Handelingen 9
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
1Intussen ziedde Saul nog altijd van dreigementen en moordlust tegen de leerlingen des Heren. Hij ging naar den hogepriester,
1A JAULUJ dadaurata a linaranaraki tounpadak en Kaun akan, ap pan kame ir ala, o kola ren jamero lapalap o,
2en vroeg hem brieven voor de synagogen te Damascus, om alle lieden van dit soort, mannen als vrouwen, geboeid naar Jerusalem te voeren.
2Poeki re a kijin likau on jinakoke en Damajkuj akan, pwe ma a pan diar meamen, me ianala lamalam, ol de li i en jali irail edi o kalualan Ierujalem.
3Maar toen hij op zijn reis Damascus naderde, bliksemde eensklaps een licht uit de hemel om hem heen.
3A ni a japajapal kokola koren ion Damajkuj, marain eu kodido jan nanlan, jereda i.
4Hij viel op de grond, en hoorde een stem, die hem zeide: Saul, Saul, waarom vervolgt ge Mij?
4Ni a pupedi nani pwel, ap ronada nil eu, me majani on i: Jaul, Jaul, da me koe kame kin ia?
5Hij sprak: Wie zijt Gij Heer? En de stem: Ik ben Jesus, dien gij vervolgt; (het valt u hard terug te slaan tegen de prikkel
5A ap inda: Ij komui Main? A kotin majani: Nai Iejuj, me koe kin kame.
6Sidderend van angst zeide hij: Heer, wat wilt Gij, dat ik doe? En de Heer zeide tot hem:) Sta op, en ga naar de stad; daar zal men u zeggen, wat ge moet doen.
6Paurida, kolan nan kanim en, nan a pan loki on uk, me koe en wiada.
7De mannen, die met hem reisden, stonden sprakeloos van verbazing; want ze hoorden wel de stem maar zagen niemand.
7A ol oko, me ian i kokola, japaimokid, pwe re ronadar nil o, ap jota amen me re kilanadar.
8Nu stond Saul op van de grond; maar al waren zijn ogen open, hij zag niets. Men leidde hem dus bij de hand, en bracht hem naar Damascus.
8Jauluj paurida jan nan pwel, maj a papad eta, ap jota kilan meamen. A re kolokol pa a, kalualan I Damajkuj.
9Hij bleef er drie dagen zonder te zien; hij at niet en dronk niet.
9I ari jota kilan waja pon jili pon. A jo kan de nim meakot.
10Te Damascus woonde een leerling, Ananias genaamd. De Heer sprak tot hem in een visioen: Ananias. Hij antwoordde: Hier ben ik, Heer.
10A tounpadak amen mi Damajkuj, ad a Ananiaj me Kaun o kotin majani on ni kajanjal eu: Ananiaj! I ari potoan on: let nai Main!
11De Heer zeide hem: Sta op, en ga naar de straat, de Rechte genaamd, en vraag in het huis van Judas naar een man uit Tarsus Saul geheten. Zie, hij is in gebed,
11Kaun o ap kotin majani on i: Paurida kowei on nani al o, me ad a Inen, ap idok nan im en Iudaj amen, me mar a Jauluj enTarjuj. Pwe kilan, a kapakap
12en hij heeft een man zien binnenkomen, die Ananias heet, en hem de handen oplegt, om hem weer te doen zien.
12A kilaner ol amen ni kajanjal eu, me ad a Ananiaj, me ko don i o pwil poa pa a kan, pwe a en kilanki waja.
13Maar Ananias antwoordde: Heer, ik heb van velen gehoord, hoeveel kwaad die man uw heiligen te Jerusalem heeft berokkend.
13A Ananiaj potoan on: Main, i ronadar ren aramaj toto duen ol men et, duen a kin kaokaoe japwilim ar jaraui kan, me mi Ierujalem.
14En hij is hier met een volmacht van de opperpriesters, om allen, die uw Naam aanroepen, in boeien te slaan.
14O a aleer jan ren jamero lapalap akan manaman, en jaliedi karoj, me kin likwir on mar omui.
15Maar de Heer sprak tot hem: Ga. Want die man is Mij een uitverkoren werktuig, om mijn Naam te verkondigen voor volkeren en vorsten, en Israëls zonen;
15A Kaun o kotin majani on i: U kowei, pwe iei ol o, me I piladar, en wala mar ai ren men liki o nanmarki kan o men Ijrael.
16en Ikzelf zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet voor mijn Naam.
16Pwe I pan kajanjale on i duen won a pan kamekameki mar ai.
17Nu ging Ananias heen, trad het huis binnen, legde hem de handen op, en sprak: Broeder Saul, de Heer Jesus, die u onderweg is verschenen, heeft mij gezonden, opdat ge weer zien moogt, en vervuld moogt worden van den Heiligen Geest.
17Ananiaj ari kola, pedelon on nan im o, pwil poa pa a pokon, indada: Ri (ai) Jaul, Kaun o me kotin porone ia do; iei Iejuj, me kotin pwara don komui nani al o ni omui kokodo, pwe komui en kilanada waja o dire kila Nen jaraui.
18Aanstonds vielen hem, om zo te zeggen, de schillen van de ogen, en hij zag weer. Hij stond op, en werd gedoopt.
18A madan likamata un en mam akai, me pupedi jan ni maj a, i ari kilanadar waja o udar paptaijelar.
19Toen nam hij voedsel, en kwam weer op krachten. Nu bleef hij enige dagen bij de leerlingen te Damascus,
19I lao manaer, ap kelailadar, ap mimieta ren tounpadak en Damajkuj akan ran akai.
20en aanstonds begon hij in de synagogen te preken, dat Jesus Gods Zoon is.
20A madan padapadak nan jinakoke kan duen Iejuj, me i japwilim en Kot.
21Allen die het hoorden, stonden verbaasd, en zeiden: Is dat niet de man, die te Jerusalem allen trachtte uit te roeien, die deze Naam aanroepen; en is hij niet hierheen gekomen, om ze in boeien voor de opperpriesters te slepen?
21A karoj, me roneron i, puriamui kila indada: Kaidin i, me kin kaokaoe ir, me kin likwir on mar wet nan Ierujalem o kodo waja et, pwen jali ir edi, kalua ren jamero lapalap akan?
22Maar Saul trad steeds krachtiger op, en bracht de Joden, die te Damascus woonden, van hun stuk, door te bewijzen: Hij is de Christus
22A Jauluj me manaman kokoda o kapinada Juj oko, me kaujon Damajkuj ni a kawewedar, me i me Krijtuj.
23Na enige tijd spanden de Joden dan ook samen, om hem te doden.
23Kadekadeo murin ran toto Juj oko kapun pena en kamela i.
24Hun plan werd echter aan Saul bekend. En daar ze dag en nacht wacht bij de poorten hielden, om hem te vermoorden,
24A Jauluj roner, me re majamajan i; irail pil majamajan wanim akan ni ran o ni pon, pwen kamela i.
25namen de leerlingen hem op een nacht mee, en lieten hem over de stadsmuur in een mand naar beneden.
25A tounpadak kan ale i ni pon apiekidi kopou eu jan pon kel o.
26Te Jerusalem aangekomen, trachtte hij zich bij de leerlingen aan te sluiten. Maar allen waren bang voor hem; want ze geloofden niet, dat hij een leerling was.
26A Jauluj lao pwara don Ierujalem a jojon waroki on tounpadak kan, irail karoj majak i, pwe irail jota kamelele, me i tounpadak amen.
27Doch Bárnabas nam hem bij zich op, bracht hem bij de apostelen en deelde hun mee, hoe hij onderweg den Heer had gezien en deze hem had toegesproken, en hoe hij te Damascus vrijmoedig gepreekt had in Jesus’ naam.
27A Parnapaj ale i o kare don i ren wanporon akan, o katiti on irail, duen a kilanadar Kaun o nani al o, o me a kotin majani on i. o duen a jo majak padapadaki ni mar en Iejuj nan Damajkuj.
28Toen ging hij te Jerusalem vertrouwelijk met hen om, trad met vrijmoedigheid op in de naam des Heren,
28I ari ian irail er kotin pedepedoi jan o pedepedelon on nan lerujalem o padaki aima ni mar en Kaun o.
29en redetwistte met de hellenisten maar die zochten hem te doden.
29I o men Krik kai majan o akamai pena, a re jon kamela i.
30Toen de broeders dit bemerkten, brachten ze hem naar Cesarea, en lieten hem vandaar naar Tarsus vertrekken.
30Jaulan kan lao ajaer, ap ian i kolan Jajarea, ap kadaralan i Tarij.
31Nu genoot de kerk vrede in heel Judea, Galilea en Samaria; steeds meer nam ze toe in de vreze des Heren, en breidde zich uit door de inspraak van den Heiligen Geest.
31A momodijou kan ap popol o pwaidar nan Iudaa, o Kalilaa, a Jamaria, o re weweid ni majak en Kaun o, o toto kilar popol en Nen jaraui.
32Eens op een rondreis bezocht Petrus ook de heiligen die te Ludda woonden.
32A Petruj lao kakan jili nan jap akan, a pil kotila ren me jaraui kan, me kaukaujon Lida.
33Daar vond hij een man, Eneas genaamd. die sinds acht jaren bedlegerig was en verlamd.
33A diaradar aramaj amen waja o, me ad a Aneaj, me wonon par walu, pwe me kokon danidan.
34En Petrus zeide hem: Eneas, Jesus, de Christus, geneest u; sta op, en spreid uw eigen bed. Ogenblikkelijk stond hij op.
34Petruj ari majani on i: Aneaj, Iejuj Krijtuj kakel uk ada. Paurida, pein lim pena ki om! I ari paurida madan.
35Al de inwoners van Ludda en van de Sjarónvlakte zagen hem, en bekeerden zich tot den Heer.
35A karoj me kaukaujon Lida o Jaron, kilanada i, re ap wuki on Kaun o.
36Nu woonde er te Joppe een leerlinge, Tabita genaamd, wat Dorkas betekent; ze deed vele goede werken en gaf veel aalmoezen.
36A tounpadak li amen mi Ioppe, me ad a Tapea (iet wewe: Torkaj), i me dir en wiawia mau kan o kijakij wei.
37Juist in die dagen werd ze ziek en stierf; men waste haar, en legde haar in de opperzaal neer.
37A kadekadeo ni ran oko a Jomaudar o melar. Irail lao duper i, ap nekidala nan pera poa.
38Daar Ludda dicht bij Joppe ligt, en de leerlingen hadden vernomen, dat Petrus zich dáár bevond, zonden ze twee mannen naar hem toe, met het verzoek: Kom zonder uitstel naar ons over.
38A Lida me koren ion lope. Tounpadak kan lao roner, me Petruj kotikot waja o, rap kadarala ol riamen re a, poekipoeki: Kom der peikajal, koti don kit!
39Petrus stond op, en ging met hen mee. Bij zijn aankomst bracht men hem in de opperzaal. Wenend stonden daar alle weduwen om hem heen, en toonden hem al de mantels en kleren, die Dorkas gemaakt had, toen ze nog leefde.
39Petruj ari kotida ian ir ala. I lao pwarado, re ap ukadala i pera poa, o li odi karoj u impa, janejan o kapwareda jakit o likau kan, me Torkaj wiadar ni a mimi re ’rail.
40Petrus zond allen heen, knielde neer, en bad. Toen keerde hij zich tot de dode, en sprak: Tabita, sta op. Ze opende haar ogen, en ging overeind zitten, toen ze Petrus zag;
40A Petruj kiiei jan ir karoj, ap kelepuki kapakap, ap jaupei on kalep o majani: Tapea. paurida! I ari pad pajan, kilanada Petruj, ap modadar.
41hij reikte haar de hand, en richtte ze op. Nu riep hij de heiligen en de weduwen binnen, en plaatste haar levend in hun midden.
41I ari koledi pa a, kauada i. A lao eker pena me jaraui o li odi kan, ap kajale on irail i a maureda.
42Dit werd in heel Joppe bekend, en velen geloofden in den Heer.
42Ari a loki jili nan lope, o me toto pojonla Kaun o.
43Nog geruime tijd bleef hij te Joppe, bij zekeren Simon, een leerlooier.
43I ari kotikoteta lope ran toto ren jaun me wiada kil en man amen, me ad a Jimon.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.