Handelingen 18
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
1Hierna vertrok Hij uit Athene, en ging naar Korinte.
1MURIN mepukat a kotila jan Aten o kotilan Korint,
2Hij trof er een zekeren Aquila aan, een jood afkomstig uit Pontus, die kort te voren met Priskilla zijn vrouw, uit Italië was gekomen, omdat Cláudius bevolen had, dat alle Joden Rome zouden verlaten. Hij ging naar hen toe;
2A lao diaradar Juj amen me ad a Akwila me ipwidier Pontuj, me apton kodo jan Italien o a paud Prijila, aki Klaudiuj majani, me Juj oko karoj en kokoke jan Rom, i ari kotilan re ’ra.
3en omdat hij hetzelfde vak uitoefende, bleef hij bij hen, en werkten ze samen; ze waren tentenmakers van beroep.
3O kotikot re ’ra, ian dodok, pwe ira jon ta ieu wiada im likau.
4Maar iedere sabbat disputeerde hij in de synagoge, en trachtte hij Joden en heidenen te overtuigen.
4O ni ran en japat karoj a kin kotin padapadak nan jinakoke o kalekalolekone men Juj o men Krik kan.
5Toen echter Silas en Timóteus uit Macedónië waren gekomen wijdde Paulus zich weer geheel aan de prediking, en betuigde aan de Joden, dat Jesus de Christus is.
5A Jilaj o Timoteuj lao kodido jan Majetonien, Pauluj kotin jopijokki kaualap padak o, pwe a kadede on Juj akan, me Iejuj me Krijtuj.
6Maar daar ze zich bleven verzetten en begonnen te schelden, schudde hij het stof van zijn kleren, en zeide tot hen: Uw bloed kome neer op uw eigen hoofd; ik ben er onschuldig aan. Van nu af zal ik tot de heidenen gaan.
6A irail lao akamai o lalaue, a ap jipededi japwilim a likau majani on irail: Dip omail en kapokon on pein komail. Nai me makelekel jan met, i pan kola ren men liki kan.
7Hij ging heen, en begaf zich naar het huis van zekeren Titus Justus, een godvrezende, die naast de synagoge woonde.
7I ari kotila jan waja o ap kotilan nan im en amen me ad a Jujt me kin kaudok on Kot, me im a pat on jinakoke.
8Crispus echter, de overste van de synagoge, geloofde met heel zijn gezin in den Heer; ook talrijke Korintiërs gaven gehoor, geloofden, en werden gedoopt.
8A Krijpuj, jaumaj en jinakoke pojonla Kaun o, ianaki karoj toun im a; toun Korint me toto lao ronada, ap pojonla o paptaijela.
9Eens in de nacht sprak de Heer tot Paulus in een visioen: Wees niet bevreesd, maar spreek, en zwijg niet.
9Kaun o ap kotin majani on Pauluj ni a auramen ni pon: Der majak, padapadak ender nenenla!
10Want Ik ben met u, en niemand zal de hand aan u slaan, om u kwaad te doen; en er is in deze stad een talrijke schare, die Mij toebehoort.
10Pwe Nai ian uk, o jota me pan jair uk, pwen kame uk, pwe nai aramaj me toto nan kanim wet.
11Zo bleef hij daar een jaar en zes maanden, en onderwees onder hen het woord Gods.
11I ari kotikot waja o par eu o jaunipon wonu kaweweda majan en Kot nan pun arail.
12Maar toen Gállio proconsul van Achaja was geworden, deden de Joden eenparig een aanval op Paulus, en daagden hem voor de rechterstoel
12Ni muein Kalion kakaundar Akaia, Juj akan ap wiaki eu, jaikidi Pauluj o wa don i mon mol en kadeik o,
13met de aanklacht: Deze man haalt de mensen over, God te dienen op een manier, die strijdig is met de Wet.
13Indada: Lap men et kin pitipiti aramaj, ren kaudok on Kot ap palian kapun.
14Toen Paulus nu de mond wilde openen, sprak Gállio tot de Joden: Ging het over enig onrecht of misdrijf, dan Joden, zou ik volgens recht u geduldig aanhoren.
14Pauluj lao men majanda, Kalion ap majani on Juj oko: Komail Juj oko, ma japun eu de me jued kot, i pan ron komail.
15Maar zijn het geschillen over een woord, over namen, of over uw Wet, regelt dat zelf; over zulke dingen wil ik geen rechter zijn.
15A ma akamai duen lamalam, o ad akan, o omail kapun, nan pein komail pan wia, pwe nai jota men jaunkapun pan mepukat.
16En hij joeg ze van de rechterstoel weg.
16I ari jiken ir wei jan ni mol en kadeik o.
17Maar nu wierpen allen zich op Sóstenes, den overste der synagoge, en nog voor de rechterstoel gaven ze hem een pak slaag, zonder dat Gállio tussenbeide kwam.
17A karoj ap jaikidi Jojtenej, jaumaj en jinakoke o woki i mon mol en kadeik o. A Kalion jota injenoki mepukat karoj.
18Na een langdurig verblijf nam Paulus afscheid van de broeders, en zette koers naar Syrië in gezelschap van Priskilla en Aquila; maar eerst had hij in Kénchreën zijn hoofd laten scheren, want hij had een gelofte
18Pauluj lao kotikot waja o ran toto, ap kotin kamurimuri on jaulan kan o ianala jop pot kotilan Jirien; Prijila i Akwila ian i. Maj a kotin kotedar tapwi nan Kenkraa, pwe a inau mia.
19Ze kwamen te Éfese aan, en daar liet hij hen achter. Hij zelf begaf zich naar de synagoge, en disputeerde met de Joden.
19I ari jupi on Epijuj, pwilikidi on ira waja o, a pein i kotilon on nan jinakoke o kaparok on Juj oko.
20Op hun verzoek, om langer te blijven, ging hij niet in.
20Irail poeki i, en mimieta re ’rail anjau warai, a jota kotin duki on.
21Hij nam afscheid en sprak: Als God het wil, kom ik weer bij u terug. En hij vertrok uit Éfese.
21O a kotin kamurimuri on irail majani: I udan ian kamadip kokodo nan Ierujalem. A ma Kot pan kotin mueid on ia, i pan pure don komail. A ap kotin maj el jan Epijuj.
22Hij landde te Cesarea, trok verder het land in begroette de gemeente, en keerde toen naar Antiochië terug.
22A lao kotin keredi Jajarea, ap kotidala ranamau on momodijou ap kotilan Antiokien.
23Nadat hij daar enige tijd had doorgebracht, vertrok hij weer, reisde achtereenvolgens de streek van Galátië en Frúgië door, en bevestigde er al de leerlingen.
23A kotikot waja o anjau kij, ap kotila kakan jili nan wein Kalatia, o Prikien, kakelada tounpadak kan karoj.
24Intussen was er te Éfese een jood aangekomen, Apollo genaamd; hij was Alexandrijner van geboorte, een welsprekend man, en ervaren in de Schriften.
24A men Juj amen, me ad a Apoluj, me tikidar Alekjandrien, iei ol kadek lokaia, o me ereki kijin likau kan, a ko don Epijuj.
25Hij was in de weg des Heren onderwezen, sprak met veel vuur, en leerde nauwkeurig alwat Jesus betrof; toch kende hij alleen de doop van Johannes
25Men et aleer padak ni al en Kaun o, o a kelail ni nen e, a padapadak o kaweweda mau meakan duen Iejuj; a paptaij en Ioanej me a aja.
26En met grote vrijmoedigheid trad hij in de synagoge op. Toen Priskilla en Aquila hem hadden gehoord, namen ze hem met zich mee, en zetten hem de weg van God nauwkeuriger uiteen.
26I ari tapiada aima padapadak nan jinakoke. A Akwila o Prijila lao ron i, ap uke don ira i, kawewe on i al en Kot.
27En toen hij het verlangen te kennen gaf, naar Achaja te gaan, moedigden de broeders hem daartoe aan, en schreven aan de leerlingen, dat ze hem goed zouden ontvangen. Daar aangekomen, was hij door de genade een grote aanwinst voor de gelovigen;
27A lao men kola Akaia, jaulan kai ap intin won tounpadak kan, poeki re ’rail, ren kajamo i. I lao pwarado, ap jauaja irail, me pojon kilar mak en Kot.
28want hij weerlegde in het openbaar de Joden met grote kracht, en bewees uit de Schriften, dat Jesus de Christus is.
28Pwe a manaman on Juj akan, kajale on irail jan kijin likau kan me Iejuj me Krijtuj.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.