Handelingen
Chapter 22
Petrus Canisius Bible, 1…

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Old Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Bíblia Portuguesa …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Mannen, broeders en vaders, luistert naar wat ik u thans te mijner verdediging ga zeggen.
1“Irmãos e pais, ouçam a defesa que agora lhes faço.”
2Toen ze hoorden, dat hij in het hebreeuws tot hen sprak, werd het nog stiller. Hij vervolgde:
2Quando ouviram que ele lhes falava na língua hebraica, fizeram ainda mais silêncio. Ele disse:
3Ik ben een jood, geboren te Tarsus in Cilicië, maar opgevoed in deze stad; aan de voeten van Gamáliël ben ik geschoold volgens de strenge uitleg der voorvaderlijke Wet, en werd ik een ijveraar voor God, zoals gij dat allen heden zijt.
3“Eu sou de fato judeu, nascido em Tarso da Cilícia, mas criado nesta cidade e instruído aos pés de Gamaliel, segundo a rigorosa tradição da lei de nossos pais, sendo zeloso por Deus, assim como todos vocês são hoje.
4Daarom heb ik deze richting ten dode toe vervolgd, mannen en vrouwen in boeien geslagen en in de gevangenis geworpen,
4Eu persegui este Caminho até a morte, prendendo e mandando para a prisão tanto homens como mulheres,
5zoals ook de hogepriester en heel de Raad kan getuigen. Zelfs kreeg ik brieven van hen mee voor de broeders in Damascus; en ik reisde daarheen, om ook hen, die zich daar bevonden, geboeid naar Jerusalem te voeren, en hen te doen straffen.
5como também o sumo sacerdote e todo o conselho dos anciãos podem testemunhar, dos quais também recebi cartas para os irmãos, e viajei para Damasco a fim de trazer amarrados para Jerusalém os que lá estavam, para serem punidos.
6Maar toen ik op mijn reis Damascus naderde, bliksemde eensklaps midden op de dag een schitterend licht uit de hemel om mij heen.
6“Enquanto eu fazia a minha viagem e me aproximava de Damasco, por volta do meio-dia, de repente uma grande luz do céu brilhou ao meu redor.
7Ik viel op de grond, en hoorde een stem, die mij zeide: “Saul, Saul, waarom vervolgt ge Mij?”
7Caí por terra e ouvi uma voz que me dizia: ‘Saulo, Saulo, por que você me persegue?’
8Ik antwoordde: “Wie zijt Gij, Heer?” Hij sprak tot mij: “Ik ben Jesus van Názaret, dien ge vervolgt”.
8Eu respondi: ‘Quem és tu, Senhor?’ Ele me disse: ‘Eu sou Jesus de Nazaré, a quem você persegue.’
9Mijn gezellen zagen wel het licht, maar de stem van Hem, die met mij sprak, hoorden ze niet
9“Os que estavam comigo de fato viram a luz e ficaram com medo, mas não entenderam a voz daquele que falava comigo.
10Toen zei ik: “Heer, wat moet ik doen?” En de Heer sprak tot mij: “Sta op, en ga naar Damascus; daar zal men u alles zeggen, wat u gelast wordt”.
10Eu disse: ‘O que farei, Senhor?’ O Senhor me disse: ‘Levante-se e vá para Damasco. Lá lhe será dito sobre todas as coisas que lhe foram designadas para fazer.’
11En daar ik niet meer kon zien door de glans van dat licht, namen mijn gezellen me bij de hand, en zó kwam ik te Damascus aan.
11Como eu não conseguia ver por causa da glória daquela luz, conduzido pela mão dos que estavam comigo, cheguei a Damasco.
12Een zekere Ananias, een vroom man naar de Wet, en in aanzien bij alle Joden, die daar woonden,
12“Um certo Ananias, homem piedoso segundo a lei, de quem todos os judeus que moravam em Damasco davam bom testemunho,
13kwam naar mij toe, ging voor mij staan, en sprak: “Saul, broeder, zie op”. En op hetzelfde ogenblik zag ik hem.
13veio a mim e, parando ao meu lado, me disse: ‘Irmão Saulo, recupere a sua visão!’ Naquela mesma hora eu olhei para ele.
14Hij vervolgde: De God onzer vaderen heeft u voorbestemd, om zijn wil te leren kennen, den Gerechte te zien, en de stem uit zijn mond te vernemen.
14Ele disse: ‘O Deus de nossos pais o designou para conhecer a sua vontade, ver o Justo e ouvir uma voz da sua boca.
15Want ge zult voor Hem bij alle mensen moeten getuigen, wat ge gezien en gehoord hebt.
15Pois você será testemunha dele diante de todos, contando o que viu e ouviu.
16Nu dan, wat draalt ge? Sta op, laat u dopen, en uw zonden afwassen onder aanroeping van zijn Naam.
16Agora, por que você demora? Levante-se, seja batizado e lave os seus pecados, invocando o nome do Senhor.’
17Toen ik te Jerusalem was teruggekeerd, en eens in de tempel aan het bidden was, geraakte ik in geestverrukking.
17“Quando voltei a Jerusalém e enquanto orava no templo, caí em êxtase
18Ik zag Hem, en Hij sprak tot mij: “Haast u, en vertrek aanstonds uit Jerusalem; want van u zal men geen getuigenis over Mij aanvaarden”.
18e o vi dizendo para mim: ‘Apresse-se e saia logo de Jerusalém, porque eles não receberão o seu testemunho a meu respeito.’
19Ik zeide: Heer, ze weten toch, dat ik het was, die allen, die in U geloofden, gevangen liet nemen en in de synagogen liet geselen;
19Eu disse: ‘Senhor, eles mesmos sabem que eu prendia e açoitava em todas as sinagogas os que criam em ti.
20en dat ik er bij stond, toen het bloed werd vergoten van Stéfanus, uw getuige; dat ik er behagen in had, en de kleren bewaarde van hen, die hem doodden.
20Quando o sangue de Estêvão, tua testemunha, foi derramado, eu também estava presente, consentindo na sua morte e guardando as capas dos que o matavam.’
21Maar Hij sprak tot mij: “Ga heen; want Ik zal u zenden ver weg naar de heidenen”.
21“Ele me disse: ‘Vá, pois eu o enviarei para longe daqui, aos gentios.’ ”
22Tot zo ver hadden ze naar hem geluisterd; maar nu schreeuwden ze het uit: Weg met hem van de aarde; want hij is niet waard, dat hij leeft.
22Eles o ouviram até que ele disse isso; então levantaram a voz e disseram: “Eliminem da terra um homem desses, pois ele não é digno de viver!”
23Ze huilden, rukten zich de kleren af, en wierpen stof in de lucht.
23Enquanto eles gritavam, jogavam fora as suas capas e lançavam poeira para o ar,
24Nu gaf de hoofdman bevel, hem in de burcht te voeren, en hem door geselen tot bekentenis te brengen, opdat hij te weten zou komen, waarom ze zo tegen hem te keer bleven gaan.
24o comandante ordenou que ele fosse levado para a fortaleza, mandando que fosse interrogado por meio de açoites, para que pudesse saber por qual crime gritavam contra ele daquela maneira.
25Maar toen men Paulus had uitgestrekt, om hem te binden, zei hij tot den aanwezigen honderdman: Is het u geoorloofd, een romeins burger te geselen, die zelfs niet eens veroordeeld is?
25Quando o amarraram com correias, Paulo perguntou ao centurião que estava ali: “É lícito a vocês açoitar um homem que é romano, e que não foi condenado?”
26Toen de honderdman dit hoorde, ging hij den hoofdman berichten, en zeide: Wat gaat ge beginnen; die man is een Romein!
26Quando o centurião ouviu isso, foi ao comandante e lhe disse: “O que o senhor está prestes a fazer?, pois este homem é romano!”
27De hoofdman ging er naar toe, en zei hem: Zeg me, zijt ge een Romein? Hij antwoordde: Ja!
27O comandante veio e lhe perguntou: “Diga-me, você é romano?” Ele disse: “Sim.”
28De hoofdman hernam: Ik heb me dat burgerrecht voor veel geld moeten kopen. Welnu, sprak Paulus, en ik heb het door geboorte verkregen.
28O comandante respondeu: “Eu comprei a minha cidadania por um alto preço.” Paulo disse: “Mas eu nasci romano.”
29Nu lieten zijn pijnigers hem aanstonds met rust; en nu de hoofdman wist, dat hij Romein was, werd hij bang, ook omdat hij hem had laten boeien.
29Imediatamente, aqueles que estavam prestes a interrogá-lo se afastaram dele, e o comandante também ficou com medo quando percebeu que ele era romano, por tê-lo amarrado.
30Daar hij echter nauwkeurig wilde weten, waarvan hij door de Joden beschuldigd werd, liet hij hem de volgende dag uit de gevangenis halen, en gaf hij bevel, dat de opperpriesters en heel de Hoge Raad bijeen zouden komen. Toen bracht hij Paulus er heen, en stelde hem in hun midden.
30Mas no dia seguinte, desejando saber a verdade sobre o motivo pelo qual ele era acusado pelos judeus, ele o soltou das amarras e ordenou que os principais sacerdotes e todo o conselho se reunissem, e mandou trazer Paulo, colocando-o diante deles.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.