Handelingen 17
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Ze namen hun weg over Amfipolis en Apollónia, en kwamen te Tessalonika aan, waar een synagoge der Joden was.
1Перейшовши ж Амфиполь та Аполонию, прийшли в Солунь, де була школа Жидівська.
2Volgens zijn gewoonte ging Paulus naar hen toe, en drie sabbatdagen achtereen disputeerde hij met hen uit de Schriften.
2По звичаю ж своєму, ввійшовши до них Павел, три суботи розмовляв з ними з писання,
3Hij zette hun uiteen en bewees: de Christus moest lijden en opstaan uit de doden; en: deze Christus is Jesus, dien ik u verkondig.
3виказуючи і доводячи, що треба було Христу постраждати і воскреснути з мертвих, і що се Христос Ісус, котрого я звіщаю вам.
4Sommigen van hen lieten zich overtuigen, en sloten zich bij Paulus en Silas aan; ook een groot aantal godvrezende heidenen, en vele aanzienlijke vrouwen.
4І деякі з них увірували, та й пристали до Павла та Сили, і побожних Єленян велике множество і жінок значних немало.
5Maar de Joden werden afgunstig. Met behulp van enige booswichten uit het gemene volk, verwekten ze een volksoploop, en brachten de stad in rep en roer. Voor het huis van Jason schoolden ze samen, en trachtten hen voor het volk te brengen.
5Завидуючи невірні Жиди, і назбиравши гультяїв, якихсь поганих людей, і зібравши купу, збунтували народ, і напавши на хату Ясонову, шукали їх, щоб вивести перед народ.
6Toen ze hen echter niet vonden, sleepten ze Jason en enige broeders voor het stadsbestuur, en schreeuwden: Die mensen, die de hele wereld in opschudding brengen, zijn nu ook hier;
6Не знайшовши ж їх, поволокли Ясона та кілька братів до городської старшини, гукаючи: Ті, що заколотили вселенну, і сюди поприходили;
7en Jason heeft ze in huis. Allen gaan ze tegen de bevelen van Caesar in; want ze zeggen, dat er een andere koning is: Jesus.
7Ясон прийняв їх; і всї вони йдуть проти уставів кесаревих, говорячи, що єсть иншій цар, Ісус.
8Zo brachten ze het volk in verwarring, maar ook het stadsbestuur, dat het hoorde.
8Стрівожили ж вони народ і городську старшину, що чули се.
9Dit eiste een borgstelling van Jason en de overigen; toen liet men ze vrij.
9І взявши поруку у Ясона і в инших, відпустили їх.
10Nog in dezelfde nacht zonden de broeders Paulus en Silas naar Berea. Zodra ze daar aankwamen, gingen ze naar de synagoge der Joden.
10Брати ж зараз уночі вислали Павла та Силу у Верию. Прибувши вони (туди), прийшли в Жидівську школу.
11Dezen waren beter gezind dan die van Tessalonika. Ze ontvingen het woord met alle bereidwilligheid, en onderzochten dagelijks de Schriften, of dit alles zo was.
11Сї ж були благороднїщі від тих, що в Солунї; вони прийняли слово з великою охотою, що-дня розбираючи писаннє, чи так воно є.
12Velen van hen geloofden dan ook; en een groot aantal aanzienlijke heidense vrouwen en mannen eveneens.
12Многі ж з них увірували, і з Єленських жінок поважних і з чоловіків не мало.
13Zodra echter de Joden van Tessalonika vernamen, dat door Paulus ook te Berea het woord Gods werd verkondigd, kwamen ze ook daar het volk ophitsen en in opschudding brengen.
13Як же довідались ті, що з Солуня Жиди, що і в Вериї проповідуєть ся від Павла слово Боже, то прийшли й сюди, бунтуючи народ.
14Maar terstond lieten de broeders Paulus toen naar zee vertrekken; Silas echter en Timóteus bleven daar.
14Зараз же післали тодї брати Павла, щоб йшов нїби над море, а Сила та Тимотей зостались.
15Zij, die Paulus begeleidden, brachten hem tot Athene; toen keerden ze terug, met een bevel voor Silas en Timóteüs, om zo spoedig mogelijk bij hem te komen.
15Ті, що провожали Павла, провели його аж до Атин, і, прийнявши наказ до Сили та Тимотея, щоб як найборжій прийшли до него, пійшли.
16Terwijl Paulus in Athene op hen wachtte, werd hij ten diepste bewogen, toen hij zag, dat de stad vol afgodsbeelden was.
16Як же дожидав їх Павел в Атинах, кипів дух його в йому, бачивши город, одданий ідольству.
17Hij disputeerde dus in de synagoge met de Joden en godvrezenden, en dagelijks op de markt met wie hij daar aantrof.
17Розмовляв же в школї з Жидами та з побожними, та й на торгу що-дня з тими, з ким довело ся.
18Ook enige epicurische en stoïsche wijsgeren vielen hem aan. Sommigen zeiden: Wat heeft die praatjesmaker eigenlijk te vertellen? Anderen: Hij schijnt een prediker van vreemde goden te zijn! Want hij had Jesus en de opstanding verkondigd.
18Деякі ж з философів Епикуреїв та Стоіків змагали ся з ним; і одні казали: Що хоче сей балакайло сказати? инші ж: Здаєть ся, буде проповідником чужих богів, — бо благовіствував їм Ісуса та воскресеннє.
19Ze namen hem mee, brachten hem op de Areopagus en zeiden: Mogen we weten, wat dit voor een nieuwe leer is, die ge verkondigt?
19І, схопивши його, повели в Ареопаг, говорячи: Чи можемо знати, що се ти за нову таку науку проповідуєш?
20Want ge laat ons heel vreemde dingen horen. We willen dus wel eens weten, wat dat alles betekent.
20Чуже бо щось вносиш в уші наші; то хочемо знати, що воно має бути.
21Want alle Atheners en de vreemdelingen, die bij hen zijn gevestigd, hebben voor niets anders tijd dan voor nieuwtjes vertellen, of nieuwtjes horen.
21Усї бо Атиняне і захожі чужоземцї нї про що инше не дбали, як говорити або слухати що нове.
22Paulus stond midden op de Areopagus, en sprak aldus: Mannen van Athene; overal bespeur ik, dat gij buitengewoon godsdienstig zijt.
22Ставши ж Павел посерединї Ареопага, рече: Мужі Атиняне, по всьому виджу, що ви вельми побожні.
23Want terwijl ik rondging en uw heiligdommen bezag vond ik zelfs een altaar met het opschrift: Aan een onbekenden god. Welnu, wat gij vereert zonder het te kennen, dat verkondig ik u.
23Бо, ходячи та дивлячись на божницї ваші, знайшов я жертівню, на котрій написано: Невідомому Богу. Кому ж ви, не відаючи, поклоняєтесь, того я проповідую вам.
24De God, die de wereld en al wat daarin is, gemaakt heeft, die de Heer is van hemel en aarde, Hij woont niet in tempels door handen gemaakt.
24Бог, що сотворив сьвіт і все в йому, сей неба і землї Господь, не в рукотворних храмах домує,
25Ook wordt Hij niet door mensenhanden verzorgd, alsof Hij aan iets behoefte had; Hij die aan allen leven en adem en alles geeft.
25нї від рук чоловічих служеннє приймає, дознаючи нужду в чому; сам бо дає всїм життє, і диханнє, і все;
26Hij heeft uit één vader alle volken der mensheid gemaakt, en ze over de ganse aarde doen wonen; Hij stelde bepaalde tijden vast, en de grenzen van hun woongebied;
26і зробив з однієї крови ввесь рід чоловічий, щоб жили на всему лицї землї, відграничивши наперед призначені часи і границї домування їх,
27opdat ze God zouden zoeken, of ze Hem misschien al tastende vinden, daar Hij toch niet ver is van ieder van ons.
27щоб шукали Господа, чей намацяють Його та знайдуть, хоч недалеко (Він) від кожного з нас.
28In Hem immers leven we, bewegen we, zijn we; zoals ook sommigen van uw dichters dit hebben gezegd “Want wij ook zijn van zijn geslacht.”
28Ним бо живемо й двигаємось, і єсьмо, як і деякі з ваших поетів мовляли: Його бо й рід ми.
29Zijn we dus van Gods geslacht, dan moeten we ook niet denken, dat de godheid gelijk is aan goud, zilver of steen, of aan beeldwerk van menselijke kunst en vinding.
29Бувши ж оце Божим родом, не мусимо думати, що Божество похоже на золото, або на камінь, різьбу, іскуства і видумки чоловічої.
30Maar thans heeft God de tijden der onwetendheid voorbijgezien; thans verkondigt Hij aan de mensen, aan allen en overal, dat ze zich bekeren moeten.
30От же не вважаючи на часи незнання, Бог тепер повелїває всїм людям усюди каятись;
31Want Hij heeft een dag bepaald, waarop Hij de wereld met rechtvaardigheid oordelen zal door een Man, dien Hij daartoe bestemd heeft. En hiervoor gaf Hij aan allen het zeker bewijs, door Hem op te wekken uit de doden.
31бо призначив день, в котрий судити ме вселенну правдою через Чоловіка, котрого наперед постановив, подаючи певноту всїм, воскресивши Його з мертвих.
32Maar toen ze hoorden van opstanding der doden, spotte de een, en zeide de ander: Daarover zullen we u later wel horen.
32Чуючи про воскресеннє мертвих, деякі сьміялись, инші ж казали: Послухаємо тебе знов про се.
33Zó ging Paulus van hen weg.
33І так Павел пійшов з посеред них.
34Toch sloten enige mannen zich bij hem aan, en geloofden; hiertoe behoorden ook Dionúsius de Areopagiet en een vrouw met name Dámaris, en anderen met hen.
34Деякі ж люде, приставши до него, увірували, між котрими і Дионисий Ареопагит, і жінка на ймя Дамара, і инші з ними.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.