Handelingen
Chapter 21
Petrus Canisius Bible, 1…

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Old Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Bíblia Portuguesa …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Toen we afscheid van hen hadden genomen, en afgevaren waren, stevenden we rechtdoor naar Kos, de volgende dag naar Rodus, en vandaar naar Pátara.
1Depois de nos separarmos deles e zarparmos, navegamos em curso direto para Cós, no dia seguinte para Rodes, e dali para Pátara.
2Hier troffen we een schip, dat naar Fenicië voer; we gingen aan boord en staken in zee.
2Encontramos um navio que fazia a travessia para a Fenícia, embarcamos e zarpamos.
3Toen we Cyprus in het gezicht kregen, lieten we het links liggen, zetten koers naar Syrië, en landden te Tyrus; want daar moest het schip de lading lossen.
3Quando avistamos Chipre, deixando-a à esquerda, navegamos para a Síria e desembarcamos em Tiro, pois o navio ia descarregar ali a sua carga.
4We zochten daar de leerlingen op, en bleven er zeven dagen lang; ze bezwoeren Paulus door den Geest, niet naar Jerusalem te gaan
4Encontramos os discípulos e ficamos ali sete dias. Eles diziam a Paulo, pelo Espírito, que não subisse a Jerusalém.
5Nadat we er die dagen hadden doorgebracht, vertrokken we, en reisden verder; allen vergezelden ons met hun vrouwen en kinderen tot buiten de stad. Op het strand knielden we neer in gebed;
5Quando aqueles dias terminaram, partimos e seguimos nossa viagem. Todos eles, com as esposas e filhos, nos acompanharam até fora da cidade. Ajoelhando-nos na praia, oramos.
6toen zeiden we elkander vaarwel. Wij bestegen het schip, en zij keerden naar huis terug.
6Depois de nos despedirmos uns dos outros, embarcamos no navio, e eles voltaram para suas casas.
7We zeilden nu van Tyrus naar Ptolemaïs, waar we onze zeereis ten einde brachten; we gingen er de broeders begroeten, en vertoefden één dag onder hen.
7Terminando a viagem desde Tiro, chegamos a Ptolemaida. Saudamos os irmãos e ficamos com eles um dia.
8De volgende dag vertrokken we weer, en kwamen te Cesarea aan. We begaven ons naar het huis van Filippus, den evangelist, een van de zeven en we bleven bij hem;
8No dia seguinte, partimos e chegamos a Cesareia. Entramos na casa de Filipe, o evangelista, que era um dos sete, e ficamos com ele.
9hij had vier ongehuwde dochters, die profetessen waren.
9Ora, este homem tinha quatro filhas virgens que profetizavam.
10Terwijl we daar meerdere dagen vertoefden, kwam er een profeet uit Judea aan, Agabus genaamd.
10Como ficamos ali alguns dias, desceu da Judeia um certo profeta chamado Ágabo.
11Toen hij ons kwam bezoeken, nam hij de gordel van Paulus, bond zich handen en voeten, en sprak: Dit zegt de Heilige Geest: “Zó zullen de Joden te Jerusalem den man binden, wien deze gordel behoort, en hem overleveren in de handen der heidenen”.
11Ele veio até nós, tomou o cinto de Paulo, ele amarrou os próprios pés e mãos, e disse: “Assim diz o Espírito Santo: 'Desta maneira os judeus em Jerusalém amarrarão o homem a quem pertence este cinto, e o entregarão aos gentios.'”
12Toen we dit hoorden, drongen we met de broeders dier plaats er op aan, dat hij niet naar Jerusalem zou gaan.
12Quando ouvimos estas coisas, tanto nós como os irmãos daquele lugar imploramos a Paulo que não subisse a Jerusalém.
13Maar Paulus antwoordde: Waarom weent gij, en breekt mij het hart? Ik ben immers bereid, mij te Jerusalem niet alleen te laten binden, maar er zelfs te sterven voor de naam van den Heer Jesus.
13Então Paulo respondeu: “O que vocês estão fazendo, chorando e partindo o meu coração? Pois estou pronto não apenas para ser amarrado, mas também para morrer em Jerusalém pelo nome do Senhor Jesus.”
14Daar hij zich niet liet overhalen, hielden wij ook niet langer aan, maar zeiden: De wil des Heren geschiede.
14Como ele não se deixou persuadir, nós desistimos, dizendo: “Seja feita a vontade do Senhor.”
15Na die dagen maakten we ons reisvaardig, en gingen op naar Jerusalem.
15Depois destes dias, arrumamos a nossa bagagem e subimos a Jerusalém.
16Ook enige leerlingen van Cesarea gingen met ons mee, om ons bij zekeren Mnason van Cyprus te brengen, die reeds sedert lang een leerling was, en bij wien we onderdak zouden vinden.
16Alguns dos discípulos de Cesareia também foram conosco, levando consigo Mnasom, de Chipre, um dos primeiros discípulos, com quem nos hospedaríamos.
17Toen we te Jerusalem aankwamen, ontvingen ons de broeders met blijdschap.
17Quando chegamos a Jerusalém, os irmãos nos receberam com alegria.
18De volgende dag ging Paulus met ons naar Jakobus, waar ook al de priesters bijeen waren gekomen.
18No dia seguinte, Paulo foi conosco encontrar-se com Tiago; e todos os presbíteros estavam presentes.
19Na de begroeting verhaalde hij in bijzonderheden, wat God door zijn bemiddeling onder de heidenen had verricht.
19Depois de saudá-los, ele relatou uma por uma as coisas que Deus havia feito entre os gentios por meio do seu ministério.
20Toen ze dit hadden gehoord, verheerlijkten ze God Toch zeiden ze hem: Ge ziet, broeder, hoeveel duizenden Joden er zijn, die gelovig zijn geworden, en die allen ijveraars zijn voor de Wet.
20Eles, quando ouviram isso, glorificaram a Deus. E disseram a ele: “Você vê, irmão, quantos milhares de judeus há que creram, e todos são zelosos da lei.
21Maar nu hebben ze van u horen zeggen, dat ge afval van Moses leert aan de Joden, die onder de heidenen leven, en hun zegt, dat ze hun kinderen niet mogen besnijden, of volgens onze gebruiken mogen leven
21Eles foram informados de que você ensina todos os judeus que vivem entre os gentios a abandonarem Moisés, dizendo-lhes que não circuncidem os seus filhos e não sigam os costumes.
22Wat dus te doen? Ongetwijfeld komt er een talrijke schare bijeen; want men zal vernemen, dat ge gekomen zijt.
22O que fazer, então? A comunidade certamente terá de se reunir, pois ouvirão que você chegou.
23Doe derhalve, wat we u zeggen. Onder ons bevinden zich vier mannen, die een gelofte hebben gedaan.
23Portanto, faça o que lhe dizemos. Temos quatro homens que fizeram um voto.
24Neem ze met u mee, laat u gelijk met hen reinigen, en betaal voor hen de kosten opdat ze zich het hoofd kunnen laten scheren; dan zullen allen weten, dat het onwaar is, wat ze over u hebben gehoord, maar dat ge zelf de Wet onderhoudt.
24Tome-os e purifique-se com eles, e pague as despesas deles, para que raspem a cabeça. Então todos saberão que não há verdade no que foram informados a seu respeito, mas que você mesmo também anda guardando a lei.
25Wat de heidenen betreft, die het geloof hebben aanvaard, we hebben hun onze beslissing doen kennen, dat ze zich moeten wachten voor afgodenvlees, voor bloed en verstikt vlees, en voor ontucht.
25Mas quanto aos gentios que creem, nós já escrevemos a nossa decisão de que eles não devem observar tais coisas, exceto que devem se abster de comida oferecida a ídolos, do sangue, da carne de animais estrangulados e da imoralidade sexual.”
26Daarom nam Paulus de volgende dag de mannen met zich mee, liet zich tegelijk met hen reinigen, ging met hen de tempel binnen, en kondigde aan, wanneer de dagen der gelofte geëindigd zouden zijn, en het offer voor een ieder van hen zou worden gebracht.
26Então Paulo tomou os homens e, no dia seguinte, purificou-se e entrou com eles no templo, declarando quando se completariam os dias de purificação, até que a oferta fosse oferecida por cada um deles.
27Maar toen de zeven dagen bijna voorbij waren, zagen de Joden uit Azië hem in de tempel. Ze joegen al het volk bijeen, grepen hem vast, en gilden het uit:
27Quando os sete dias estavam quase terminando, os judeus da Ásia, ao vê-lo no templo, agitaram toda a multidão e agarraram-no,
28“Israëlieten, te hulp! Dit is de man, die overal iedereen leert tegen het volk, tegen de Wet en tegen deze plaats; ook heeft hij heidenen in de tempel gebracht, en deze plaats ontwijd.”
28gritando: “Homens de Israel, ajudem! Este é o homem que ensina a todos em toda parte contra o povo, e a lei, e este lugar. Além disso, ele também trouxe gregos para o templo e profanou este lugar santo!”
29Want ze hadden Trófimus, den Efesiër, in zijn gezelschap in de stad gezien, en meenden nu, dat Paulus hem in de tempel gebracht had.
29Pois eles tinham visto Trófimo, o efésio, com ele na cidade, e supunham que Paulo o havia levado para o templo.
30Heel de stad kwam in rep en roer, en het volk liep te hoop. Ze maakten zich van Paulus meester, en sleurden hem buiten de tempel, waarvan aanstonds de deuren werden gesloten.
30Toda a cidade se agitou e o povo correu para lá. Eles agarraram Paulo e o arrastaram para fora do templo. Imediatamente as portas foram fechadas.
31Terwijl ze hem trachtten te doden, bereikte den legerhoofdman het bericht, dat heel Jerusalem in opschudding was.
31Enquanto tentavam matá-lo, chegou a notícia ao comandante da tropa de que toda Jerusalém estava em alvoroço.
32Aanstonds nam hij soldaten en honderdmannen met zich mee, en snelde er heen. Zodra men den hoofdman en de soldaten zag, hield men op, Paulus te slaan.
32Imediatamente ele tomou soldados e centuriões e correu para eles. Eles, quando viram o comandante e os soldados, pararam de bater em Paulo.
33De hoofdman kwam naderbij, nam hem gevangen, en liet hem met twee kettingen boeien. Nu onderzocht hij, wie hij was, en wat hij gedaan had.
33Então o comandante se aproximou, prendeu-o, ordenou que fosse amarrado com duas correntes, e perguntou quem ele era e o que havia feito.
34Maar uit de hoop schreeuwde de een dit, de ander dat. Daar hij dus door het rumoer niets zekers te weten kon komen, gaf hij bevel, hem naar de burcht te brengen.
34Alguns gritavam uma coisa e outros outra, no meio da multidão. Como ele não conseguiu descobrir a verdade por causa do tumulto, ordenou que ele fosse levado para a fortaleza.
35Op de trappen moest hij zelfs door de soldaten worden gedragen om het opdringen van het volk.
35Quando ele chegou às escadas, foi carregado pelos soldados por causa da violência da multidão;
36Want de volkshoop bleef volgen, en roepen: Weg met hem.
36pois a multidão do povo o seguia, gritando: “Fora com ele!”
37Juist toen Paulus de burcht zou worden binnengebracht, zeide hij tot den hoofdman: Mag ik u misschien iets zeggen? Hij antwoordde: Kent ge grieks?
37Quando Paulo estava para ser levado para a fortaleza, ele perguntou ao comandante: “Posso falar com o senhor?” Ele disse: “Você sabe grego?
38Zijt ge dan de Egyptenaar niet, die laatst dat oproer heeft verwekt, en vier duizend bandieten naar de woestijn met zich mee heeft gelokt?
38Então você não é o egípcio que, há algum tempo, provocou uma rebelião e liderou no deserto os quatro mil homens dos Assassinos?”
39Paulus hernam: Ik ben een jood, van Tarsus in Cilicië, burger ener stad, die niet zonder betekenis is. Ik bid u, laat me spreken tot het volk.
39Mas Paulo disse: “Eu sou um judeu de Tarso, na Cilícia, cidadão de uma cidade importante. Eu lhe imploro, permita-me falar ao povo.”
40Toen hij verlof had gegeven, ging Paulus op de trappen staan, en wenkte met de hand tot het volk. En toen het doodstil was geworden, sprak hij hen toe in het hebreeuws, en zeide:
40Quando ele lhe deu permissão, Paulo, em pé nas escadas, fez um sinal com a mão para o povo. Quando todos fizeram silêncio, ele lhes falou na língua hebraica, dizendo:

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.