Handelingen 25
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chamorro: Gospels, Acts and Psalms
1Toen Festus in de provincie was aangekomen, ging hij drie dagen later van Cesarea naar Jerusalem.
1AYONAE jumalom si Festo gui provinsia, ya anae malofan tres na jaane cumajulo desde Sesarea asta Jerusalem.
2Daar kwamen de opperpriesters en de aanzienlijksten onder de Joden Paulus bij hem aanklagen,
2Ya y magas mamale yan y magas y Judios manatungo güe contra si Pablo, ya matayuyut,
3en verzochten als gunst, dat hij hem naar Jerusalem zou laten ontbieden. Want ze wilden hem een hinderlaag leggen, om hem onderweg te vermoorden.
3Magagagao finaborese contra si Pablo, na unajanao para Jerusalem; ya mananangga gui chalan para umapuno.
4Festus antwoordde, dat Paulus te Cesarea in hechtenis bleef, maar dat hij zelf spoedig daarheen zou vertrekken.
4Lao manope si Festo, na si Pablo umanasagaja Sesarea, ya güiyaja ujanao enseguidas.
5Laat dan, zeide hij, de voornaamsten onder u met mij meegaan, en den man in staat van beschuldiging stellen, zo hij enig misdrijf begaan heeft.
5Ya ilegña: Ayo y mansiña guiya jamyo, ujadalalagyo papa, ya ujafaaela este na taotao, yaguin guaja taelaye guiya güiya.
6Nadat hij niet langer dan acht of tien dagen onder hen had vertoefd, keerde hij naar Cesarea terug. De volgende dag hield hij rechtszitting, en gaf bevel, Paulus voor te brengen.
6Ya anae sumaga güije mas di dies na jaane, mapos papa Sesarea; ya y inagpaña matachong gui tribunal, ya manago na umaconie as Pablo.
7Toen hij verschenen was, plaatsten de Joden, die uit Jerusalem waren gekomen, zich om hem heen, en brachten vele en zware beschuldigingen tegen hem in, die ze echter niet konden bewijzen;
7Ya anae mato, y Judios ni y manmato guinin Jerusalem, manojgue gui oriyaña, ya megae finaaelañija contra si Pablo, ya ti siña manamagajet nu sija.
8terwijl Paulus in zijn verdediging aantoonde, dat hij noch tegen de wet van de Joden, noch tegen de tempel, noch tegen den keizer iets had misdreven.
8Ya manope si Pablo pot güiyaja, ilegña: Ni contra y lay y Judios, ni contra y templo, ni contra si Sesat, ti juisagüe.
9Daar Festus echter de Joden aan zich wilde verplichten, antwoordde hij Paulus, en sprak: Wilt ge naar Jerusalem gaan, en daar in mijn bijzijn over dit alles terecht staan?
9Lao malago si Festo na unafanmagof y Judios; jaope si Pablo ilegña: Malago jao jumanao julo Jersalem, ya unmajusga pot este sija gui menajo?
10Maar Paulus zeide: Ik sta voor de rechterstoel van Caesar daar moet ik geoordeeld worden. Tegen de Joden heb ik niets misdreven, zoals ook gij heel goed weet.
10Ya ilegña si Pablo: Gaegueyo gui tribunal Sesat anae debe di jumajusga: para y Judios, taya taelaye na finatinaso; ungostungoja.
11Zo ik schuldig ben en iets heb misdreven, waarop de doodstraf staat, dan weiger ik niet te sterven. Maar zo er niets staande blijft van al de beschuldigingen, die ze tegen mij inbrengen, dan heeft niemand het recht, mij aan hen uit te leveren, om hun te gelieven. Ik beroep me op Caesar.
11Sa yaguin taelaye na finatinaso, pat guinin jufatinas jafa na jumerese y finatae, ti jureusayo na jumatae: lao yaguin taya jafa pot este y finaaelañija; taya ni un taotao uentregayo guiya sija. Jugagao jinisgajo gui as Sesat.
12Toen antwoordde Festus in overleg met zijn Raad: Op Caesar hebt ge u beroepen, tot Caesar zult ge gaan.
12Ya anae munjayan manguentos si Festo yan y taotao inetnon, jaope si Pablo ilegña: Gui as Sesat nae malagojao jinisgamo? Unfalag as Sesat.
13Enige dagen later kwamen koning Agrippa en Bernike naar Cesarea, om Festus hun opwachting te maken.
13Ya malofan palo jaane, mato si ray Agripa yan Bernise guiya Sesarea para umasaluda si Festo.
14En daar ze er langere tijd vertoefden, legde Festus den koning de zaak van Paulus voor, en sprak: Hier is een man, dien Felix gevangen heeft achtergelaten,
14Ya anae mañaga güije megae na jaane, si Festo jadeclaraye si ray ni y causan Pablo, ilegña: Un taotao maprereso pot si Felix,
15en tegen wien de opperpriesters en de oudsten der Joden tijdens mijn verblijf te Jerusalem beschuldigingen hebben ingebracht, en wiens veroordeling ze hebben geëist.
15Ni y anae estabayo Jerusalem, y magas mamale yan y manamco gui Judios mafaesenyo, sa manmalago na umacondena.
16Ik heb hun geantwoord, dat de Romeinen niet gewoon zijn, iemand uit te leveren, voordat de beschuldigde zijn aanklagers vóór zich gezien heeft, en gelegenheid heeft gehad, zich tegen de aanklacht te verdedigen.
16Ya juope sija, na ti costumbren y Romano na umaentrega un taotao na umapuno, antes di umanaafana yan y fumaaela, ya uguaja lisensiaña manope pot y mafaaelaña.
17Ze zijn dus met mij meegekomen, en zonder uitstel heb ik reeds de volgende dag zitting gehouden, en den man laten voorbrengen.
17Enaomina anae mandaña guine, sinjufannangga, y inagpaña matachongyo gui tribunal, ya managoyo na jumaconie.
18Maar zijn aanklagers, die hem omringden, brachten geen enkele beschuldiging in, waarin ik een misdaad kon zien;
18Ya manestabaja y fumaaela, lao taya finaaelañija jafa ni ayo y jinasosoco:
19doch ze twistten met hem over enige punten van hun eigen geloof, en over een zekeren Jesus, die gestorven is, en van wien Paulus beweert, dat Hij leeft.
19Lao guaja finaesenñija contra güiya, pot y superstisionñija, pot y religionñija yan pot y un Jesus ni y matae, ya jaasegura si Pablo na lâlâ.
20Daar ik met dergelijke twistvragen verlegen zat, vroeg ik hem, of hij naar Jerusalem wilde gaan, en daar over dit alles te recht wilde staan.
20Ya ti juguestungo ayo sija na finaesen; jufaesen güe cao malago malag Jerusalem, ya ayo nae umajusga ni este sija.
21Maar Paulus ging in hoger beroep, en eiste voor de rechtbank van Augustus te worden gebracht. Ik heb dus bevolen, hem in hechtenis te houden, totdat ik hem naar Caesar zal zenden.
21Lao si Pablo, anae jagagao na umanasaga, para y jinisgan Augusto, managoyo na umanasaga asta qui junajanao para as Sesat.
22Agrippa zeide tot Festus: Ik zou ook zelf dien man wel eens willen horen. Morgen, antwoordde hij, zult ge hem horen.
22Ayonae si Agripa ilegña as Festo; Malagoyo locue na jujungog y taotao. Ya ilegña: Agupa na unjungog güe.
23De volgende dag kwam dan Agrippa en Bernike met grote praal, en in begeleiding van de krijgsoversten en van de aanzienlijkste mannen der stad, de gehoorzaal binnen, en werd op Festus’ bevel ook Paulus binnengebracht.
23Ya y inagpaña mato si Agripa yan Bernise, yan y minagasñija, ya jumalom gui tribunal, yan y mas magas y inetnon yan y mas manmagas gui siuda, ya manago si Festo na umacone si Pablo.
24En Festus sprak: Koning Agrippa, en gij allen, die hier tegenwoordig zijt: gij ziet hier den man, over wien het ganse volk der Joden zich bij mij is komen beklagen, te Jerusalem en hier, en luid heeft geschreeuwd, dat hij niet langer mocht leven.
24Ya ilegña si Festo: Ray Agripa, yan todo y taotao ni y mangaegue güine na manjijita; inlie este na taotao ni y todo y linajyan Judios maqueja yan guajo guiya Jerusalem yan güine, elegñija na ti umanalâlâ mas.
25Maar ik heb bevonden, dat hij niets heeft bedreven, dat de doodstraf verdient. Daar hij zich echter op Caesar heeft beroepen, heb ik besloten, hem op te zenden.
25Lao anae jusoda na taya finatinasñajafa na umerese y finatae, ya anae güiyaja locue malago jinisgaña gui as Augusto, jujaso na junajanao.
26Maar nu weet ik eigenlijk niets bepaalds over hem aan den heer te berichten. Daarom heb ik hem voor u allen gebracht, en vooral voor u, koning Agrippa, om na afloop van het verhoor te weten, wat ik schrijven moet.
26Ya taya jafa magajet na güinajaña para jutugue para y Señotjo. Enaomina jucone güe mona gui menanmiyo, yan y menamo, O Ray Agripa, para yaguin munjayan maegsamina, uguaja jafa para jutugue.
27Want het lijkt me onzinnig, een gevangene op te zenden, en niet op te geven, waarvan hij beschuldigd wordt.
27Sa y jinasoco na taya rason na umanajanao y presonero, ya ti umanaclaro y isao ni y mapolo contra güiya.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.