Handelingen
Chapter 14
Petrus Canisius Bible, 1…

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Old Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Kadede Kap (Pohnpe…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
1In Ikónium gingen ze eveneens de synagoge der Joden binnen, en spraken er zó, dat een grote menigte Joden en heidenen geloofde.
1A IET me wiauier nan Ikonien: Ira karoj kotilon on nan jinakoke en Juj oko, ap padapadak kelail, lao kijan men Juj o Krik toto pojonla.
2Maar de Joden, die niet geloofden, hitsten de heidenen op, en verbitterden ze tegen de broeders.
2A Juj oko, me jo pojon, kamokimokid men liki kai o kalolap irail on jaulan kan.
3Toch bleven ze er geruime tijd, en traden met vrijmoedigheid op; ze vertrouwden op den Heer, die getuigenis gaf voor het woord zijner genade, en door hun handen tekenen en wonderen deed.
3A ira mimieta warai waja o, o aima padapadak duen kupur en Kaun o, me kotin kapwaiada majan kupur a, ni a kotin kajaleda kilel o manaman akan ki lim ara.
4De bevolking der stad bleef verdeeld: enigen waren voor de Joden, anderen voor de apostelen.
4A toun kanim liak toror pajan. Akai me ian Juj oko, a akai ian wanporon akan.
5Toen er nu onder de heidenen en onder de Joden met hun oversten een sterke beweging ontstond, om hen te mishandelen en te stenigen,
5A moromoron lao wiauier jan ren men liki kan o pil Juj oko ianaki ar jaumaj akan, pwen kame o kate ira,
6vluchtten ze, zodra ze het merkten, naar Lustra en Derbe, de steden van Lukaónië en haar omgeving.
6Ira lao manier, ap pitilan kanim Likaonien, o Lijtra, o derpe, o jap me mi imp a,
7Ook daar verkondigden ze het evangelie.
7Waja o ira padapadak ronamau.
8Nu was er te Lustra een man, die geen kracht in zijn voeten bezat, en moest blijven zitten; hij was lam van zijn geboorte af, en had nog nooit kunnen lopen.
8A ol amen momod Lijtra, me pat en na luet o kokon danidan jan ni a tikitik, me jaikenta alu.
9Ook hij hoorde Paulus spreken. Deze nam hem nauwkeurig op, zag, dat hij het geloof bezat, om redding te bekomen,
9I me kin roneron en Pauluj a padak. A lao majani i, ap kotin kajauiada, me a pojon itar on en kakelailada,
10en riep met luider stem: Sta recht op uw voeten. En hij sprong op, en liep.
10Ap kotin kapitie laudeda majani: Ukida na om! I ari liuijinkadar o aluwei.
11Toen de menigte zag, wat Paulus gedaan had, jubelde ze in het lukaonisch: De goden zijn in menselijke gedaante tot ons neergedaald.
11Aramaj lao kilaner, me Pauluj kotin wiadar, rap nilada kapitiki nin lokaia en Liakonien: Kot akan wia aramajala ap kot i don kitail.
12Bárnabas noemden ze Júpiter, en Paulus Hermes omdat deze het woord had gevoerd.
12Irail ari ki on mar en Parnapaj lupiter, a Pauluj Merkuriuj, pweki a kaunda kaparok.
13En de priester van Júpiter, den beschermgod der stad, bracht stieren en kransen in de portieken, en wilde met het volk een offer brengen.
13A jamero en lupiter, me kin mi mon kanim o, ap wado kau ol o al en tuka kai mon kanim o, ap men ian pokon o wia mairon ijij.
14Maar toen de apostelen Bárnabas en Paulus dit hoorden, scheurden ze hun kleren, wierpen zich onder de menigte,
14A wanporon oko Parnapaj i Pauluj lao mani mepukat, ira ap ter pajan ara likau o tan won nan pun en aramaj akan likelikwir:
15en riepen: Mannen, wat gaat gij beginnen? Ook wij zijn sterfelijke mensen, evenals gij. We komen u juist verkondigen, dat gij u van deze dwaasheden moet bekeren tot den levenden God. Hij is het, die de hemel, de aarde, de zee en al wat erin is, gemaakt heeft;
15Main ko, da me komail wiawiaki mepukat? Kit aramaj dueta komail, ap padaki on komail, pwe komail en wuki jan kot mal pukat, wuki on Kot ieiaj, me kotin kapikadar lan, o jappa, o jed, o audepa ’rail karoj.
16die in het verleden wel toeliet, dat alle volkeren hun eigen weg zouden gaan,
16Me kotin mueid on toun jap karoj en wia pein injen ar maj o.
17maar die Zich toch nooit onbetuigd heeft gelaten, juist door zijn weldaden: door van de hemel regen en vruchtbare tijden te geven, door u in overvloed voedsel en vreugde des harten te schenken.
17Ari jo, a jota kotin okila pein i, pwe a kotin wiawia mau o kotiki on komail katau jan nanlan o rak o, o kadireki nan monion omail mana o peren.
18En zelfs door zó te spreken, konden ze ternauwernood het volk weerhouden, om offers aan hen te brengen.
18Ira kotin majani mepukat, a ekij ta, ira jota kak katukiedi en pokon o ar pan mairon on ira.
19Maar nu kwamen er Joden van Antiochië en Ikónium. Ze praatten het volk om, stenigden Paulus, en sleurden hem buiten de stad, in de mening, dat hij dood was.
19A Juj oko ap kodo jan Antiokien o Ikonien, kamakarada aramaj. Ir ari kate Pauluj o uradokilan likin kanim o, re ap kiki on, me a matalar.
20Doch toen de leerlingen om hem heen kwamen staan, richtte hij zich op, en ging de stad binnen. De volgende dag vertrok hij met Bárnabas naar Derbe.
20A ni en tounpadak kan ar kapil pena i, a kotida ap kolon on nan kanim o, a manda a ian Parnapaj koieila Derpe.
21En nadat ze in die stad het evangelie hadden verkondigd, en veel leerlingen hadden gewonnen, keerden ze over Lustra en Ikónium naar Antiochië terug.
21Ira lao padapadak ronamau nan kanim o, o kajaulanaiar me toto, ira ap purela Lijtra, o Ikonien, o Antiokien.
22Ze bevestigden de leerlingen in hun goede gezindheid, vermaanden hen, om in het geloof te volharden, en zeiden, dat we door veel verdrukkingen het koninkrijk Gods moeten ingaan.
22Ira kakelada nen en tounpadak kan o panaui irail, me ren dadaurata pojon, o me kitail en leleki wein Kot kamekam toto.
23In elke gemeente stelden ze, na bidden en vasten, door oplegging der handen priesters over hen aan, en bevalen ze aan bij den Heer, in wien ze hadden geloofd.
23Ira lao kajapwilada jaunkoa kai nan momodijou karoj, ap kapakap o kaijejol, ap kapakapa ki irail ren Kaun o me re pojonlar.
24Vervolgens trokken ze Pisidië door, en kwamen in Pamfúlië.
24Ira kakan jili Pijidien ap lel on Pampilien.
25En na te Perge het woord te hebben verkondigd, gingen ze naar Attália.
25Ira lao padaki duen majan o nan Perke, ap kotilan Atalien.
26Vandaar keerden ze per schip naar Antiochië3 terug, waar men hen aan Gods genade had toevertrouwd voor het werk, dat ze thans hadden volbracht.
26A jan ni waja o ira tanalan Antiokien, waja ira japwile kidar mak en Kot on dodok o me ira kapwaiadar.
27Na hun aankomst riepen ze de gemeente bijeen, en verhaalden, wat grote dingen God door hen had verricht, en hoe Hij voor de heidenen de deur van het geloof had geopend.
27Ira lao pwarador, ap kapokon pena momodijou, rap kotin kajoia on irail duen en Kot a kotin wiaki ira, o duen a kotin ritinada wanim en pojon en men liki kan.
28Geruime tijd bleven ze daar bij de leerlingen.
28Ira ap kotikot warai ren tounpadak kan.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.