Handelingen
Chapter 25
Petrus Canisius Bible, 1…

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Old Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Kralice Bible (1613)
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Toen Festus in de provincie was aangekomen, ging hij drie dagen later van Cesarea naar Jerusalem.
1Tedy Festus vladařství ujav, po třech dnech přijel z Cesaree do Jeruzaléma.
2Daar kwamen de opperpriesters en de aanzienlijksten onder de Joden Paulus bij hem aanklagen,
2I oznámili jemu nejvyšší kněz a přednější z Židů o Pavlovi, a prosili ho,
3en verzochten als gunst, dat hij hem naar Jerusalem zou laten ontbieden. Want ze wilden hem een hinderlaag leggen, om hem onderweg te vermoorden.
3Žádajíce té milosti proti němu, aby jej kázal přivésti do Jeruzaléma, zálohy učinivše jemu, aby zabit byl na cestě.
4Festus antwoordde, dat Paulus te Cesarea in hechtenis bleef, maar dat hij zelf spoedig daarheen zou vertrekken.
4A Festus odpověděl, že má Pavel ostříhán býti v Cesaree, a on sám že tudíž tam přijede.
5Laat dan, zeide hij, de voornaamsten onder u met mij meegaan, en den man in staat van beschuldiging stellen, zo hij enig misdrijf begaan heeft.
5Protož (řekl), kteříž z vás mohou, nechť tam také se vypraví spolu se mnou, a jest-li jaká vina na tom muži, nechať naň žalují.
6Nadat hij niet langer dan acht of tien dagen onder hen had vertoefd, keerde hij naar Cesarea terug. De volgende dag hield hij rechtszitting, en gaf bevel, Paulus voor te brengen.
6A pobyv mezi nimi nic více než deset dní, jel do Cesaree. A druhého dne posadiv se na soudné stolici, kázal Pavla přivésti.
7Toen hij verschenen was, plaatsten de Joden, die uit Jerusalem waren gekomen, zich om hem heen, en brachten vele en zware beschuldigingen tegen hem in, die ze echter niet konden bewijzen;
7Kterýžto když byl přiveden, obstoupili jej ti, jenž byli přišli z Jeruzaléma, Židé, mnohé a těžké žaloby proti Pavlovi vedouce, kterýchž nemohli dovésti,
8terwijl Paulus in zijn verdediging aantoonde, dat hij noch tegen de wet van de Joden, noch tegen de tempel, noch tegen den keizer iets had misdreven.
8Nebo Pavel při všem mírnou zprávu dával, že ani proti Zákonu Židovskému, ani proti chrámu, ani proti císaři nic neprovinil.
9Daar Festus echter de Joden aan zich wilde verplichten, antwoordde hij Paulus, en sprak: Wilt ge naar Jerusalem gaan, en daar in mijn bijzijn over dit alles terecht staan?
9Ale Festus, chtěje se Židům zalíbiti, odpověděv, řekl Pavlovi: Chceš-li jíti do Jeruzaléma a tam o to souzen býti přede mnou?
10Maar Paulus zeide: Ik sta voor de rechterstoel van Caesar daar moet ik geoordeeld worden. Tegen de Joden heb ik niets misdreven, zoals ook gij heel goed weet.
10I řekl Pavel: Před stolicí císařovou chci státi a tam souzen býti. Židům jsem nic neublížil, jakož i ty dobře to víš.
11Zo ik schuldig ben en iets heb misdreven, waarop de doodstraf staat, dan weiger ik niet te sterven. Maar zo er niets staande blijft van al de beschuldigingen, die ze tegen mij inbrengen, dan heeft niemand het recht, mij aan hen uit te leveren, om hun te gelieven. Ik beroep me op Caesar.
11Nebo jestližeť jim v čem ubližuji, aneb něco smrti hodného jsem spáchal, neodpírámť umříti; a pakliť nic toho při mně není, z čehož mne oni viní, žádnýť mne jim nemůže dáti. K císaři se odvolávám.
12Toen antwoordde Festus in overleg met zijn Raad: Op Caesar hebt ge u beroepen, tot Caesar zult ge gaan.
12Tedy Festus promluviv s radou, odpověděl: K císařis se odvolal? K císaři půjdeš.
13Enige dagen later kwamen koning Agrippa en Bernike naar Cesarea, om Festus hun opwachting te maken.
13A po několika dnech král Agrippa a Bernice přijeli do Cesaree, aby pozdravili Festa.
14En daar ze er langere tijd vertoefden, legde Festus den koning de zaak van Paulus voor, en sprak: Hier is een man, dien Felix gevangen heeft achtergelaten,
14A když tu za mnoho dní pobyli, oznámil Festus králi o Pavlově při, řka: Muž jeden ostaven jest od Felixa v vězení,
15en tegen wien de opperpriesters en de oudsten der Joden tijdens mijn verblijf te Jerusalem beschuldigingen hebben ingebracht, en wiens veroordeling ze hebben geëist.
15O kterémž, když jsem byl v Jeruzalémě, oznámili mi přední kněží a starší Židovští, žádajíce na něj ortele.
16Ik heb hun geantwoord, dat de Romeinen niet gewoon zijn, iemand uit te leveren, voordat de beschuldigde zijn aanklagers vóór zich gezien heeft, en gelegenheid heeft gehad, zich tegen de aanklacht te verdedigen.
16Kterýmž jsem odpověděl, že není obyčej Římanům vydati člověka na smrt, prve nežli by ten, na kohož se žaloba děje, přítomné měl žalobníky a volnost k odpovídání na to, z čehož by byl obviňován.
17Ze zijn dus met mij meegekomen, en zonder uitstel heb ik reeds de volgende dag zitting gehouden, en den man laten voorbrengen.
17A protož když se byli sem sešli, hned beze všeho meškání, druhý den posadiv se na soudné stolici, rozkázal jsem přivésti toho muže.
18Maar zijn aanklagers, die hem omringden, brachten geen enkele beschuldiging in, waarin ik een misdaad kon zien;
18Jehožto žalobníci tu stojíce, z ničeho takového nevinili ho, čehož jsem já se domníval.
19doch ze twistten met hem over enige punten van hun eigen geloof, en over een zekeren Jesus, die gestorven is, en van wien Paulus beweert, dat Hij leeft.
19Ale o nějaké otázky při tom svém náboženství měli s ním nesnáz, a o jakémsi Ježíšovi mrtvém, o kterémž jistil Pavel, že jest živ.
20Daar ik met dergelijke twistvragen verlegen zat, vroeg ik hem, of hij naar Jerusalem wilde gaan, en daar over dit alles te recht wilde staan.
20Já pak maje tu při v pochybnosti, řekl jsem jemu, chtěl-li by jíti do Jeruzaléma, a tam o ty věci souzen býti.
21Maar Paulus ging in hoger beroep, en eiste voor de rechtbank van Augustus te worden gebracht. Ik heb dus bevolen, hem in hechtenis te houden, totdat ik hem naar Caesar zal zenden.
21A když se on odvolal, aby byl chován k soudu Augustovu, kázal jsem ho hlídati, až bych jej poslal k císaři.
22Agrippa zeide tot Festus: Ik zou ook zelf dien man wel eens willen horen. Morgen, antwoordde hij, zult ge hem horen.
22Tedy Agrippa řekl k Festovi: Chtělť bych i já rád člověka toho slyšeti. A on řekl: Zítra ho uslyšíš.
23De volgende dag kwam dan Agrippa en Bernike met grote praal, en in begeleiding van de krijgsoversten en van de aanzienlijkste mannen der stad, de gehoorzaal binnen, en werd op Festus’ bevel ook Paulus binnengebracht.
23Nazejtří pak, když přišel Agrippa a Bernice s velikou slavou, a vešli na síň s hejtmany a s lidmi nejznamenitějšími města toho, k rozkázání Festovu přiveden jest Pavel.
24En Festus sprak: Koning Agrippa, en gij allen, die hier tegenwoordig zijt: gij ziet hier den man, over wien het ganse volk der Joden zich bij mij is komen beklagen, te Jerusalem en hier, en luid heeft geschreeuwd, dat hij niet langer mocht leven.
24I řekl Festus: Králi Agrippo a všickni, kteříž jste tuto s námi, vidíte tohoto, za nějžto všecko množství Židů prosili mne, i v Jeruzalémě i zde, křičíce, že takový nemá více živ býti.
25Maar ik heb bevonden, dat hij niets heeft bedreven, dat de doodstraf verdient. Daar hij zich echter op Caesar heeft beroepen, heb ik besloten, hem op te zenden.
25Já pak shledav to, že nic hodného smrti neučinil, však když se sám k Augustovi odvolal, umínil jsem jej tam poslati.
26Maar nu weet ik eigenlijk niets bepaalds over hem aan den heer te berichten. Daarom heb ik hem voor u allen gebracht, en vooral voor u, koning Agrippa, om na afloop van het verhoor te weten, wat ik schrijven moet.
26O němž, co bych jistého napsal pánu svému, nevím. Protož jsem jej teď přivedl před vás, a zvláště před tebe, králi Agrippo, abych vyptaje se, věděl, co psáti.
27Want het lijkt me onzinnig, een gevangene op te zenden, en niet op te geven, waarvan hij beschuldigd wordt.
27Nebo zdá mi se to neslušné býti poslati vězně a pře jeho neoznámiti.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.