Handelingen 13
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Er waren nu in de Kerk te Antiochië de volgende profeten en leraars: Bárnabas; Simon, bijgenaamd Niger; Lúcius, de Cyreneër; Mánahen, de zoogbroeder van den viervorst Herodes, en Saul.
1Були ж у церкві, що була в Антиохиї, деякі пророки та вчителї: Варнава та Симеон, званий Нигером, та Лукий Киринейський, та Манаіл, зрощений з Іродом четверовластником, та Савло.
2Terwijl ze nu eens de dienst des Heren vierden en vastten, zeide de Heilige Geest: Zondert mij Saul en Bárnabas af voor het werk, waartoe Ik ze geroepen heb.
2Як же служили Господеві та постили, рече Дух сьвятий: Відлучіть менї Варнаву та Савла на дїло, до котрого покликав я їх.
3Toen legde men hun, na vasten en bidden, de handen op, en zond hen uit.
3Тодї вони, попостивши та помолившись і положивши руки на них, відпустили їх.
4Nadat zij dus door den Heiligen Geest waren uitgezonden, gingen ze naar Seléucië, en zeilden vandaar naar Cyprus.
4Вони ж, послані від Духа сьвятого, прийшли у Селевкию, а звідтіля відплили в Кипр.
5En te Sálamis gekomen, preekten ze het woord Gods in de synagogen der Joden. Ze hadden ook Johannes als medehelper.
5І, бувши в Саламинї, проповідували слово Боже по школах Жидівських; мали ж і Йоана за слугу.
6Toen ze het hele eiland hadden afgereisd tot Pafos toe, troffen ze daar een jood aan, een tovenaar en vals profeet, Bar-Jesus genaamd;
6Пройшовши ж остров аж до Пафи, знайшли одного чарівника, Жидівського лжепророка, на ймя Вар-Ісуса,
7hij hoorde tot het gevolg van den proconsul Sérgius Paulus, een verstandig man. Deze ontbood Bárnabas en Saul, en gaf het verlangen te kennen, het woord Gods te vernemen.
7котрий був у старости Сергія Павла, чоловіка розумного. Сей, покликавши Варнаву та Савла, бажав слухати слово Боже.
8Maar Élumas de tovenaar, (want zo is de vertaling van zijn naam) werkte hen tegen, en zocht den proconsul van het geloof afkerig te maken.
8Противив ся ж їм Єлима чарівник (так бо перекладаєть ся імя його), шукаючи одвернути старосту од віри.
9Maar Saul, die ook Paulus heet, vervuld van den Heiligen Geest, keek hem strak in het gezicht,
9Савло ж, — (він же) й Павел, сповнившись сьвятим Духом, і подивившись на него,
10en sprak: Gij, duivelskind, vol van allerlei list en bedrog, vijand van alle gerechtigheid, zult ge dan nooit ophouden de rechte wegen des Heren krom te maken?
10сказав: Ой ти, повний усякого підступу і всякого зла, сину дияволів, вороже всякої правди! чи (нїколи) не перестанеш розвертати праві дороги Господнї?
11Zie, thans is de hand des Heren op u; ge zult blind zijn, en een tijd lang de zon niet meer zien. Op hetzelfde ogenblik viel nevel en duisternis op hem neer; en rondtastende zocht hij naar iemand, om hem bij de hand te leiden.
11Оце ж рука Господня на тебе, й будеш слїпий, і не бачити меш сонця до часу. І зараз обняв його туман і темрява й слоняючись (мацяючи) шукав, хто б його провів за руку.
12Bij het zien van dat voorval, en diep getroffen ook door de leer des Heren, werd de proconsul gelovig.
12Тодї видївши староста, що сталось, увірував, дивуючись наукою Господньою.
13Nu voeren Paulus en zijn gezellen van Pafos weg, en kwamen te Perge in Pamfúlië aan. Daar scheidde Johannes zich van hen af, en keerde naar Jerusalem terug
13Пустивши ся ж із Пафи ті, що круг Павла, прийшли в Пергию Панфилську; Йоан же, відлучившись від них, вернувсь у Єрусалим.
14Zelf trokken ze van Perge uit verder het land in, en kwamen te Antiochië in Pisidië aan. Op de sabbat gingen ze de synagoge binnen, en namen daar plaats.
14Вони ж, перейшовши з Пергиї, прибули в Антиохию Писидийську, і ввійшовши в школу субітнього дня, посїдали.
15Na de voorlezing van de wet en de profeten lieten de oversten der synagoge hun vragen: Mannen, broeders, zo gij iets te zeggen hebt ter opwekking van het volk, neemt dan het woord.
15Як же прочитано з закону та пророків, післала старшина шкільна до них, говорячи: Мужі брати, коли маєте слово утїшення до людей, то промовте.
16Toen stond Paulus op, wenkte met de hand om stilte, en sprak Mannen van Israël en gij godvrezenden hoort:
16Вставши ж Павел і повівши рукою, рече: Мужі Ізраїлські і богобоязливі, слухайте:
17De God van dit volk van Israël heeft onze vaderen uitverkoren, het volk groot gemaakt tijdens hun ballingschap in het land van Egypte, en hen weggevoerd met machtige arm.
17Бог народу Ізраїлського вибрав отцїв наших, і підняв угору народ, як був він захожим у землї Єгипецькій, і рамям високим вивів їх з неї.
18Toen heeft Hij veertig jaar ongeveer in de woestijn hen vertroeteld.
18І до сорока лїт годував їх у пустинї.
19Hij heeft zeven volkeren in het land van Kánaän verdelgd, en hun het land als erfdeel geschonken.
19А зруйнувавши сїм народів у землї Канаанській, попаював їм землю їх.
20Daarna gaf Hij hun ongeveer vierhonderdvijftig jaar lang rechters tot aan Sámuël, den profeet.
20А після сього лїт з чотириста й пятьдесять давав (їм) суддїв до Самуїла пророка.
21Toen vroegen ze een koning, en God gaf hun Saul, den zoon van Kis, een man uit Benjamins stam, veertig jaar lang.
21А потім забажали вони царя, і дав їм Бог Саула, сина Кисового, чоловіка з роду Беняминового, на сорок лїт.
22Nadat Hij hem had verworpen, verwekte Hij hun David tot koning, van wien Hij heeft getuigd en gezegd “Ik heb David, den zoon van Jesse, gevonden, een man naar mijn hart, die volbrengen zal al wat Ik wil.”
22А відсунувши його, підняв їм Давида за царя, котрому сьвідкуючи, рече: Знайшов я Давида сина Єссеєвого, чоловіка по серцю моєму, котрий вчинить усю волю мою.
23Uit zijn zaad heeft God, naar zijn belofte, voor Israël Jesus als Verlosser doen opstaan.
23Із його ж насїння підняв Бог по обітуванню Ізраїлеві Спасителя Ісуса,
24Reeds vóór Hij optrad, had Johannes aan het ganse volk van Israël een doopsel van boete gepreekt;
24перед котрого приходом проповідував Йоан хрещеннє покаяння всьому народові Ізраїлевому.
25en toen zijn levenstaak ten einde liep, heeft Johannes gezegd “Hij, voor wien gij mij houdt, ben ik niet; maar zie, na mij komt er Een, wiens schoeisel ik niet waardig ben te ontbinden”.
25Сповнивши ж Йоан путь свій, рече: Хто я, думаєте ви? Се не я. А ось іде за мною, котрому я недостоєн обувє ніг розвязати.
26Mannen broeders, zonen uit Abrahams geslacht en de godvrezenden onder u: tot ons is dit woord van verlossing gezonden.
26Мужі брати, синове роду Авраамового, і всї богобоязливі між вами, вам слово спасення сього послано.
27Zeker, de bewoners van Jerusalem en hun hoofden hebben Hem miskend; en door hun vonnis hebben ze in vervulling doen gaan, wat de profeten hebben voorspeld, en wat iedere sabbat wordt voorgelezen.
27Ті бо, що жили в Єрусалимі, і князї їх, не зрозумівши сього і голосів пророчих, читаних що-суботи, сповнили їх, осудивши Його,
28Ofschoon ze niets hadden gevonden wat de doodstraf verdiende, hebben ze toch Pilatus gevraagd, Hem te doden;
28і, не знайшовши нїякої вини смерти, просили Пилата убити Його.
29en toen ze alles hadden voltrokken, wat over Hem geschreven staat, heeft men Hem van het kruis genomen en neergelegd in een graf.
29Як же скінчилось усе, що про Него писано, знявши з дерева, положили у гробі;
30Maar God heeft Hem opgewekt uit de doden. En dagen lang is Hij verschenen aan hen,
30Бог же воскресив Його з мертвих.
31die met Hem van Galilea naar Jerusalem waren gegaan, en die nu zijn getuigen zijn bij het volk.
31Многі днї являв ся Він тим, що поприходили з Ним з Галилеї в Єрусалим; вони сьвідки Його перед людьми.
32En wij. wij verkondigen u de Belofte. aan onze vaderen gedaan.
32А ми вам благовіствуємо обітуваннє, дане отцям,
33Want God heeft ze voor ons, hun kinderen vervuld door Jesus te verwekken. zoals dat ook in de tweede Psalm staat geschreven “Gij zijt mijn Zoon; Ik heb U heden verwekt.”
33що його Бог сповнив нам, дїтям їх, піднявши Ісуса, як і в другій псальмі написано: Син мій єси Ти; я сьогоднї родив Тебе.
34En dat Hij Hem uit de doden heeft opgewekt, en Hij niet meer tot bederf terugkeren zou, heeft Hij aldus verklaard “Ik zal u de heilige gunsten schenken, aan David verzekerd.”
34А що воскресив Його з мертвих, так, що більш не вернеть ся на зотлїннє, то так глаголав: дам вам сьвятий Давидів завіт.
35Daarom juist zegt Hij ook op een andere plaats “Gij laat uw Heilige het bederf niet aanschouwen.”
35Тим і в иншій (псальмі) глаголе: Не даси Сьвятому твоєму видїти зотлїння.
36Welnu, David is ontslapen, na bij zijn leven Gods wil te hebben volbracht; hij is bij zijn vaderen verzameld, en heeft het bederf gezien.
36Давид бо, послуживши своєму родові, Божою волею уснув, і положено його до батьків його, і ввидїв зотлїннє;
37Maar Hij, dien God deed verrijzen. heeft geen bederf gezien.
37Той же, що Його Бог підняв, не видїв зотлїння.
38Weet dus, mannen broeders, dat door Hem u vergiffenis van zonden wordt aangekondigd; en dat van alles, waarvan gij door de Wet van Moses niet gerechtvaardigd kondt worden,
38Відоме ж нехай буде вам, мужі брати, що через Него вам прощеннє гріхів проповідуєть ся;
39een ieder, die gelooft, gerechtvaardigd wordt door Hem.
39і від чого не могли ви у законї Мойсейовім оправдити ся, у Тому всякий віруючий оправдуєть ся.
40Zorgt er dus voor, dat u niet overkomt, wat geschreven staat bij de profeten
40Гледїть же, щоб не прийшло на вас те, що сказано в пророків:
41“Hooghartigen, ziet toe, staat verbaasd en verdwijnt; Want Ik ga een werk in uw dagen verrichten: Een werk, dat gij niet zoudt geloven, Wanneer men het u vertelt.”
41Дивіть ся, гордівники, та дивуйтесь, та й пощезайте, бо дїло роблю я в днї ваші, дїло, котрому не увірили б, коли б хто розказував вам.
42Toen ze weggingen, verzocht men hun, om de volgende sabbat hetzelfde onderwerp met hen te behandelen.
42Як же виходили вони з школи, просили їх погане, щоб і другої суботи говорили слова сї.
43En bij het uitgaan van de synagoge gingen vele Joden en godvrezende proselieten met Paulus en Bárnabas mee. Dezen onderhielden zich met hen, en vermaanden ze, om in de genade Gods te volharden.
43Як же розійшлась школа, тодї многі з Жидів і побожних нововірцїв ішли слїдом за Павлом та Варнавою, котрі, розмовляючи з ними, напоминали їх, щоб пробували в благодатї Божій.
44De volgende sabbat kwam bijna de hele stad te zamen, om het woord Gods te horen.
44А другої суботи мало не ввесь город зібрав ся слухати слово Боже.
45Maar toen de Joden die scharen zagen, werden ze van afgunst vervuld, en bestreden de woorden van Paulus met schelden.
45Видївши ж Жиди народ, сповнились завистю, і перечили речам Павла та хулили.
46Toen verklaarden Paulus en Bárnabas met grote beslistheid: Aan u moest het eerst Gods woord worden verkondigd; maar nu ge het verwerpt, en uzelf het eeuwige leven niet waardig oordeelt, zie. nu wenden we ons tot de heidenen.
46Озвавшись Павел та Варнава, сказали сьміливо: До вас треба було перше промовити слово Боже; коли ж відкинули ви його і вважаєте себе за недостойних життя вічнього, то ось обертаємось до поган.
47Want zó heeft de Heer ons bevolen “Ik heb u gesteld tot een licht voor de heidenen, Opdat gij tot heil wordt tot aan de grenzen der aarde.”
47Так бо заповів нам Господь: Я поставив тебе сьвітлом поганам, щоб був ти на спасеннє до краю землї.
48Toen de heidenen dit hoorden, verheugden ze zich, en prezen het woord des Heren; en allen die voorbeschikt waren ten eeuwigen leven, werden gelovig.
48Слухаючи ж погане, зрадїли, і прославляли слово Господнє, і увірували, скільки було їх призначено до вічнього життя.
49En het woord des Heren verbreidde zich door heel die streek.
49Розносило ся ж слово Боже по всїй тій сторонї.
50Maar de Joden ruiden de aanzienlijke vrouwen der godvrezenden en de voornaamste burgers der stad op; ze verwekten een vervolging tegen Paulus en Bárnabas, en verdreven ze uit hun gebied.
50Жиди ж наустили побожних та поважних жінок і перших у городї, і підняли гоненнє на Павла та Варнаву, та й вигнали їх із гряниць своїх.
51Dezen schudden het stof van hun voeten tegen hen af, en gingen naar Ikónium.
51Вони ж обтрусивши порох од ніг своїх на них, пійшли в Іконию.
52De leerlingen echter bleven vervuld van blijdschap en van den Heiligen Geest.
52Ученики ж сповнились радощами та сьвятим Духом.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.