Handelingen 19
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
1Terwijl Apollo reeds te Korinte vertoefde, trok Paulus de hogerop gelegen streken door, en kwam te Éfese aan. Daar trof hij enige leerlingen aan,
1Ani anjau Apoluj mi Korint, Pauluj kotin kakan jili jap en pali poa kan, ap lele don Epijuj waja a diarada tounpadak kai.
2tot wie hij zeide: Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen, toen gij gelovig werdt? Maar ze antwoordden hem: Neen: we hebben zelfs niet eens gehoord, dat er een Heilige Geest bestaat.
2A kotin majani on irail: Komail aleer Nen jaraui ni omail pojonlar? Irail potoan on i: Je jota man ron, me Nen jaraui mia.
3Hij zeide: Met welk doopsel zijt gij dan gedoopt? Ze antwoordden: Met het doopsel van Johannes
3A ap kotin majani: A ij, me komail paptaij on? Irail inda: on paptaij en Ioanej.
4Nu sprak Paulus: Johannes heeft inderdaad met een doopsel van bekering gedoopt, maar hij sprak daarbij tot het volk, dat ze moesten geloven in Hem, die na hem zou komen; dat is in Jesus.
4Pauluj majani: Ioanej paptaij ki paptaij en kalula, ni a majani on aramaj akan, me ren pojon i me pan pwarado mur i, i Iejuj.
5Toen ze dit hadden gehoord, lieten ze zich dopen in de naam van den Heer Jesus.
5Irail lao ronadar met, re ap paptaij on mar en Kaun Iejuj.
6Paulus legde hun de handen op, en de Heilige Geest kwam over hen neer; en ze spraken in talen en profeteerden
6Pauluj lao kotin pwil po ’rail lim a kan, Nen jaraui ap kotidi po ’rail, irail ari lokaia nil toror pajan o deideikop.
7In het geheel waren het twaalf man ongeveer.
7A ir ol oko me ekriamen.
8Drie maanden lang ging hij naar de synagoge, en trad er met vrijmoedigheid op; hij disputeerde er over het koninkrijk Gods, en bracht overtuigende bewijzen naar voren.
8I ari kotin purepure nan jinakoke o aima padapadak jauni pon jilu, kapakaparok o kawewedar meakan duen wein Kot.
9Maar toen sommigen zich verhardden en niet wilden geloven, en daarenboven voor de menigte de Weg begonnen te lasteren, scheidde hij zich van hen af, en verzamelde zijn leerlingen afzonderlijk in de school van Tyrannus, waar hij dagelijks onderricht gaf.
9A akai lao kapitakailar, o jo pojon, o lokelokaia jued on aramaj akan duen lamalam, a ap jaupei jan irail o katorela tounpadak kan, o padapadaki on irail nan im en padak en Tiranuj.
10Dit duurde zo twee jaren lang, zodat alle bewoners van Azië, Joden als heidenen, het woord des Heren vernamen.
10Mepukat wiauier jaunpar riau; toun Ajien karoj ari ronada majan en Kaun o, men Juj o men Krik karoj.
11En God deed buitengewone wonderen door de handen van Paulus;
11O Kot me kotin wia kida Iim en Pauluj manaman kapuriamui akan.
12zodat zelfs als men de doeken en gordels, die zijn lichaam hadden aangeraakt, op de zieken legde, de kwalen hen verlieten, en de boze geesten op de vlucht gingen.
12Re pil aleer lim en pudo o likau an moa jan pali war a, pwilikidi on me jomau kan, jomau o ap jare jan, o nen jued akan keredi jan.
13Ook enige rondtrekkende joodse duivelbezweerders beproefden eens de naam van den Heer Jesus aan te roepen over hen, die door boze geesten waren bezeten. Ze zeiden: Ik bezweer u bij Jesus, dien Paulus preekt.
13Men Juj widinok kai, me kin koko jili kati ani, ap jon jakaraki don irail, me tanwar en nen jued kai, mar en Kaun Iejuj, indada: Kit kaukilan komail Iejuj, me Pauluj kin padapadak due.
14Het waren de zeven zonen van een joodsen opperpriester Skevas die dit deden.
14A ol ijimen mia nain jamaro lapalap Jkepaj, ol en Juj amen, me wiadar mepukat.
15Maar de boze geest antwoordde hun: Jesus ken ik, en Paulus ken ik ook; maar wie zijt gij?
15A wen jued japen irail indada: I aja Iejuj, o i aja duen Pauluj, a komail, ij komail?
16En de man met den bozen geest sprong op hen los, overmeesterde en mishandelde hen, zodat ze naakt en gewond het huis uit vluchtten.
16A aramaj o, me nen jued mi poa, ap luje don irail o kaloe irail edi. Ir ari tana jan nan im o kilijo o kili olar.
17Dit werd bekend aan alle Joden en heidenen, die in Éfese woonden; allen werden van vrees vervuld, en de naam van den Heer Jesus werd verheerlijkt.
17A met lok jili ren men Juj o Krik akan, me kaujon Epijuj. O majak kipa irail edi, o mar en Kaun Iejuj me lomuinlar kaualap.
18Velen van hen, die geloofden, kwamen openlijk belijden, wat ze misdaan hadden.
18O me ian pojonlar me toto kodo weokadar o kajaledar arail wiawia kan.
19Anderen, die met toverkunsten hadden omgegaan, brachten de boeken, en verbrandden ze voor aller ogen; de waarde ervan werd op een bedrag van vijftig duizend zilverstukken geschat.
19O pil me toto, me kati ani, wa pena nairail puk o ijik ir ada mon karoj; ir ari wadok pwain ar o diar, me a dok on moni limenen.
20Zo groeide het Woord door ‘s Heren kracht, en werd het machtig.
20Majan en Kaun ari pwaidar kaualap.
21Toen deze zaak was geregeld, maakte Paulus het plan, om over Macedónië en Achaja naar Jerusalem te gaan; en hij voegde er aan toe: Als ik daar ben geweest, moet ik ook Rome bezoeken.
21Murin mepukat Pauluj ap kotin inon ion ni nen e kakan jili wein Majetonien o Akaia, ap kotilan Ierujalem majanidar: I lao milar waja o, i pil pan kilan Rom.
22Hij zond twee van zijn helpers, Timóteus en Erastus, naar Macedónië vooruit, terwijl hij zelf nog enige tijd in Azië bleef.
22I ari kadarala Majetonien riamen, kijan me papa i: Timoteuj o Erajtuj. A pein i kotikoteta maj nan Ajien.
23Maar juist in deze tijd brak er een geweldige op. schudding los aangaande de Weg
23I anjau me moromoron laud wiauier pweki lamalam.
24Er was namelijk een zekere zilversmid, Demétrius genaamd, die zilveren tempeltjes van Diana vervaardigde, en de kunstenaars daarmee veel geld liet verdienen.
24Pwe amen, me ad a Demetriuj, jaunmata amen, me kin wiada im en kaudok jilper kan on Diana, me kare on irail, me kin wiawiada, moni toto.
25Deze mannen en ook de werklieden in dat bedrijf riep hij bijeen, en zeide: Mannen! Gij weet, dat we aan dit bedrijf onze welstand hebben te danken.
25I ap kapokon irail pena o toun dodok en jon ota indada: Main ko, komail aja, me dodok wet meid kadepa on kitail, pwe i me kitail kapwapwaki.
26Nu ziet gij en hoort gij, hoe deze Paulus niet slechts te Éfese, maar in bijna gans Azië heel wat mensen door zijn redeneren er afkerig van maakt. Want hij beweert: Wat met de hand wordt gemaakt, zijn geen goden.
26A komail kilekilan o roneron, me Pauluj men et kin kaloedi o kawukila aramaj toto a kaidin nan Epijuj eta, pwe pil koren ion nan Ajien pon, ni a kin padaki on aramaj akan, me dene kaidin irail kot akan, me wiaui pan pa en aramaj akan.
27We lopen dus gevaar, dat niet alleen ons bedrijf in miscrediet komt, maar dat ook de tempel van Diana, de grote godin, in minachting geraakt; ja, dat zij zelf, die door heel Azië en heel de wereld vereerd wordt, van haar majesteit zal worden beroofd.
27Mepukat meid apwal on kitail. Pwe kaidin atail dodok eta me pan kamala, pwe pil im kaudok en kot Diana lapalap o a linan, me toun Ajien o jappa karoj kin kaudoki on pan jorela.
28Toen ze dit hoorden, werden ze woedend, en schreeuwden het uit: Groot is de Diana der Efesiërs.
28Irail lao roner mepukat, re ap makara kida kaualap o weriweradar indada: Meid lapalap Diana en men Epijuj!
29En de hele stad kwam in rep en roer. Als één man stormde alles naar het theater en men sleepte ook de Macedoniërs Cajus en Aristarchus, de reisgenoten van Paulus, daar heen.
29A karoj toun kanim o ap pinidar, wiaki eu, tanalan im en madon, tanaki Kaioj o Arijtar kuj men Majetonien, me waroki on Pauluj oko.
30Paulus wilde zich onder het volk begeven, maar de leerlingen hielden hem tegen;
30A Pauluj lao pan kotilon nan pokon o, tounpadak kan ap jota mueid on i.
31ook enigen der Asiarchen die hem genegen waren, lieten hem dringend verzoeken, zich niet in het theater te wagen.
31O jaumaj en Ajien kai, me kompokepa kan, ilake don i, panaui i, ender kotilan im en madon o.
32De vergadering zelf was in de grootste verwarring; de een riep dit, de ander dat; de meesten wisten niet eens, waarom ze saamgekomen waren.
32Ari, akai wia eu jon en lokaia, a akai eu, pwe pokon o pinidar. A me toto re ’rail jaja karep en ar pokon pena.
33Nu drongen de Joden een zekeren Alexander uit de menigte naar voren, om uitleg te geven. Alexander wenkte met de hand om stilte, en wilde een pleidooi tot het volk beginnen.
33Irail jikon jan nan pokon o Alekjander; Juj oko me jikonla i. A Alekjander olol on irail, ap men japen pokon o.
34Maar zodra ze bespeurden, dat hij een jood was, begonnen ze allemaal te loeien, en schreeuwden bijna twee uren lang: Groot is de Diana der Efesiërs.
34Irail lao aja, me i kijan Juj oko, re ap wiaki eu weriwerada auer riau: Meid lapalap Diana en men Epijuj!
35De stadssecretaris bracht eindelijk de menigte tot bedaren, en sprak: Efesiërs, wie ter wereld zou niet weten, dat de stad der Efesiërs de grote Diana vereert en haar beeld, dat uit de hemel is gevallen?
35A jaunintin en kanim o lao kadukiedi pokon o, ap indada: Komail ol oko en Epijuj, ij aramaj, me jaja, me kanim en men Epijuj kin kaukaudoki on Diana lapalap o dikedik, me pupedi jan nanlan?
36Daar dit dus vaststaat, moet gij u rustig houden, en niet onberaden te werk gaan.
36A ma jota, me pan kak kalikame mepukat, komail en nenenla o der wiada me japun!
37Want gij hebt deze mannen hier gebracht, die geen heiligschenners zijn, en geen lasteraars van uw godin.
37Pwe komail ukedo ol pukat, me jota kin kuliada im en kaudok o, pil jota lalaue omail kot li.
38Wanneer Demétrius en zijn vakgenoten klachten tegen iemand hebben, welnu er worden rechtszittingen gehouden en er zijn proconsuls; laat ze elkaar voor het gerecht dagen.
38A ma Demetriuj o ian a kan mauki meakot ren amen, kapun ap pan wiaui, pwe jaunkapun kai mia, ren kapukapun re ’rail.
39En zo gij nog iets anders verlangt, dan zal het in een wettige vergadering worden behandeld.
39A ma komail mauki eu jon toror, i me pan kapunala nan kapun o.
40Zo lopen we gevaar, van oproer te worden aangeklaagd om wat vandaag is gebeurd; want er bestaat geen enkele reden, waarmee we deze oploop verantwoorden kunnen.
40Pwe kitail pan pukoki moron en ran wet, pwe jota karepen, me kitail en kapunki pokon wet ar tanatan pena.
41Met die woorden ontbond hij de vergadering.
41A lao majani on irail mepukat, ap kadar pajan pokon o.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.