Handelingen 21
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
1Toen we afscheid van hen hadden genomen, en afgevaren waren, stevenden we rechtdoor naar Kos, de volgende dag naar Rodus, en vandaar naar Pátara.
1KADEKADEO kit lao majelwei jan murin at kamurimuri on irail je tanatan inen won Kuj, a manda lel on Roduj, a jan waja o je tanalan Patara.
2Hier troffen we een schip, dat naar Fenicië voer; we gingen aan boord en staken in zee.
2Kit lao diaradar jop pot, me pan kola Ponijien, je ap keredan poa majelwei.
3Toen we Cyprus in het gezicht kregen, lieten we het links liggen, zetten koers naar Syrië, en landden te Tyrus; want daar moest het schip de lading lossen.
3Kit lao kilaner Jipern, je dauli ni pali maun, tanatan kolan Jirien ap jupi on Tiruj, pwe i waja audepan jop o pan pwilidi ia.
4We zochten daar de leerlingen op, en bleven er zeven dagen lang; ze bezwoeren Paulus door den Geest, niet naar Jerusalem te gaan
4Je lao diaradar tounpadak kan, kit ap mimieta waja o ran iju. Irail ap majanki Nen, Pauluj ender kodalan Ierujalem.
5Nadat we er die dagen hadden doorgebracht, vertrokken we, en reisden verder; allen vergezelden ons met hun vrouwen en kinderen tot buiten de stad. Op het strand knielden we neer in gebed;
5Kadekadeo kit lao kaimwijokila ran oko, je ap majel kokola. Irail karoj me likid kit lel likin kanim, li o jeri kan pil ian; kit ap kelepuki ni oror, o kapakap.
6toen zeiden we elkander vaarwel. Wij bestegen het schip, en zij keerden naar huis terug.
6Kit lao kamurimur pena, je ap kereda pon jop o, a irail purelan deu ’rail.
7We zeilden nu van Tyrus naar Ptolemaïs, waar we onze zeereis ten einde brachten; we gingen er de broeders begroeten, en vertoefden één dag onder hen.
7Kit tanatan kodo jan Tiruj ap ko don Ptolomaij; kit ap ranamaui jaulan kan o kairu re ’rail ran eu.
8De volgende dag vertrokken we weer, en kwamen te Cesarea aan. We begaven ons naar het huis van Filippus, den evangelist, een van de zeven en we bleven bij hem;
8A mandan ran o je majeler, ap lel on Jajarea, kit ap pedelon on nan im en jaunpadak Pilipuj, me kijan ijimen oko, o mimieta re a.
9hij had vier ongehuwde dochters, die profetessen waren.
9Amen et na jeripein makelekel pamen mia, me kin deideikop.
10Terwijl we daar meerdere dagen vertoefden, kwam er een profeet uit Judea aan, Agabus genaamd.
10A ni at kaukaujon waja o ran toto, jaukop amen ap kodido jan Iudaa, me ad a Akapuj.
11Toen hij ons kwam bezoeken, nam hij de gordel van Paulus, bond zich handen en voeten, en sprak: Dit zegt de Heilige Geest: “Zó zullen de Joden te Jerusalem den man binden, wien deze gordel behoort, en hem overleveren in de handen der heidenen”.
11A lao pwara don kit, ap ale japwilim en Pauluj pirapir pira pena pein pa a o na a kan, ketitiki: let me Nen jaraui kotin majani: let duen men Juj oko, me mi Ierujalem, pan jaliedi ol o, me a pirapir wet, o panalan i nan pa en men liki kan,
12Toen we dit hoorden, drongen we met de broeders dier plaats er op aan, dat hij niet naar Jerusalem zou gaan.
12Kit lao ronada mepukat, kit o pil irail karoj toun waja o ap poekipoeki a ender kotidalan lerujalem.
13Maar Paulus antwoordde: Waarom weent gij, en breekt mij het hart? Ik ben immers bereid, mij te Jerusalem niet alleen te laten binden, maar er zelfs te sterven voor de naam van den Heer Jesus.
13A Pauluj kotin japen: Da me komail janejanki o kawekila nan monion i? Pwe kaidin jalidi eta, me i kak on, pwe pil mela nan Ierujalem pweki mar en Kaun Iejuj.
14Daar hij zich niet liet overhalen, hielden wij ook niet langer aan, maar zeiden: De wil des Heren geschiede.
14A lao jota duki on, kit ap nenenla indada: Kupur en Kaun o en pwaida.
15Na die dagen maakten we ons reisvaardig, en gingen op naar Jerusalem.
15Murin ran pukat je ki pena at kapwa kan o daululan Ierujalem.
16Ook enige leerlingen van Cesarea gingen met ons mee, om ons bij zekeren Mnason van Cyprus te brengen, die reeds sedert lang een leerling was, en bij wien we onderdak zouden vinden.
16A tounpadak en Jajarea kai pil ian kit, o re ukado Mnajon men Jipern, tounpadak ma amen, me je pan kairu re a.
17Toen we te Jerusalem aankwamen, ontvingen ons de broeders met blijdschap.
17Kit lao lel Ierujalem, jaulan kan kajamo kit popol.
18De volgende dag ging Paulus met ons naar Jakobus, waar ook al de priesters bijeen waren gekomen.
18A mandan ran o Pauluj ian kit kotila ren Iakopuj o jaunkoa karoj pokon pena waja o.
19Na de begroeting verhaalde hij in bijzonderheden, wat God door zijn bemiddeling onder de heidenen had verricht.
19A lao ranmaui irail, ap kotin kajokajoia meakan, me Kot kotin wiai on men liki kan ki a dodok.
20Toen ze dit hadden gehoord, verheerlijkten ze God Toch zeiden ze hem: Ge ziet, broeder, hoeveel duizenden Joden er zijn, die gelovig zijn geworden, en die allen ijveraars zijn voor de Wet.
20Irail lao ronadar mepukat, re ap kapinaki Kot indai on i: Ri at kilan men Juj me totoia me ian pojonlar, o irail karoj kin kesempwali kapun o.
21Maar nu hebben ze van u horen zeggen, dat ge afval van Moses leert aan de Joden, die onder de heidenen leven, en hun zegt, dat ze hun kinderen niet mogen besnijden, of volgens onze gebruiken mogen leven
21Nan a loki on irail duen komui, me dene komui kin kaukawewe men Juj, me dondole men liki kan, ren kajela Mojej o padapadaki, re ender jirkomjaij jeri kan, o pil der dadaur tiak kan.
22Wat dus te doen? Ongetwijfeld komt er een talrijke schare bijeen; want men zal vernemen, dat ge gekomen zijt.
22A iaduen, pokon pan wiaui, o re pan ronada, me komui jamador.
23Doe derhalve, wat we u zeggen. Onder ons bevinden zich vier mannen, die een gelofte hebben gedaan.
23Ari, komui pan wiada met, me je pan indai on komui: Ol pamen mi re at, me ar inau mia.
24Neem ze met u mee, laat u gelijk met hen reinigen, en betaal voor hen de kosten opdat ze zich het hoofd kunnen laten scheren; dan zullen allen weten, dat het onwaar is, wat ze over u hebben gehoord, maar dat ge zelf de Wet onderhoudt.
24Uk irail ada o kamakelekel komui da ianaki irail, o pwain irail pwe mon arail en jeijei, o karoj pan kilan, me likam pot, me re roner duen komui, o me komui pil kin kapwaiada kapun o.
25Wat de heidenen betreft, die het geloof hebben aanvaard, we hebben hun onze beslissing doen kennen, dat ze zich moeten wachten voor afgodenvlees, voor bloed en verstikt vlees, en voor ontucht.
25A duen me pojonlar jan ren men liki kan, je intiniedier o kujoned edar, me ren der kapwaiada mepukat. A iet eta: Ren liki jan uduk me mairon on kot likam, O nta, o man mopelar, o nenek.
26Daarom nam Paulus de volgende dag de mannen met zich mee, liet zich tegelijk met hen reinigen, ging met hen de tempel binnen, en kondigde aan, wanneer de dagen der gelofte geëindigd zouden zijn, en het offer voor een ieder van hen zou worden gebracht.
26Pauluj ap kotin ukada ol oko, a manda a kamakelekelada pein i ap ian irail kotilon on nan im en kaudok o kotin kajaledar ran en arail kamakelekel, lel mairon en amen amen wiauier.
27Maar toen de zeven dagen bijna voorbij waren, zagen de Joden uit Azië hem in de tempel. Ze joegen al het volk bijeen, grepen hem vast, en gilden het uit:
27A ran iju lao koren ion nikier, men Juj en Ajien ap kilaner i nan im en kaudok o, rap kamoromoroda aramaj karoj o jaikidi i,
28“Israëlieten, te hulp! Dit is de man, die overal iedereen leert tegen het volk, tegen de Wet en tegen deze plaats; ook heeft hij heidenen in de tempel gebracht, en deze plaats ontwijd.”
28Weriwerada indada: Ol en Ijrael, komail jauaja, iet aramaj o me kin kaukawewe on karoj waja karoj, ren palian Juj akan, o kapun, o waja kij et, o a pil kalua don nan im en kaudok men Krik kai, o kajaminela waja jaraui wet.
29Want ze hadden Trófimus, den Efesiër, in zijn gezelschap in de stad gezien, en meenden nu, dat Paulus hem in de tempel gebracht had.
29Pwe maj o re kilanadar, me Tropimuj men Epijuj ian i nan kanim o, re ap kiki on, me Pauluj kalualon on i nan im en kaudok.
30Heel de stad kwam in rep en roer, en het volk liep te hoop. Ze maakten zich van Paulus meester, en sleurden hem buiten de tempel, waarvan aanstonds de deuren werden gesloten.
30A kanim o moromoronada kaualap o aramaj akan tan pena. Re ap jaikidi Pauluj o waike jan i nan im en kaudok o, a wanim ko ap madan ritidi.
31Terwijl ze hem trachtten te doden, bereikte den legerhoofdman het bericht, dat heel Jerusalem in opschudding was.
31Irail pan kamela i, a ron ap lel on jaumaj en jaunpei kan, me Ierujalem moromoronda.
32Aanstonds nam hij soldaten en honderdmannen met zich mee, en snelde er heen. Zodra men den hoofdman en de soldaten zag, hield men op, Paulus te slaan.
32I ari madan ukada jaunpei o jaumaj akai ap tanadi won irail Ir lao kilan jaumaj o jaunpei ko, re ap jolar woki Pauluj.
33De hoofdman kwam naderbij, nam hem gevangen, en liet hem met twee kettingen boeien. Nu onderzocht hij, wie hij was, en wat hij gedaan had.
33Jaumaj o ap kai on, koledi i majani, i en jalikidi jal mata riapot, o idok: Ij i, o da me a wiadar?
34Maar uit de hoop schreeuwde de een dit, de ander dat. Daar hij dus door het rumoer niets zekers te weten kon komen, gaf hij bevel, hem naar de burcht te brengen.
34A akai jan nan pokon o weriwer wiada eu jon en lokaia a akai eu. A ni a jota kak weweki, me re moromoronki, ap majani, a en wijikelan nan im en jaunpei.
35Op de trappen moest hij zelfs door de soldaten worden gedragen om het opdringen van het volk.
35A lao lel on kandake o, jaunpei ap wewa i, pweki pokon o koiden pena i.
36Want de volkshoop bleef volgen, en roepen: Weg met hem.
36Pwe pokon o, me idauen, weriwer indada: Jiken wei i!
37Juist toen Paulus de burcht zou worden binnengebracht, zeide hij tot den hoofdman: Mag ik u misschien iets zeggen? Hij antwoordde: Kent ge grieks?
37A ni en Pauluj a pan wiji kelon on nan im en jaunpei, a ap majani on kaun lapalap o: A jota muei on ia, en indan komui meakot? A ap majani: Komui aja lokaia en Krik?
38Zijt ge dan de Egyptenaar niet, die laatst dat oproer heeft verwekt, en vier duizend bandieten naar de woestijn met zich mee heeft gelokt?
38Ari, kaidin komui ol en Akipten, me kapeida aramaj oko mon ran akai, ap kalualan jap tan ol lolap pakid?
39Paulus hernam: Ik ben een jood, van Tarsus in Cilicië, burger ener stad, die niet zonder betekenis is. Ik bid u, laat me spreken tot het volk.
39A Pauluj majani: Nai ol en Juj amen, men Tarjuj, kanim indand en Jilijia eu, i men poeki re omui, en mueid on ia, en kapakaparok on aramaj pukat.
40Toen hij verlof had gegeven, ging Paulus op de trappen staan, en wenkte met de hand tot het volk. En toen het doodstil was geworden, sprak hij hen toe in het hebreeuws, en zeide:
40I ari mueid on i. Pauluj ap kotida pon kandake o olol on aramaj akan. A lao molelar kaualap, Pauluj ap kaparok on irail ni nor en Ipru majani:
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.