Handelingen 11
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chamorro: Gospels, Acts and Psalms
1De apostelen en de broeders, die in Judea waren, vernamen dus, dat ook de heidenen het woord Gods hadden ontvangen.
1YA y apostoles yan y mañelo ni y manestaba Judea, jajungog na y Gentiles jaresibe locue y sinangan Yuus.
2En toen Petrus te Jerusalem kwam, begonnen de broeders uit de besnijdenis hem verwijten te doen,
2Ya anae mato si Pedro Jerusalem, managuaguat yan ayo sija y manmansirconsisida,
3en zeiden: Gij zijt bij onbesnedenen binnengegaan, en hebt met hen gegeten!
3Ilegñija: Jago jumajalom jao gui ti manmasirconsida, yan manjajamyo mañocho.
4Nu gaf Petrus hun een geregeld verslag van de aanvang af, en zeide:
4Lao si Pedro jasigue sumangane sija claro y sinesede, ilegña:
5Ik was in de stad Joppe bezig met bidden, toen ik in geestverrukking het volgende visioen zag: een soort zak, als een groot laken, werd aan de vier uiteinden afgelaten, daalde neer uit de hemel, en kwam naar mij toe.
5Estabayo gui siuda guiya Joppe na mananaetae; ya anae lalangoyo, julie y vision, un nayan tumunog, taegüije y dangculo na sabanas, ni mapolo pot cuatro punta ni y tumunog guinin y langet; ya mato guiya guajo:
6Toen ik er heel aandachtig naar keek, zag ik de viervoetige landdieren en de wilde beesten, het kruipend gedierte en de vogels uit de lucht.
6Ya anae juatan ayo, ya jujaso, julie y cuatro patasña na gâgâ gui tano, yan manmachaleg sija na gâgâ, yan y mangucunanaf na gâgâ, yan y pajaro sija gui aire.
7Ook hoorde ik een stem, die tot mij sprak: Sta op, Petrus, slacht en eet.
7Ya jujungog locue y inagang na ilegña nu guajo: Cajulo Pedro; puno ya uncano.
8Maar ik zeide: Onmogelijk, Heer; want nog nooit is er iets mijn mond ingegaan, wat bezoedeld is, of onrein.
8Lao ilegco: Aje, Señot: sa taya comun, pat áplacha guinin jumalom gui jalom pachotjo.
9Een tweede maal weerklonk een stem uit de hemel: Wat God rein heeft verklaard, moogt gij niet bezoedeld noemen.
9Lao jaopeyo talo y inagang guinin y langet, ilegña: Jafa y janagasgas si Yuus, chamo fumatitinas comun.
10Dit gebeurde tot driemaal toe; daarna werd alles weer naar de hemel opgetrokken.
10Ya este mafatinas tres biaje: ya todo manmachule talo guato gui langet.
11En zie, op hetzelfde ogenblik stonden er drie mannen, die van Cesarea tot mij waren gezonden, voor het huis, waar ik verblijf hield.
11Ya estagüe enseguidas manotojgue güije gui menan guma anae sumasagayo, tres na taotao, manmatago guinin Sesarea para iya guajo.
12En de Geest zeide mij, zonder enig bedenken met hen mee te gaan. Ook deze zes broeders gingen met mij mee, en we kwamen in het huis van dien man.
12Ya jatagoyo na judalalag sija ya chajo fumatitinas dinesparejo. Ya manjame yan este sija y saes na mañelo, ya manjalomjam gui guima y taotao:
13Deze verhaalde ons, hoe hij in zijn huis den engel had zien staan. die hem zeide: Zend enige mannen naar Joppe, om Simon te ontbieden, die ook Petrus wordt genoemd;
13Ya jasanganejam ni y liniiña ni y angjet ni y tumotojgue gui jalom gumaña, ya jaftaemano ilegña nu güiya: Fanago taotao para Joppe, ya uncone si Simon ni y apiyiduña Pedro;
14hij zal woorden tot u spreken, waardoor ge gered zult worden, met heel uw gezin.
14Ya unsinangane sinangan sija anae unsatbo; jago, yan todo y guimamo.
15Toen ik nu begon te spreken, daalde de Heilige Geest op hen neer, juist zoals vroeger op ons.
15Ya anae sigue di cumuentosyo, podong y Espiritu Santo gui jiloñija, taegüijeja gui jilota gui tutujonña.
16En ik herinnerde mij het woord, dat de Heer heeft gesproken “Johannes doopte wel met water, maar gij zult met den Heiligen Geest worden gedoopt”.
16Ayonae jujaso y sinangan y Señot, ni y ilegña: Si Juan, magajet na managpapange ni y janom; lao jamyo infanmatagpange ni y Espiritu Santo.
17Als God dan aan hen dezelfde gave geschonken heeft als aan ons, die in den Heer Jesus Christus geloven, wie was ik dan wel, dat ik God zou kunnen tegenwerken?
17Sa yaguin manninae sija locue as Yuus y ninae, taegüije y janaejit anae jumongguejit y Señot Jesucristo, ya jayeyo na siña jucontra si Yuus?
18Toen ze dit hadden gehoord, berustten zij er in, verheerlijkten God, en zeiden: Dus heeft God ook aan de heidenen de bekering ten leven geschonken.
18Ya anae jajungog sija estesija, manmamatquilo, ya manamalag si Yuus, ilegñija: Magajet na janae locue si Yuus y Gentiles sinetsot para linâlâ.
19Intussen waren zij, die zich hadden verspreid om de vervolging, door het optreden van Stéfanus ontstaan, tot Fenicië, Cyprus, en Antiochië doorgedrongen, en hadden aan niemand het woord verkondigd, dan aan de Joden alleen.
19Ya ayo sija y manmachalapon pot y mapetsiguen ni y Esteban, manjanao asta Finesia, yan Chipre, yan Antioquia, ya taya nae japredica y sinangan na ayoja sija y Judios.
20Maar na hun komst te Antiochië, begonnen sommigen van hen, de Cypriërs en de Cyreneërs, zich ook tot de heidenen te richten, en hun den Heer Jesus te verkondigen
20Ya palo guiya sija taotao Chipre, yan Sirene, ya anae manmato Antioquia, manguentos yan y Griegosija, ya japredica y Señot Jesus.
21En de hand des Heren was met hen: een groot aantal werd gelovig, en bekeerde zich tot den Heer.
21Ya mañisijaja yan y canae y Señot; ya megae manmanjonggue ya jabira sija para y Señot.
22Zodra het gerucht hiervan de kerk van Jerusalem ter ore kwam, vaardigde men Bárnabas naar Antiochië af.
22Ya mato este sija na notisia gui iglesia ni y estaba Jerusalem: ya matago si Barnabé, na ujanao asta Antioquia;
23Toen hij daar aankwam, en hij Gods genade zag, was hij verheugd, en spoorde allen aan, den Heer trouw te blijven, door de goede gesteltenis van hun hart;
23Ya anae mato, ya jalie y grasian Yuus, magof güe; ya jasangane sija todo, na nu sinasuyen y corasonñija, unafanmeton sija gui Señot:
24want hij was een vroom man, vol van den Heiligen Geest en van geloof. En een grote schare werd voor den Heer gewonnen.
24Sa güiya mauleg na taotao, ya bula ni y Espiritu Santo, yan jinenggue: ya megae na taotao manmafato gui Señot.
25Vervolgens vertrok hij naar Tarsus, om Saul op te zoeken; hij trof hem daar aan, en bracht hem naar Antiochië.
25Ayonae mapos güe para Tarso, para ualigao si Saulo:
26Een vol jaar bleven ze in deze gemeente bij elkander, en gaven ze onderricht aan een talrijke schare. Te Antiochië werden de leerlingen voor het eerst christenen genoemd.
26Ya anae jasoda, jacone guato Antioquia. Ya un año di mandadañaja güije yan iglesia, ya manmamananagüe megae na taotao; ya y disipulo sija manmafanaan finena mangilisyano guiya Antioquia.
27In die dagen kwamen er profeten van Jerusalem te Antiochië aan.
27Ya este sija na jaane, manmato profeta sija guinin Jerusalem para Antioquia,
28Een van hen, Agabus genaamd, trad op, en maakte door den Geest bekend, dat er een grote hongersnood over de hele wereld zou komen; wat dan ook onder Cláudius is gebeurd.
28Ya tumojgue julo uno guiya sija, na y naanña Agabo, ya janamatungo pot y Espiritu na uguaja un dangculon niñalang gui todo y tano: ya umasusede gui tiempon Claudio Sesat.
29De leerlingen besloten, om elk naar vermogen een ondersteuning te zenden aan de broeders, die in Judea woonden.
29Ayonae y disipulo sija, cada uno jaftaemano y güinajaña, jadetetmina para umanamamaela inayuda para y mañelo ni y mañasaga Judea:
30Dat hebben ze dan ook gedaan, en ze aan de priesters toegezonden door bemiddeling van Bárnabas en Saul.
30Ya sija locue jafatinas, janamaela para y manamco pot y canae Barnabé yan Saulo.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.