Handelingen 19
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Terwijl Apollo reeds te Korinte vertoefde, trok Paulus de hogerop gelegen streken door, en kwam te Éfese aan. Daar trof hij enige leerlingen aan,
1I stalo se, když Apollo byl v Korintu, že Pavel prošed vrchní krajiny, přišel do Efezu, a nalezna tu některé učedlníky,
2tot wie hij zeide: Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen, toen gij gelovig werdt? Maar ze antwoordden hem: Neen: we hebben zelfs niet eens gehoord, dat er een Heilige Geest bestaat.
2Řekl k nim: Přijali-li jste Ducha svatého, uvěřivše? A oni řekli jemu: Ba, aniž jsme slýchali, jest-li Duch svatý.
3Hij zeide: Met welk doopsel zijt gij dan gedoopt? Ze antwoordden: Met het doopsel van Johannes
3On pak řekl jim: Načež tedy pokřtěni jste? A oni řekli: Křtěni jsme křtem Janovým.
4Nu sprak Paulus: Johannes heeft inderdaad met een doopsel van bekering gedoopt, maar hij sprak daarbij tot het volk, dat ze moesten geloven in Hem, die na hem zou komen; dat is in Jesus.
4I řekl Pavel: Janť zajisté křtil křtem pokání, pravě lidu, aby v toho, kterýž měl po něm přijíti, věřili, to jest v Krista Ježíše.
5Toen ze dit hadden gehoord, lieten ze zich dopen in de naam van den Heer Jesus.
5Kteříž pak toho uposlechli, pokřtěni jsou ve jméno Pána Ježíše.
6Paulus legde hun de handen op, en de Heilige Geest kwam over hen neer; en ze spraken in talen en profeteerden
6A když vzkládal na tyto ruce Pavel, sstoupil Duch svatý na ně, i mluvili jazyky rozličnými, a prorokovali.
7In het geheel waren het twaalf man ongeveer.
7A bylo všech spolu okolo dvanácti mužů.
8Drie maanden lang ging hij naar de synagoge, en trad er met vrijmoedigheid op; hij disputeerde er over het koninkrijk Gods, en bracht overtuigende bewijzen naar voren.
8Tedy Pavel všed do školy, směle a svobodně mluvil za tři měsíce, hádaje se a uče o království Božím.
9Maar toen sommigen zich verhardden en niet wilden geloven, en daarenboven voor de menigte de Weg begonnen te lasteren, scheidde hij zich van hen af, en verzamelde zijn leerlingen afzonderlijk in de school van Tyrannus, waar hij dagelijks onderricht gaf.
9A když se někteří zatvrdili a nepovolovali, zle mluvíce o cestě Boží přede vším množstvím, odstoupiv od nich, oddělil učedlníky, na každý den kázání čině v škole nějakého Tyranna.
10Dit duurde zo twee jaren lang, zodat alle bewoners van Azië, Joden als heidenen, het woord des Heren vernamen.
10A to se dálo za dvě létě, takže všickni, kteříž přebývali v Azii, poslouchali slova Pána Ježíše, i Židé i Řekové.
11En God deed buitengewone wonderen door de handen van Paulus;
11A divy veliké činil Bůh skrze ruce Pavlovy,
12zodat zelfs als men de doeken en gordels, die zijn lichaam hadden aangeraakt, op de zieken legde, de kwalen hen verlieten, en de boze geesten op de vlucht gingen.
12Takže i šátky a fěrtochy od jeho těla na nemocné nosívali, a odstupovaly od nich nemoci, a duchové nečistí vycházeli z nich.
13Ook enige rondtrekkende joodse duivelbezweerders beproefden eens de naam van den Heer Jesus aan te roepen over hen, die door boze geesten waren bezeten. Ze zeiden: Ik bezweer u bij Jesus, dien Paulus preekt.
13Tedy pokusili se někteří z Židů tuláků, kteříž se s zaklínáním obírali, vzývati jméno Pána Ježíše nad těmi, jenž měli duchy nečisté, říkajíce: Zaklínáme vás skrze Ježíše, kteréhož káže Pavel.
14Het waren de zeven zonen van een joodsen opperpriester Skevas die dit deden.
14A bylo jich sedm synů jednoho Žida, jménem Scevy, předního kněze, kteříž to činili.
15Maar de boze geest antwoordde hun: Jesus ken ik, en Paulus ken ik ook; maar wie zijt gij?
15Tedy odpověděv duch zlý, řekl: Ježíše znám, a o Pavlovi vím, ale vy kdo jste?
16En de man met den bozen geest sprong op hen los, overmeesterde en mishandelde hen, zodat ze naakt en gewond het huis uit vluchtten.
16A obořiv se na ně člověk ten, v kterémž byl duch zlý, a opanovav je, zmocnil se jich, takže nazí a zranění vyběhli z domu toho.
17Dit werd bekend aan alle Joden en heidenen, die in Éfese woonden; allen werden van vrees vervuld, en de naam van den Heer Jesus werd verheerlijkt.
17A to známo učiněno jest všechněm Židům i Řekům bydlícím v Efezu, a spadla bázeň na ně na všecky. I oslaveno jest jméno Pána Ježíše.
18Velen van hen, die geloofden, kwamen openlijk belijden, wat ze misdaan hadden.
18Mnozí pak z věřících přicházeli, vyznávajíce se a zjevujíce skutky své.
19Anderen, die met toverkunsten hadden omgegaan, brachten de boeken, en verbrandden ze voor aller ogen; de waarde ervan werd op een bedrag van vijftig duizend zilverstukken geschat.
19Mnozí také z těch, kteříž se s marnými uměními obírali, snesše knihy o těch věcech, spálili je přede všemi; a početše cenu jejich, shledali toho padesáte tisíců peněz.
20Zo groeide het Woord door ‘s Heren kracht, en werd het machtig.
20Tak jest mocně rostlo slovo Páně a zmocňovalo se.
21Toen deze zaak was geregeld, maakte Paulus het plan, om over Macedónië en Achaja naar Jerusalem te gaan; en hij voegde er aan toe: Als ik daar ben geweest, moet ik ook Rome bezoeken.
21A když se to všecko dokonalo, uložil Pavel v duchu svém, aby projda Macedonii a Achaii, šel do Jeruzaléma, řka: Když pobudu tam, musímť také i na Řím pohleděti.
22Hij zond twee van zijn helpers, Timóteus en Erastus, naar Macedónië vooruit, terwijl hij zelf nog enige tijd in Azië bleef.
22I poslav dva z těch, jenž mu přisluhovali, do Macedonie, Timotea a Erasta, sám pozůstal v Azii do času.
23Maar juist in deze tijd brak er een geweldige op. schudding los aangaande de Weg
23Tedy stala se v ten čas nemalá bouřka pro cestu Boží.
24Er was namelijk een zekere zilversmid, Demétrius genaamd, die zilveren tempeltjes van Diana vervaardigde, en de kunstenaars daarmee veel geld liet verdienen.
24Nebo zlatník jeden, jménem Demetrius, kterýž dělával chrámy stříbrné modly Diány, nemalý zisk přivodil řemeslníkům.
25Deze mannen en ook de werklieden in dat bedrijf riep hij bijeen, en zeide: Mannen! Gij weet, dat we aan dit bedrijf onze welstand hebben te danken.
25Kteréž svolav, i ty, kteříž byli k těm podobných věcí dělníci, řekl jim: Muži, víte, že z tohoto řemesla jest živnost naše.
26Nu ziet gij en hoort gij, hoe deze Paulus niet slechts te Éfese, maar in bijna gans Azië heel wat mensen door zijn redeneren er afkerig van maakt. Want hij beweert: Wat met de hand wordt gemaakt, zijn geen goden.
26A vidíte i slyšíte, že netoliko v Efezu, ale téměř po vší Azii tento Pavel svedl a odvrátil veliké množství lidu, pravě: Že to nejsou bohové, kteříž jsou rukama udělaní.
27We lopen dus gevaar, dat niet alleen ons bedrijf in miscrediet komt, maar dat ook de tempel van Diana, de grote godin, in minachting geraakt; ja, dat zij zelf, die door heel Azië en heel de wereld vereerd wordt, van haar majesteit zal worden beroofd.
27A protož strach jest, netoliko aby se nám v živnosti naší přítrž nestala, ale také i veliké bohyně Diány chrám aby za nic nebyl jmín, a aby nepřišlo k zkáze důstojenství její, kteroužto všecka Azia i všecken světa okršlek ctí.
28Toen ze dit hoorden, werden ze woedend, en schreeuwden het uit: Groot is de Diana der Efesiërs.
28To uslyšavše a naplněni jsouce hněvem, zkřikli řkouce: Veliká jest Diána Efezských.
29En de hele stad kwam in rep en roer. Als één man stormde alles naar het theater en men sleepte ook de Macedoniërs Cajus en Aristarchus, de reisgenoten van Paulus, daar heen.
29I naplněno jest všecko město rozbrojem, a valili se všickni spolu na plac, pochopivše Gáia a Aristarcha, Macedonské, tovaryše cesty Pavlovy.
30Paulus wilde zich onder het volk begeven, maar de leerlingen hielden hem tegen;
30Pavlovi pak, když chtěl jíti k lidu, nedopustili učedlníci.
31ook enigen der Asiarchen die hem genegen waren, lieten hem dringend verzoeken, zich niet in het theater te wagen.
31Ano i někteří z předních mužů Azianských, kteříž jemu přáli, poslavše k němu, prosili ho, aby se nedával do toho hluku.
32De vergadering zelf was in de grootste verwarring; de een riep dit, de ander dat; de meesten wisten niet eens, waarom ze saamgekomen waren.
32A jedni tak, jiní jinak křičeli; nebo byla obec zbouřena, a mnozí nevěděli, proč jsou se sběhli.
33Nu drongen de Joden een zekeren Alexander uit de menigte naar voren, om uitleg te geven. Alexander wenkte met de hand om stilte, en wilde een pleidooi tot het volk beginnen.
33Z zástupu pak někteří Alexandra nějakého táhli k mluvení, kteréhož i Židé k tomu nutili. Alexander pak pokynuv rukou, chtěl zprávu dáti lidu.
34Maar zodra ze bespeurden, dat hij een jood was, begonnen ze allemaal te loeien, en schreeuwden bijna twee uren lang: Groot is de Diana der Efesiërs.
34Ale jakž poznali, že jest Žid, ihned se stal jednostejný všech hlas, jako za dvě hodině volajících: Veliká jest Diána Efezských.
35De stadssecretaris bracht eindelijk de menigte tot bedaren, en sprak: Efesiërs, wie ter wereld zou niet weten, dat de stad der Efesiërs de grote Diana vereert en haar beeld, dat uit de hemel is gevallen?
35A když písař pokojil zástup, řekl: Muži Efezští, i kdož z lidí jest, ješto by nevěděl, že město Efezské slouží veliké bohyni Diáně a od Jupitera spadlému obrazu?
36Daar dit dus vaststaat, moet gij u rustig houden, en niet onberaden te werk gaan.
36A poněvadž tomu odpíráno býti nemůže, slušné jest, abyste se upokojili a nic kvapně nečinili.
37Want gij hebt deze mannen hier gebracht, die geen heiligschenners zijn, en geen lasteraars van uw godin.
37Přivedli jste zajisté lidi tyto, kteříž nejsou ani svatokrádce ani ruhači bohyně vaší.
38Wanneer Demétrius en zijn vakgenoten klachten tegen iemand hebben, welnu er worden rechtszittingen gehouden en er zijn proconsuls; laat ze elkaar voor het gerecht dagen.
38Jestliže pak Demetrius a ti, kteříž jsou s ním řemeslníci, mají s kým jakou při, však bývá obecný soud, a jsou k tomu konšelé. Nechať jedni druhé viní.
39En zo gij nog iets anders verlangt, dan zal het in een wettige vergadering worden behandeld.
39Pakli čeho jiného hledáte, i toť můž v pořádném svolání obce skoncováno býti.
40Zo lopen we gevaar, van oproer te worden aangeklaagd om wat vandaag is gebeurd; want er bestaat geen enkele reden, waarmee we deze oploop verantwoorden kunnen.
40Nebo strach jest, abychom nedošli nesnáze pro tu bouřku dnešní, poněvadž žádné příčiny není, kterouž bychom mohli předložiti, proč jsme se tuto sběhli. A to pověděv, rozpustil lid.
41Met die woorden ontbond hij de vergadering.
no verse 41 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.