Handelingen
Chapter 23
Petrus Canisius Bible, 1…

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Old Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Kadede Kap (Pohnpe…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
1Paulus vestigde zijn blikken op de Raad, en sprak: Mannen broeders, met een volkomen zuiver geweten heb ik voor God gewandeld tot op de dag van vandaag.
1A PAULUJ kotin aupwil jili nan kapun o ap majani: Ri ai ko, i dadaurata me mau on Kot lao lel ran wet.
2Maar de hogepriester Ananias gebood aan de omstanders, hem op de mond te slaan.
2A jamero lapalap Ananiaj majani on men impa, ren pikir au a.
3Toen zei Paulus tot hem: God zal u slaan witgepleisterde muur. Ge zit hier, om mij te richten volgens de Wet, en tegen de Wet in geeft ge bevel, mij te slaan.
3Pauluj ap majani on i: Kot pan kotin pikir uk malaun men koe, pwe koe momod waja en, en kadeik ia da duen kapun o, ap tiakedi kapun o ni om indada, ren pikir ia.
4Maar de omstanders zeiden: Den hogepriester scheldt ge uit?
4A men impa indada: Koe pan lalaue japwilim en Kot a jamero lapalap?
5Paulus zeide: Ik wist niet broeders, dat hij de hogepriester was; want er staat geschreven “Een overste van uw volk zult gij niet verwensen”.
5Pauluj ap majanier: Ri ai ko, i jaja, me i jamero lapalap o, pwe a intinidier: Koe der nan au jued duen omail kaun lapalap o!
6Daar Paulus wist, dat de Hoge Raad voor een deel uit sadduceën en voor een ander deel uit farizeën bestond, riep hij uit: Mannen broeders, ik ben een farizeër en een zoon van farizeën; om de hoop op de verrijzenis der doden sta ik terecht.
6A Pauluj lao diaradar, me akai irail Jadujar, a akai Parijar, ap kapitie laud nan kapun o majani: Ri ai ko, nai Parijar amen o nain Parijar amen, ai kaporopor en me melar akan ar pan maureda, i me i pan paka deikada.
7Toen hij dit had gezegd, ontstond er twist tussen farizeën en sadduceën, en de vergadering raakte verdeeld.
7A lao majanier met, Parijar o Jadujar akan ap akamai pena; ari momod o muei pajan.
8Want de sadduceën zeggen, dat er geen verrijzenis bestaat ook geen engelen of geesten; maar de farizeën nemen die beide punten aan.
8Pwe Jadujar kin inda, me dene jota me pan maureda, o pil dene jota tounlan, pil jo nen, a Parijar kin kamelele karoj.
9Er ontstond een geweldig rumoer. En sommige schriftgeleerden van de partij der farizeën stonden op, en riepen op heftige toon: We vinden niets kwaad in die man; misschien heeft er wel een geest of een engel tot hem gesproken.
9A weriwer laud wiauier. A jaunkawewe kan, me kijan Parijar kajinenda kaparok katitiki: Jota me jued kot en aramaj men et, me je diar. A ma nen eu de tounlan amen majani on i, kitail der palian Kot!
10Toen nu de twist nog heftiger werd, en de hoofd. man begon te vrezen, dat Paulus door hen zou worden verscheurd, gebood hij aan de soldaten, naar beneden te komen, hem uit hun midden weg te halen, en naar de burcht te geleiden.
10A lao moromoron kaualap, kaun lapalap o ap majak, me Pauluj pan dapenok pajan, ap majani, me jaunpei kai en kodilan koledi i, wado jan nan pun ar o wa don nan im en jaunpei.
11De nacht daarop verscheen hem de Heer, en sprak: Houd goede moed. Want zoals gij te Jerusalem van Mij hebt getuigd, zo moet gij het ook te Rome doen.
11A pon pena jan ran o kaun o kotikot re a majani: Kaporopor mau, pwe duen om kadede ia nan Ierujalem, iduen koe pil pan kadede ia nan Rom.
12Toen het dag was geworden, vormden enige Joden een complot, en bezwoeren onder ede, te eten noch te drinken, eer ze Paulus hadden gedood.
12A lao ran pajan, Juj akai ap inauki pena o kaukila, me re pan jolar kan o nim meakot, re lao kamelar Pauluj.
13Het waren er meer dan veertig, die deze samenzwering hadden gesmeed.
13A irail, me wiadar inau wet, me paek jama.
14Ze gingen nu tot de opperpriesters en oudsten, en zeiden: We hebben onder ede gezworen, niets te gebruiken, eer we Paulus hebben gedood.
14Irail kodo ren jamero lapalap o jaumaj akan katitiki: Je inauki pena o kaukila, me je jolar pan kan o nim meakot, je lao kamelar Pauluj.
15Richt dus tezamen met de Hoge Raad het verzoek tot den hoofdman, dat hij hem opnieuw voor u laat brengen, onder voorwendsel, dat gij zijn zaak nauwkeurig wilt onderzoeken. Wij staan klaar, hem te doden, eer hij bij u is.
15Komail o toun kapun ari poeki ren kaun lapalap o, a en kadara don komail i. Dene komail pan raparapaki melel re a, a kit pan majamajan kamela i, mon a pan pwara don komail.
16Maar de zoon van Paulus’ zuster had van de aanslag gehoord; hij kwam de burcht binnengelopen, en deelde het aan Paulus mee.
16A wawan Pauluj jeri amen lao roner ar ruki i, ap pedelon on im en jaunpei kai kaireki Pauluj.
17Paulus riep een der honderdmannen, en zei: Breng dien jongeman naar den hoofdman; want hij heeft hem iets mede te delen.
17Pauluj ap ekeredo kaun amen, majani on i: Kare won manakap men et ren kaun lapalap o, pwe meakot mia, me a men kaireki i.
18Deze nam hem mee, bracht hem bij den hoofdman, en sprak: De gevangene Paulus heeft me laten roepen, en me verzocht, dien jongeman bij u te brengen, omdat hij u iets te zeggen heeft.
18I ari ukada i kare won i ren kaun lapalap o indada: Pauluj me jalidi, eker ia don i o poeki re i, i en wa don komui manakap men et, pwe meakot mia, me a men kaire kin komui.
19De hoofdman vatte hem bij de hand, nam hem terzijde, en vroeg hem: Wat hebt ge mij te vertellen?
19Kaun lapalap ap koledi pa a o koieila waja rir kalelapok: Da me koe men kaire kin ia?
20Hij zeide: De Joden hebben afgesproken, u te verzoeken, om Paulus morgen voor de Hoge Raad te brengen, onder voorwendsel, dat ze zijn zaak nauwkeuriger willen onderzoeken.
20I ari katitiki: Juj akai inauki pena, en poeki re omui, en kadara don kapun Pauluj lakap, dene komui men pur on raparapaki mau due.
21Geloof ze niet. Want meer dan veertig mannen hebben tegen hem een aanslag beraamd, en hebben onder ede gezworen, niet te eten of te drinken, eer ze hem hebben gedood; nu staan ze gereed, en wachten uw beslissing af.
21A komui der duki on irail, pwe ol paek jama, me rukiruki i, me inauki pena o kaukilar, me re jolar pan kan o nim re lao kamela i. A irail auiaui anjau wet, me komui en mueid on irail i.
22De hoofdman liet den jongeman heengaan, maar legde hem op, aan niemand te zeggen, dat hij hem dit had verteld.
22Kaun lapalap o ap kadarala manakap o majani on i: Der indan meamen, me koe kaire kin ia met!
23Toen riep hij twee honderdmannen, en zeide tot hen: Houdt tweehonderd soldaten, zeventig ruiters en tweehonderd lansdragers gereed, om tegen het derde uur van de nacht naar Cesarea te vertrekken.
23A lao ekeredor kaun riamen, ap majani: Kaonopada jaunpei riepuki, pwen kola Jajarea, o pil me dake oj ijiakan, o me wa katieu riepuki jan ni klok duau en ponpon wet.
24Laat ze ook voor lastdieren zorgen, om daarop Paulus veilig naar den landvoogd Felix te brengen.
24O pil kaonopada man akai, me re en kida poa Pauluj, o ren kanakanai on walan i ren kopina Peliki.
25Want de overste was bang dat de Joden hem zouden oplichten en doden, en dat hij dan zelf beschuldigd zou worden, met geld te zijn omgekocht.)
25A pil intiniedier kij in likau duen met:
26Hij schreef een brief van de volgende inhoud: Claudius Lúsias aan den edelen landvoogd Felix, heil!
26Nai Klaudiuj Lijiaj kadar won komui main kopina Pelikj ai ranamau.
27Toen deze man door de Joden gegrepen en bijna vermoord was, ben ik met het krijgsvolk tussenbeide gekomen en heb hem ontzet, omdat ik gehoord had, dat hij Romein was
27Ol men et, me Juj oko jaikidier, o metar kij a pan kamela re ’rail. A nai ukada jaunpei kei dorela i ni ai ronada, me i men Rom amen.
28Daar ik wilde weten, waarvan ze hem beschuldigden, heb ik hem voor de Hoge Raad gebracht.
28A ni ai men kalelapok, da me re weiweilokedi i, i ap wadila ren ar kapun o.
29Daar bevond ik, dat hij beschuldigd werd om twistvragen hunner Wet, maar dat hem niets werd ten laste gelegd, waarop doodstraf of gevangenis staat.
29Nai ari diaradar, me a panapanla pweki peidok en ar kapun. A jota me i diar, me a pun kak kame kila de jalikidi.
30Daar men mij echter berichtte, dat er een aanslag tegen hem werd beraamd, heb ik hem aanstonds naar u gezonden, en tegelijk zijn beschuldigers doen weten, dat ze hun aanklacht tegen hem bij u moeten indienen. Vaarwel.
30I lao ajadar, me Juj oko rukiruki ol o, i ap madan kadar won komui i, o i kakaliki on me panala i kai, en kaireki won komui duen i. Ran kajelel!
31Volgens ontvangen bevel voerden de soldaten ‘s nachts Paulus weg, en brachten hem naar Antipatris.
31Jaunpei ko ap ukada Pauluj kalua i Antipatrij ni pon o duen a kawad kin irail.
32De volgende dag lieten ze de ruiters met hem verder trekken, en keerden zelf terug naar de burcht.
32Mandan ran o re ki on me dake oj akan, ren wala i, ap purelan im en jaunpei.
33Na aankomst te Cesarea overhandigde men de brief aan den landvoogd, en stelde ook Paulus te zijner beschikking.
33Mepukat lao lel on Jajarea, ap ki on kijin likau ren kopina, o pil kajale on i Pauluj.
34Hij las de brief, en vroeg, uit welke provincie hij was. Toen hij vernam, dat hij van Cilicië was,
34A lao wadoker o idok, menia i, o manier, me a kijan men Jilijia, ap majani:
35zeide hij hem: Ik zal u in verhoor nemen, zodra ook uw beschuldigers zijn aangekomen. En hij gaf bevel, hem in het rechthuis van Herodes gevangen te houden.
35I pan ron uk, lao me pan uk ala pil pwarador. I ari majani, i en nekinek nan tanpaj en Erodej.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.