Handelingen 17
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chamorro: Gospels, Acts and Psalms
1Ze namen hun weg over Amfipolis en Apollónia, en kwamen te Tessalonika aan, waar een synagoge der Joden was.
1YA anae guinen manmalofan inanaco Amfipolis yan Apolonia, manmato Tesalónica, anae guaja sinagogan Judios,
2Volgens zijn gewoonte ging Paulus naar hen toe, en drie sabbatdagen achtereen disputeerde hij met hen uit de Schriften.
2Ya si Pablo segun costumbreña, jumalom güije sija, ya tres sabado jaadingane sija ni y Tinigue.
3Hij zette hun uiteen en bewees: de Christus moest lijden en opstaan uit de doden; en: deze Christus is Jesus, dien ik u verkondig.
3Jadeclararayeja sija, na si Cristo nesesita ufamadese, ya ucajulo talo guinin y manmatae: ya este na Jesus ni y jusangane jamyo, güiya y Cristo.
4Sommigen van hen lieten zich overtuigen, en sloten zich bij Paulus en Silas aan; ook een groot aantal godvrezende heidenen, en vele aanzienlijke vrouwen.
4Ya palo guiya sija manmanjonggue, ya mandaña yan si Pablo yan Silas: yan y mandeboto na Griego un dangculon manada; ya ti didide na manmagas na famalaoan.
5Maar de Joden werden afgunstig. Met behulp van enige booswichten uit het gemene volk, verwekten ze een volksoploop, en brachten de stad in rep en roer. Voor het huis van Jason schoolden ze samen, en trachtten hen voor het volk te brengen.
5Lao y Judio sija pot y inigoñija, palo manaelaye na taotao gui mancanaya; ya mandaña un linajyan taotao jaatborota y siuda; ya maataca y guima Jason, ya maprocura manmaquecone sija juyong gui menan taotao.
6Toen ze hen echter niet vonden, sleepten ze Jason en enige broeders voor het stadsbestuur, en schreeuwden: Die mensen, die de hele wereld in opschudding brengen, zijn nu ook hier;
6Ya anae ti manmasoda, macone si Jason yan palo gui mañelo guato gui manmagas y siuda, ya managang ilegñija: Este yuje sija y munafanaatlibes y tano, ya manmato güine locue;
7en Jason heeft ze in huis. Allen gaan ze tegen de bevelen van Caesar in; want ze zeggen, dat er een andere koning is: Jesus.
7Ni y jaresibe si Jason; ya todo este sija cumocontra y tinago Sesat; ilegñija na guaja otro ray, si Jesus.
8Zo brachten ze het volk in verwarring, maar ook het stadsbestuur, dat het hoorde.
8Ya jaatborota todo y taotao yan y manmagas y siuda anae majungog este sija.
9Dit eiste een borgstelling van Jason en de overigen; toen liet men ze vrij.
9Ya anae manmañule segurida gui as Jason yan y pumalo, manmasotta.
10Nog in dezelfde nacht zonden de broeders Paulus en Silas naar Berea. Zodra ze daar aankwamen, gingen ze naar de synagoge der Joden.
10Ya anae puenge enseguidas matago ni y mañelo si Pablo yan Silas para Berea; ya anae manmato, manjalom gui sinagogan y Judios.
11Dezen waren beter gezind dan die van Tessalonika. Ze ontvingen het woord met alle bereidwilligheid, en onderzochten dagelijks de Schriften, of dit alles zo was.
11Este sija mas manmauleg qui ayo iya Tesalónica, sa rumesibe y sinangan contodo y minalagoñija, yan matataetae y Tinigue cada jaane, para umalie cao magajet ayo sija.
12Velen van hen geloofden dan ook; en een groot aantal aanzienlijke heidense vrouwen en mannen eveneens.
12Enaomina megae guiya sija manmanjonggue; yan y manjulon locue na famalaoan Griego, yan y lalaje ti didide.
13Zodra echter de Joden van Tessalonika vernamen, dat door Paulus ook te Berea het woord Gods werd verkondigd, kwamen ze ook daar het volk ophitsen en in opschudding brengen.
13Lao y Judios Tesalónica anae jatungo na japredidica si Pablo y sinangan Yuus guiya Berea, manmato locue güije, ya manafangalamten yan manafaninestotba y linajyan taotao sija.
14Maar terstond lieten de broeders Paulus toen naar zee vertrekken; Silas echter en Timóteus bleven daar.
14Ya enseguidas matago ni y mañelo si Pablo na ujanao asta y tase; lao si Silas yan Timoteo mañagaja güije.
15Zij, die Paulus begeleidden, brachten hem tot Athene; toen keerden ze terug, met een bevel voor Silas en Timóteüs, om zo spoedig mogelijk bij hem te komen.
15Ya ayo y umadadaje si Pablo, macone asta Atenas; ya manresibe tinago para si Silas yan Timoteo, na ujalaguse guato guiya güiya, ya manmapos.
16Terwijl Paulus in Athene op hen wachtte, werd hij ten diepste bewogen, toen hij zag, dat de stad vol afgodsbeelden was.
16Ya mientras manninanangga as Pablo guiya Atenas, calamten y espirituña gui sanjalomña anae jalie y siuda na bula y idolos.
17Hij disputeerde dus in de synagoge met de Joden en godvrezenden, en dagelijks op de markt met wie hij daar aantrof.
17Enaomina gui sinagoga jaadingane y Judio sija, yan y mandeboto na taotao sija, yan todo y asodaña gui plasa todo y jaane.
18Ook enige epicurische en stoïsche wijsgeren vielen hem aan. Sommigen zeiden: Wat heeft die praatjesmaker eigenlijk te vertellen? Anderen: Hij schijnt een prediker van vreemde goden te zijn! Want hij had Jesus en de opstanding verkondigd.
18Ya palo ni y manmalate gui finanagüe y Epicureo yan Estoicosija, managuaguat yan güiya, ya palo ilegñija: Jafa cumequeilegña este na caducon cuicuentos? Otro palo ilegñija: Buente mannae notisia y nuebo na yuus; sa jasangane sija as Jesus, yan y quinajulo talo.
19Ze namen hem mee, brachten hem op de Areopagus en zeiden: Mogen we weten, wat dit voor een nieuwe leer is, die ge verkondigt?
19Ya macone güe guato gui as Areopago, ilegñija. Siñajam intingo este y nuebo na finanagüe ni y unsasangan?
20Want ge laat ons heel vreemde dingen horen. We willen dus wel eens weten, wat dat alles betekent.
20Sa uunafanmanjujungogjam ni y güinaja ni tatnae injingog, enaomina manmalagojam intingo jafa estesija.
21Want alle Atheners en de vreemdelingen, die bij hen zijn gevestigd, hebben voor niets anders tijd dan voor nieuwtjes vertellen, of nieuwtjes horen.
21(Sa todo iya Atenas, yan y manaotao juyong ni y mañasaga güije, taya chechoñiñija na para ufanguentosja, yan para ufanecungog ni y nuebo na güinaja.)
22Paulus stond midden op de Areopagus, en sprak aldus: Mannen van Athene; overal bespeur ik, dat gij buitengewoon godsdienstig zijt.
22Ayonae tumojgue si Pablo gui talo gui Areopago, ya ilegña; Jamyo ni y lalajen Atenas, julie na guefdeboto jamyo.
23Want terwijl ik rondging en uw heiligdommen bezag vond ik zelfs een altaar met het opschrift: Aan een onbekenden god. Welnu, wat gij vereert zonder het te kennen, dat verkondig ik u.
23Sa anae malofanyo, ya juatan jafa y inadoranmimiyo, jusoda gui un attat este na tinigue: PARA Y TI MATUNGO NA YUUS. Ayo y inadodoraja ni y ti intingo; güiya jusangangane jamyo.
24De God, die de wereld en al wat daarin is, gemaakt heeft, die de Heer is van hemel en aarde, Hij woont niet in tempels door handen gemaakt.
24Si Yuus ni y fumatinas y tano yan todo y güinaja ni y mangaegue gui sumanjalomña; güiya Señot gui langet yan y tano, ti sumasaga gui templo ni y finatinas canae;
25Ook wordt Hij niet door mensenhanden verzorgd, alsof Hij aan iets behoefte had; Hij die aan allen leven en adem en alles geeft.
25Ni umasetbe ni y canae taotao sija, taegüije y guaja janesesita; sa güiya mannae todo linâlâ, yan jinagong, yan todo y güinaja;
26Hij heeft uit één vader alle volken der mensheid gemaakt, en ze over de ganse aarde doen wonen; Hij stelde bepaalde tijden vast, en de grenzen van hun woongebied;
26Ya güiya fumatinas unoja na jâgâ todo y nasion y taotao sija para ufañaga gui jilo y tano, jadetetmina tinancha y tiempoñija, yan y uttimon y saganñija;
27opdat ze God zouden zoeken, of ze Hem misschien al tastende vinden, daar Hij toch niet ver is van ieder van ons.
27Para ujaaligao y Señot, yaguin siña buente masiente ya umasoda güe, sa ti chago güe cada uno guiya jita.
28In Hem immers leven we, bewegen we, zijn we; zoals ook sommigen van uw dichters dit hebben gezegd “Want wij ook zijn van zijn geslacht.”
28Sa iya güiya nae utafanlâlâ yan utafangalamten, yan utafanguaja sustansiata; taegüije y palo gui poetan miyo, ilegñija: Sa jita locue y rasaña.
29Zijn we dus van Gods geslacht, dan moeten we ook niet denken, dat de godheid gelijk is aan goud, zilver of steen, of aan beeldwerk van menselijke kunst en vinding.
29Yaguin jita y rasan Yuus, mungajit jumaso na y yiniusan Yuus parejo yan oro, pat salape, pat acho, pat y finatinas y jinason y taotao.
30Maar thans heeft God de tijden der onwetendheid voorbijgezien; thans verkondigt Hij aan de mensen, aan allen en overal, dat ze zich bekeren moeten.
30Ya ti jaconsidera si Yuus y tiempo anae manaetiningo; lao pago, manago na todo y taotao ufanmañotsot;
31Want Hij heeft een dag bepaald, waarop Hij de wereld met rechtvaardigheid oordelen zal door een Man, dien Hij daartoe bestemd heeft. En hiervoor gaf Hij aan allen het zeker bewijs, door Hem op te wekken uit de doden.
31Sa jatancho un jaane, ni y anae para ujusga ni y tininas, y tano, ni ayo na taotao y jatago; ni y mannae testimonio todo y taotao, sa janacajulo guinin y manmatae.
32Maar toen ze hoorden van opstanding der doden, spotte de een, en zeide de ander: Daarover zullen we u later wel horen.
32Ya anae jajungog sija y quinajulo talo guinin y manmatae, palo manmanbotlea; ya y palo ilegñija: Injingog jao talo otro biaje, pot este.
33Zó ging Paulus van hen weg.
33Ya ayonae mapos si Pablo gui entaloñija.
34Toch sloten enige mannen zich bij hem aan, en geloofden; hiertoe behoorden ook Dionúsius de Areopagiet en een vrouw met name Dámaris, en anderen met hen.
34Lao palo mandaña guiya güiya, manmanjonggue: ya y palo güije sija, si Dionisio, taotao Areopago, yan un palaoan na y naanña Dámaris, yan palo mangachongñiñija.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.