Handelingen 4
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Modern Hebrew Bible
1Terwijl ze nog spraken tot het volk, kwamen de priesters met den hoofdman van de tempelwacht en de sadduceën op hen af,
1ויהי בדברם אל העם ויקומו עליהם הכהנים ונגיד בית המקדש והצדוקים׃
2vergramd, omdat ze het volk onderrichtten, en in Jesus’ persoon de opstanding uit de doden verkondigden.
2כי חרה להם על אשר למדו את העם והגידו בישוע את תחית המתים׃
3Ze sloegen de hand aan hen, en brachten ze in verzekerde bewaring tot de volgende morgen; want het was reeds avond.
3וישלחו בהם את ידיהם וישימום במשמר עד למחר כי כבר בא הערב׃
4Maar velen van hen, die de prediking hadden gehoord, werden gelovig; het getal der mannen steeg tot vijf duizend ongeveer.
4ורבים מהשמעים את הדבר האמינו ויהי מספר האנשים כחמשת אלפים׃
5De volgende morgen kwamen de oversten, oudsten en schriftgeleerden van Jerusalem bijeen,
5ויהי ממחרת ויקהלו שריהם ראשיהם וזקניהם וסופריהם ירושלים׃
6te zamen met Annas, den hogepriester, met Káifas, Johannes en Alexander, en met allen, die tot het hogepriesterlijk geslacht behoorden.
6וחנן הכהן הגדול וקיפא ויוחנן ואלכסנדרוס וכל אשר ממשפחת הכהן הגדול׃
7Ze lieten hen voorbrengen, en vroegen: Door welke macht en in wiens naam hebt gij dit gedaan?
7ויעמידו אתם בתוך וישאלום באי זה כח ובאי זה שם עשיתם זאת׃
8Nu sprak Petrus, vervuld van den Heiligen Geest, hun toe: Oversten van het volk, en oudsten!
8וימלא פטרוס רוח הקדש ויאמר אליהם אתם ראשי העם וזקני ישראל׃
9Wanneer we heden gerechtelijk worden verhoord over een weldaad aan een gebrekkig mens be- wezen, en over het middel waardoor hij genas,
9אם אנחנו נחקרים היום על הטובה אשר עשינו לאיש חולה ושאלתם במה זה נושע׃
10dan zij het u allen en heel het volk van Israël bekend, dat deze man gezond hier voor u staat door de naam van Jesus Christus van Názaret, dien gij hebt gekruisigd, maar dien God heeft opgewekt uit de doden.
10יודע לכלכם ולכל עם ישראל כי בשם ישוע המשיח הנצרי אשר צלבתם אותו ואשר האלהים הקימו מן המתים כי בשמו עמד זה לפניכם בריא׃
11Hij is “de steen, die gij, de bouwlieden, hebt verworpen; en Hij is de hoeksteen geworden.”
11והוא האבן אשר מאסתם אתם הבונים ותהי לראש פנה׃
12Bij niemand anders is er redding. Want onder de hemel is geen andere Naam aan de mensen gegeven, waardoor we zalig moeten worden.
12ואין הישועה באחר ואין תחת השמים שם אחר הנתן לבני אדם אשר בו נושע׃
13Toen ze de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes zagen, en bemerkten, dat het maar ongeletterde en eenvoudige mensen waren, stonden ze verbaasd en herkenden hen als de gezellen van Jesus.
13ויהי כאשר ראו את בטחון לב של פטרוס ויוחנן והבינו כי הדיוטים ולא בעלי חכמה המה ויתמהו עליהם ויכירום כי התהלכו עם ישוע׃
14Maar omdat ze ook den genezen man bij hen zagen staan, konden ze er niets tegen inbrengen.
14ובראותם את האיש הנרפא עמד אצלם לא מצאו לדבר נגדם דבר׃
15Ze geboden hun dus, zich uit de vergadering te verwijderen. Toen overlegden ze met elkander,
15ויצוו אתם לצאת חוצה מן הסנהדרין ויתיעצו יחדו׃
16en zeiden: Wat moeten we met die mensen doen? Want dat er door hen een opzienbarend wonder verricht is, weten alle inwoners van Jerusalem; we kunnen het dus niet loochenen.
16ויאמרו מה נעשה לאנשים האלה הנה אות גלוי נעשה על ידיהם וגם מפרסם לכל ישבי ירושלים ולא נוכל לכחש בו׃
17Maar om te beletten, dat het nog verder onder het volk wordt verbreid, moeten we hun ten strengste verbieden, nog iemand ter wereld over die Naam te spreken.
17אך למען לא ירבה הדבר בעם ויפרץ נזהירה אתם בגערה לבלתי דבר עוד לכל אדם בשם הזה׃
18Nu riepen ze hen binnen, en verboden hun ten strengste, te spreken of te onderwijzen in Jesus’ naam.
18ויקראו אתם ויצוום אשר לא ידברו דבר ולא ילמדו בשם ישוע׃
19Maar Petrus en Johannes antwoordden hun: Oordeelt zelf, of we het voor God verantwoorden kunnen, naar u te luisteren meer dan naar God.
19ויענו פטרוס ויוחנן ויאמרו אליהם הנכון הוא לפני האלהים שמע לכם יתר משמע לאלהים שפטו אתם׃
20Neen. we kunnen niet zwijgen wat we hebben gezien en gehoord.
20כי לא נוכל אנחנו לחדל מדבר את אשר ראינו ושמענו׃
21Daarop begonnen ze hen te bedreigen; maar ze lieten hen ten slotte vrij, daar ze om het volk geen kans zagen, hen te straffen; allen toch verheerlijkten God om wat er gebeurd was.
21ויוסיפו לגער בם ויפטרו אתם באשר לא מצאו דבר לענוש אתם מפני העם כי כלם מהללים את האלהים על הנעשה׃
22Want de man, aan wien dat wonder van genezing was geschied, was meer dan veertig jaren oud
22כי בן ארבעים שנה ומעלה היה האיש ההוא אשר נעשה עמו אות הרפואה הזאת׃
23Nadat ze waren vrijgelaten, begaven ze zich naar hun broeders, en deelden hun alles mee, wat de opperpriesters en oudsten hun hadden gezegd.
23ואחרי הפטרם באו אל אחיהם ויספרו להם את אשר אמרו אליהם הכהנים הגדולים והזקנים׃
24Toen ze dit hoorden, verhieven ze eenparig hun stem tot God, en zeiden: Gij Heer, Schepper van hemel en aarde en zee, en van al wat erin is:
24ויהי כאשר שמעו את זאת וישאו את קולם בלב אחד לאלהים ויאמרו אדני אתה האל העשה את השמים ואת הארץ ואת הים ואת כל אשר בם׃
25Gij zijt het, die in den Heiligen Geest door de mond van onzen vader David, uw dienaar, gezegd hebt “Waarom razen de volken, Bluffen de naties,
25אשר אמרת בפי עבדך דוד למה רגשו גוים ולאמים יהגו ריק׃
26Komen de koningen der aarde bijeen, Spannen de vorsten samen tegen den Heer en zijn Christus?”
26יתיצבו מלכי ארץ ורוזנים נוסדו יחד על יהוה ועל משיחו׃
27Waarachtig, ze hebben in deze stad samengespannen tegen Jesus, uw heiligen Dienaar, dien Gij gezalfd hebt: Herodes en Póntius Pilatus met de heidenen en de stammen van Israël:
27כי אמנם נוסדו הורדוס ופנטיוס פילטוס עם הגוים ולאמי ישראל על ישוע עבדך הקדוש אשר משחת׃
28om te voltrekken wat uw hand en uw raadsbesluit vooruit had beschikt.
28לעשות את אשר ידך ועצתך מקדם גזרה להיות׃
29Nu dan Heer, houd hun bedreiging in het oog, en verleen aan uw dienaars, om met alle vrijmoedigheid uw woord te spreken:
29ועתה אדני ראה את גערתם ותן לעבדיך לדבר את דברך בכל בטחון לבם׃
30door uw hand uit te strekken tot genezing, tot tekenen en wonderen, door de naam van Jesus, uw heiligen Dienaar.
30בנטתך את ידך למרפא ולתת אתות ומופתים בשם ישוע עבדך הקדוש׃
31Na hun gebed trilde de plaats, waar ze waren vergaderd; allen werden vervuld van den Heiligen Geest, en spraken vrijmoedig Gods woord.
31ויהי כאשר התפללו וינע המקום אשר היו נקהלים שם וימלאו כלם רוח הקדש וידברו את דבר האלהים בבטחון לבב׃
32De groep van gelovigen was één van hart en ziel; er was er niet één, die iets van het zijne zijn eigendom noemde, maar ze hadden alles gemeen
32וקהל המאמינים היה להם לב אחד ונפש אחת ואין איש מהם אומר על אשר בידו לי הוא כי הכל היה להם בשתפות׃
33Met grote kracht legden de apostelen getuigenis af van de verrijzenis van Jesus, den Heer, en aan allen werd grote genade geschonken.
33ובגבורה גדולה יעידו השליחים על תקומת האדון ישוע וחסד גדול נמשך לכלם׃
34Er was inderdaad geen enkele noodlijdende onder hen. Want allen, die landerijen of huizen bezaten, verkochten ze, brachten de opbrengst mee,
34כי לא היה בהם חסר דבר כי כל בעלי שדות ובתים מכרו אתם ויביאו את כסף מחירם׃
35en legden die voor de voeten der apostelen neer; dan werd er uitgedeeld naar ieders behoefte.
35וישימהו לרגלי השליחים ויתן לכל איש ואיש די מחסרו׃
36Zo was er een zekere Josef, door de apostelen Bárnabas (dat is: zoon van vertroosting) geheten, een leviet, van Cyprus afkomstig;
36ויוסף אשר כנוהו השליחים בשם בר נבא פרושו בן הנחמה איש לוי אשר נולד בארץ כתים׃
37hij bezat een stuk land, verkocht het, bracht het geld mee, en legde het voor de voeten der apostelen neer.
37גם לו היה שדה וימכרהו ויבא את הכסף וישימהו לרגלי השליחים׃
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.