareno, ni y inatane gui quiluus, ni y ninacajulo as Yuus guinin y manmatae; pot güiyaja este na taotao na tumojgue gui menan miyo ya jomlo.
11Hij is “de steen, die gij, de bouwlieden, hebt verworpen; en Hij is de hoeksteen geworden.”
11Güiya yuje na acho y innataebale jamyo ni y manmanjatsa, na jumuyong cabesan esquina.
12Bij niemand anders is er redding. Want onder de hemel is geen andere Naam aan de mensen gegeven, waardoor we zalig moeten worden.
12Ya ni uguaja satbasion gui otro; sa taya otro naan gui papa y langet, manmanae y taotao sija, para usiña utafansatbo.
13Toen ze de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes zagen, en bemerkten, dat het maar ongeletterde en eenvoudige mensen waren, stonden ze verbaasd en herkenden hen als de gezellen van Jesus.
13Ya anae malie y minatatngan Pedro yan Juan, ya jinasonñija na manaetiningo ya manlanga na taotao, ninafanmanman, ya ayonae matungo na guinin mañisija yan si Jesus.
14Maar omdat ze ook den genezen man bij hen zagen staan, konden ze er niets tegen inbrengen.
14Ya anae malie y taotao ni y manajomlo na mañisija manojgue, taya jafa siña ujasangan contra ayo.
15Ze geboden hun dus, zich uit de vergadering te verwijderen. Toen overlegden ze met elkander,
15Lao anae jatago sija na ufanjuyong gui dinaña, manasangane entre sija,
16en zeiden: Wat moeten we met die mensen doen? Want dat er door hen een opzienbarend wonder verricht is, weten alle inwoners van Jerusalem; we kunnen het dus niet loochenen.
16Ilegñija: Jafa tafatinas ni este sija na taotao? sa magajet na afamao na milagro mafatinas pot sija, ya manmamatungo esta ni todo ayo sija y mañasaga Jerusalem; ya ti siña tapune.
17Maar om te beletten, dat het nog verder onder het volk wordt verbreid, moeten we hun ten strengste verbieden, nog iemand ter wereld over die Naam te spreken.
17Lao trabia mientras ti chachago matalaña gui entalo y taotao sija; nije taencatga sija, ya chañija fanmañangangane ni este na naan desde pago.
18Nu riepen ze hen binnen, en verboden hun ten strengste, te spreken of te onderwijzen in Jesus’ naam.
18Ya jaagang sija, ya jaencatga na senchañija sumasangan, ni ufanmamanagüe ni y naan Jesus.
19Maar Petrus en Johannes antwoordden hun: Oordeelt zelf, of we het voor God verantwoorden kunnen, naar u te luisteren meer dan naar God.
19Lao si Pedro yan Juan manope ilegñija: Jusga, cao tunas gui menan Yuus na inosgueña jamyo qui si Yuus;
20Neen. we kunnen niet zwijgen wat we hebben gezien en gehoord.
20Sa tisiña inpelo na ti insangan y liniimame yan y jiningogmame.
21Daarop begonnen ze hen te bedreigen; maar ze lieten hen ten slotte vrij, daar ze om het volk geen kans zagen, hen te straffen; allen toch verheerlijkten God om wat er gebeurd was.
21Ya anae esta jaencatga sija mas, jasotta, sa taya siña jafa ujasoda para ujacastiga, pot causa y taotaosija; sa todo mumalag si Yuus pot ayo y mafatinas.
22Want de man, aan wien dat wonder van genezing was geschied, was meer dan veertig jaren oud
22Sa y taotao ni y anae mafatinas este y milagron y jinelo, mas di cuarenta años inamcoña.
23Nadat ze waren vrijgelaten, begaven ze zich naar hun broeders, en deelden hun alles mee, wat de opperpriesters en oudsten hun hadden gezegd.
23Ya anae masotta na ujanao, manjanao para y mangachongñija, ya jasangane todo ni y mansinangane sija ni y magas mamale yan y manamco.
24Toen ze dit hoorden, verhieven ze eenparig hun stem tot God, en zeiden: Gij Heer, Schepper van hemel en aarde en zee, en van al wat erin is:
24Ya anae jajungog sija ayo, jajatsa y inagangñija para as Yuus, ilegñija: O Señot, jago Yuus, ni y fumatinas y langet, yan y tano, yan y tase, yan todo y mangae gui sanjalomñija;
25Gij zijt het, die in den Heiligen Geest door de mond van onzen vader David, uw dienaar, gezegd hebt “Waarom razen de volken, Bluffen de naties,
25Ni y pot Espiritu Santo ni y pachot y tentagomo as David ilegmo: Sa jafa y Gentiles na manlalalo, ya y taotao sija manmanjaso ni y taebale na güinaja?
26Komen de koningen der aarde bijeen, Spannen de vorsten samen tegen den Heer en zijn Christus?”
26Y ray sija gui tano manotojgue julo, ya y magalaje sija mandaña contra y Señot, yan contra si Cristoña.
27Waarachtig, ze hebben in deze stad samengespannen tegen Jesus, uw heiligen Dienaar, dien Gij gezalfd hebt: Herodes en Póntius Pilatus met de heidenen en de stammen van Israël:
27Sa magajet na gui este siuda contra y santos na Tentagomo as Jesus, ni y unpalalae; todo si Herodes, yan Poncio Pilato, yan y Gentiles yan y taotao guiya Israel, mandaña,
28om te voltrekken wat uw hand en uw raadsbesluit vooruit had beschikt.
28Para ujafatinas jafa y tinancho antes y canaemo, yan y consejumo para ususede.
29Nu dan Heer, houd hun bedreiging in het oog, en verleen aan uw dienaars, om met alle vrijmoedigheid uw woord te spreken:
29Ya pago, O Señot, lie y amenasoñija: ya unnae y tentagomo sija, na contodo y minatatnga ujasangan y sinanganmo,
30door uw hand uit te strekken tot genezing, tot tekenen en wonderen, door de naam van Jesus, uw heiligen Dienaar.
30Mientras unjujuto mona y canaemo para umajomlo; ya para y señat yan mannamanman umafatinas pot y naan y santos na Tentagomo as Jesus.
31Na hun gebed trilde de plaats, waar ze waren vergaderd; allen werden vervuld van den Heiligen Geest, en spraken vrijmoedig Gods woord.
31Ya anae munjayan manmanaetae, y lugat anae mandadaña mayengyong; ya todos manbula ni y Espiritu Santo, ya manmatatnga jasangan y sinangan Yuus.
32De groep van gelovigen was één van hart en ziel; er was er niet één, die iets van het zijne zijn eigendom noemde, maar ze hadden alles gemeen
32Ya y inetnon güije sija ni y manmanjonggue, manunoja na corason yan unoja na ante: ni uno guiya sija ualog iyoña ayo y jasagagaye; lao todo y güinaja manparejo iyonñija.
33Met grote kracht legden de apostelen getuigenis af van de verrijzenis van Jesus, den Heer, en aan allen werd grote genade geschonken.
33Yan dangculo na ninasiña na manmannae y apostoles testimonio ni y quinajulo y Señot Jesus: ya megae na grasia gaegue gui jiloñija todos.
34Er was inderdaad geen enkele noodlijdende onder hen. Want allen, die landerijen of huizen bezaten, verkochten ze, brachten de opbrengst mee,
34Ya ni uno guiya sija nesesitao; sa todo ayo sija y mangaeiyo tano pat guma, jabende ya jachule y balen ayo y binendenñija,
35en legden die voor de voeten der apostelen neer; dan werd er uitgedeeld naar ieders behoefte.
35Ya japolo gui adeng y apostoles sija: ya manmapapatte cada taotao jafataemano y janesesita.
36Zo was er een zekere Josef, door de apostelen Bárnabas (dat is: zoon van vertroosting) geheten, een leviet, van Cyprus afkomstig;
36Ayonae si José, ni y mafanaan ni y apostoles Barnabé (ni y comoqueilegña, lajin consuelo) ni y Lebita, taotao Chipre,
37hij bezat een stuk land, verkocht het, bracht het geld mee, en legde het voor de voeten der apostelen neer.
37Guaja tanoña, ya jabende, ya jachule y salape, ya japolo gui adeng apostoles sija.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.