Handelingen 9
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Intussen ziedde Saul nog altijd van dreigementen en moordlust tegen de leerlingen des Heren. Hij ging naar den hogepriester,
1Савло ж, ще дишучи грозьбою та вбийством на учеників Господнїх, приступив до архиєрея,
2en vroeg hem brieven voor de synagogen te Damascus, om alle lieden van dit soort, mannen als vrouwen, geboeid naar Jerusalem te voeren.
2і просив від него листів у Дамаск до шкіл, щоб, коли кого знайде, що путя того будуть, чоловіків і жінок, звязавши, поприводив у Єрусалим.
3Maar toen hij op zijn reis Damascus naderde, bliksemde eensklaps een licht uit de hemel om hem heen.
3Ідучи ж був близько Дамаску, аж ось осияло його сьвітло з неба,
4Hij viel op de grond, en hoorde een stem, die hem zeide: Saul, Saul, waarom vervolgt ge Mij?
4і, впавши на землю, чув голос, глаголючий йому: Савле, Савле, чого мене гониш?
5Hij sprak: Wie zijt Gij Heer? En de stem: Ik ben Jesus, dien gij vervolgt; (het valt u hard terug te slaan tegen de prikkel
5Каже ж: Хто єси, Господи? Господь же рече: Я Ісус, котрого ти гониш. Трудно тобі проти рожна прати (упиратись).
6Sidderend van angst zeide hij: Heer, wat wilt Gij, dat ik doe? En de Heer zeide tot hem:) Sta op, en ga naar de stad; daar zal men u zeggen, wat ge moet doen.
6І затрусившись та стуманївши, каже: Господи, що хочеш, щоб робив я? А Господь до него: Устань, та йди в город; і скажеть ся тобі, що маєш робити.
7De mannen, die met hem reisden, stonden sprakeloos van verbazing; want ze hoorden wel de stem maar zagen niemand.
7Люде ж, що йшли з ним, стояли зʼумівшись, чуючи голос, нїкого ж не бачивши.
8Nu stond Saul op van de grond; maar al waren zijn ogen open, hij zag niets. Men leidde hem dus bij de hand, en bracht hem naar Damascus.
8Устав же Савло з землї; як же відтворив очі, нїкого не бачив. І вели його за руку, та й привели в Дамаск.
9Hij bleef er drie dagen zonder te zien; hij at niet en dronk niet.
9І був він три днї невидющим, і не їв і не пив.
10Te Damascus woonde een leerling, Ananias genaamd. De Heer sprak tot hem in een visioen: Ananias. Hij antwoordde: Hier ben ik, Heer.
10Був же один ученик у Дамаску, на ймя Ананїя; і рече йому Господь у видїннї: Ананїє! Він же каже: Ось я, Господи.
11De Heer zeide hem: Sta op, en ga naar de straat, de Rechte genaamd, en vraag in het huis van Judas naar een man uit Tarsus Saul geheten. Zie, hij is in gebed,
11Господь же до него: Уставши, йди на улицю, що зветь ся Простою, та й пошукай у Юдиній хатї Тарсянина, на ймя Савла; ось бо він молить ся,
12en hij heeft een man zien binnenkomen, die Ananias heet, en hem de handen oplegt, om hem weer te doen zien.
12І видїв (Савло) у видїннї чоловіка, на ймя Ананїю, що (нїби) ввійшов і положив руку на него, щоб прозрів.
13Maar Ananias antwoordde: Heer, ik heb van velen gehoord, hoeveel kwaad die man uw heiligen te Jerusalem heeft berokkend.
13Відказав же Ананїя: Господи, я чув од многих про чоловіка сього, скільки він зла заподїяв сьвятим твоїм у Єрусалимі;
14En hij is hier met een volmacht van de opperpriesters, om allen, die uw Naam aanroepen, in boeien te slaan.
14і тут має власть од архиєреїв вязати всїх, хто призиває імя Твоє.
15Maar de Heer sprak tot hem: Ga. Want die man is Mij een uitverkoren werktuig, om mijn Naam te verkondigen voor volkeren en vorsten, en Israëls zonen;
15Рече ж до него Господь: Іди, бо сей у мене вибрана посудина, щоб нести ймя моє перед поган, і царів і синів Ізраїлевих:
16en Ikzelf zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet voor mijn Naam.
16я бо покажу йому, скільки мусить він за ймя моє терпіти.
17Nu ging Ananias heen, trad het huis binnen, legde hem de handen op, en sprak: Broeder Saul, de Heer Jesus, die u onderweg is verschenen, heeft mij gezonden, opdat ge weer zien moogt, en vervuld moogt worden van den Heiligen Geest.
17Пійшовши Ананїя, ввійшов у господу та, положивши на него руки, рече: Савле брате! Господь Ісус, що явивсь тобі в дорозї, котрою йшов єси, післав мене, щоб ти прозрів і сповнив ся Духом сьвятим.
18Aanstonds vielen hem, om zo te zeggen, de schillen van de ogen, en hij zag weer. Hij stond op, en werd gedoopt.
18І зараз із очей йому, мов би луска, спало, і прозрів того часу, та й вставши, охрестив ся.
19Toen nam hij voedsel, en kwam weer op krachten. Nu bleef hij enige dagen bij de leerlingen te Damascus,
19І прийнявши їжу, покрепив ся. Був же Савло з учениками, що в Дамаску, днїв кілька.
20en aanstonds begon hij in de synagogen te preken, dat Jesus Gods Zoon is.
20І зараз проповідував по школах Христа, що се Син Божий.
21Allen die het hoorden, stonden verbaasd, en zeiden: Is dat niet de man, die te Jerusalem allen trachtte uit te roeien, die deze Naam aanroepen; en is hij niet hierheen gekomen, om ze in boeien voor de opperpriesters te slepen?
21Дивувались же усї, хто чув, і казали: Чи се не той, що погубляв у Єрусалимі призиваючих се імя, та й сюди на те прийшов, щоб, звязавши їх, вести до архиєреїв?
22Maar Saul trad steeds krachtiger op, en bracht de Joden, die te Damascus woonden, van hun stuk, door te bewijzen: Hij is de Christus
22А Савло вбивавсь у силу та в силу, й перемагав Жидів, що жили в Дамаску, доводячи, що се Христос.
23Na enige tijd spanden de Joden dan ook samen, om hem te doden.
23Як же сповнилось доволї днїв, змовили ся Жиди, вбити його.
24Hun plan werd echter aan Saul bekend. En daar ze dag en nacht wacht bij de poorten hielden, om hem te vermoorden,
24Довідав ся ж Савло про змову їх. А вони стерегли воріт день і ніч, щоб його вбити.
25namen de leerlingen hem op een nacht mee, en lieten hem over de stadsmuur in een mand naar beneden.
25Взявши ж його ученики в ночі, спустили через мур у коші.
26Te Jerusalem aangekomen, trachtte hij zich bij de leerlingen aan te sluiten. Maar allen waren bang voor hem; want ze geloofden niet, dat hij een leerling was.
26Прийшовши ж Савло в Єрусалим, пробував пристати в ученики; та всї боялись його, не діймаючи віри, що він ученик.
27Doch Bárnabas nam hem bij zich op, bracht hem bij de apostelen en deelde hun mee, hoe hij onderweg den Heer had gezien en deze hem had toegesproken, en hoe hij te Damascus vrijmoedig gepreekt had in Jesus’ naam.
27Варнава ж, прийнявши його, повів до апостолів, і розповів їм, як він дорогою видїв Господа, і як він глаголав йому, та як у Дамаску одважно проповідував імя Ісусове.
28Toen ging hij te Jerusalem vertrouwelijk met hen om, trad met vrijmoedigheid op in de naam des Heren,
28І ввіходив і виходив з ними в Єрусалимі.
29en redetwistte met de hellenisten maar die zochten hem te doden.
29І одважно проповідував імя Господа Ісуса й розмовляв і змагав ся з Єленянами; вони ж лагодились убити його.
30Toen de broeders dit bemerkten, brachten ze hem naar Cesarea, en lieten hem vandaar naar Tarsus vertrekken.
30Довідавшись же брати, привели його в Кесарию, та й вислали його в Тарс.
31Nu genoot de kerk vrede in heel Judea, Galilea en Samaria; steeds meer nam ze toe in de vreze des Heren, en breidde zich uit door de inspraak van den Heiligen Geest.
31Церкви ж по всїй Юдеї і Галилеї і Самариї мали впокій, будуючись і ходячи в страсї Господнїм, а потїхою сьвятого Духа намножувались.
32Eens op een rondreis bezocht Petrus ook de heiligen die te Ludda woonden.
32Стало ся ж, як переходив Петр усї, прийшов і до сьвятих, що проживали в Лиддї.
33Daar vond hij een man, Eneas genaamd. die sinds acht jaren bedlegerig was en verlamd.
33Знайшов же там одного чоловіка, на ймя Єнея, що на ліжку лежав вісїм років, будучи розслабленим.
34En Petrus zeide hem: Eneas, Jesus, de Christus, geneest u; sta op, en spreid uw eigen bed. Ogenblikkelijk stond hij op.
34І рече йому Петр: Єнею, оздоровлює тебе Ісус Христос; устань, та й постели собі. І зараз устав.
35Al de inwoners van Ludda en van de Sjarónvlakte zagen hem, en bekeerden zich tot den Heer.
35І бачили його всї, що жили в Лиддї та в Саронї, котрі навернулись до Господа.
36Nu woonde er te Joppe een leerlinge, Tabita genaamd, wat Dorkas betekent; ze deed vele goede werken en gaf veel aalmoezen.
36Була ж в Йоппиї одна учениця, на ймя Тавита, що перекладом зветь ся: Сарна. Ся була повна добрих учинків і милостинї, що робила.
37Juist in die dagen werd ze ziek en stierf; men waste haar, en legde haar in de opperzaal neer.
37Стало ся ж, що тими днями занедужавши, вмерла вона. Обмивши ж її, положили в гірницї.
38Daar Ludda dicht bij Joppe ligt, en de leerlingen hadden vernomen, dat Petrus zich dáár bevond, zonden ze twee mannen naar hem toe, met het verzoek: Kom zonder uitstel naar ons over.
38Як же близько була Лидда від Йоппиї, то ученики, почувши, що Петр там, післали двох чоловіків до него, просячи, щоб не загаявсь прийти до них.
39Petrus stond op, en ging met hen mee. Bij zijn aankomst bracht men hem in de opperzaal. Wenend stonden daar alle weduwen om hem heen, en toonden hem al de mantels en kleren, die Dorkas gemaakt had, toen ze nog leefde.
39Устав же Петр, та й пійшов з ними. Як же прийшов, повели його в гірницю; і обступили його всї вдовицї, плачучи й показуючи одежу й шматтє, що їм посправляла, бувши з ними, Сарна.
40Petrus zond allen heen, knielde neer, en bad. Toen keerde hij zich tot de dode, en sprak: Tabita, sta op. Ze opende haar ogen, en ging overeind zitten, toen ze Petrus zag;
40Випровадивши ж Петр усїх і приклонивши колїна, молив ся, і, обернувшись до тїла, рече: Тавито, встань. Вона ж відкрила очі свої і, побачивши Петра, сїла.
41hij reikte haar de hand, en richtte ze op. Nu riep hij de heiligen en de weduwen binnen, en plaatste haar levend in hun midden.
41Подавши їй руку, підвів її; покликавши ж сьвятих та вдовиць, поставив її перед ними живу.
42Dit werd in heel Joppe bekend, en velen geloofden in den Heer.
42І знане се стало по всїй Йоппиї, і многі увірували в Господа.
43Nog geruime tijd bleef hij te Joppe, bij zekeren Simon, een leerlooier.
43Стало ся ж, що доволї днїв пробував він у Йоппиї у одного Симона кожомяки (гарбаря).
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.