Handelingen 8
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Modern Hebrew Bible
1Nog op diezelfde dag brak er een hevige vervolging tegen de kerk van Jerusalem los; en allen verspreidden zich over het land van Judea en Samaria, behalve de apostelen.
1ושאול גם הוא היה רצה בהרגתו ותהי ביום ההוא רדיפה גדולה על הקהלה אשר בירושלים ויפצו כלם בערי יהודה ושמרון לבד מן השליחים׃
2Vrome mannen droegen Stéfanus ten grave, en bedreven zware rouw over hem.
2וישאו אנשים חסידים את אסטפנוס ויקברהו ויספדו עליו מספד גדול׃
3Ook Saul woedde tegen de Kerk; hij drong de huizen binnen, en sleepte mannen en vrouwen weg, om ze gevangen te zetten.
3ושאול החריב את הקהלה וישוטט בבתים ויסחב משם אנשים ונשים ויסגירם לכלא׃
4Zij, die zich hadden verspreid, trokken overal rond, om het woord te verkondigen.
4והנפוצים עברו בארץ ויבשרו את הדבר׃
5Zo kwam ook Filippus in de stad Samaria, en preekte hun den Christus.
5ופילפוס ירד אל עיר שמרון ויכרז להם את המשיח׃
6Eenparig luisterde het volk met grote aandacht naar wat Filippus sprak, daar ze de wonderen hoorden en zagen, die hij verrichtte.
6ויקשב המון העם בלב אחד אל אמרי פילפוס בשמעם ובראותם את האתות אשר עשה׃
7Want van vele bezetenen gingen de onreine geesten luid schreeuwende uit; vele lammen en kreupelen werden genezen.
7כי רבים היו אחוזי רוחות הטמאה והרוחות יצאו מהם צעקות בקול גדול ורבים נכי אברים ופסחים וירפאו׃
8Zo heerste er in die stad grote vreugde.
8ותהי שמחה גדולה בעיר ההיא׃
9Maar in die stad bevond zich een man, Simon genaamd, die reeds vroeger toverkunsten had verricht en het volk van Samaria in verbazing had gebracht; hij beweerde, iets heel bijzonders te zijn.
9ואיש אחד ושמו שמעון היה מלפנים בעיר מכשף ומשמים את עם שמרון באמרו על נפשו כי גדול הוא׃
10Allen, klein en groot, hingen hem aan, en zeiden: Hij is, wat men noemt, de grote kracht Gods.
10ויקשיבו אליו מקטנם ועד גדולם לאמר זה הוא גבורת האלהים הגדולה׃
11Ze hingen hem aan, omdat hij hen reeds lange tijd door zijn toverkunsten in verbazing had gebracht.
11ויקשיבו אליו על היותו משמים אותם בכשפיו ימים רבים׃
12Maar nu ze aan de prediking van Filippus geloofden over het koninkrijk Gods en over de naam van Jesus Christus, lieten mannen en vrouwen zich dopen.
12ויהי כאשר האמינו לפילפוס בבשרו את מלכות האלהים ואת שם ישוע המשיח ויטבלו אנשים ונשים׃
13Ook Simon zelf geloofde, liet zich dopen, en sloot zich bij Filippus aan. Zo zag hij de tekenen en grote wonderen gebeuren; en hij stond stom van verbazing.
13ויאמן שמעון גם הוא ויטבל וידבק בפילפוס וירא את האתות והמפתים הגדלים אשר נעשו וישתומם׃
14Toen de apostelen te Jerusalem vernamen, dat Samaria het woord Gods had aangenomen, zonden ze Petrus en Johannes er heen.
14וישמעו השליחים אשר בירושלים כי קבלה שמרון את דבר האלהים וישלחו אליהם את פטרוס ואת יוחנן׃
15Zij kwamen af, en baden voor hen, dat ze den Heiligen Geest zouden ontvangen.
15וירדו שמה ויתפללו בעדם אשר יקבלו את רוח הקדש׃
16Want deze was nog op niemand hunner neergedaald; ze waren alleen maar gedoopt in de naam van den Heer Jesus.
16כי הרוח לא צלחה עד עתה על אחד מהם והם רק נטבלים בשם האדון ישוע׃
17Nu legden ze hun de handen op en ze ontvingen den Heiligen Geest.
17ויסמכו את ידיהם עליהם ויקבלו את רוח הקדש׃
18Toen Simon zag, dat door de handoplegging der apostelen de Geest werd meegedeeld, bood hij hun geld aan
18ויהי בראות שמעון כי בסמיכות ידי השליחים נתן רוח הקדש ויבא לפניהם כסף׃
19en zeide: Geeft ook mij die macht, dat ieder, wien ik de handen opleg, den Heiligen Geest ontvangt.
19ויאמר תנו נא גם לי את היכלת הזאת אשר יקבל את רוח הקדש כל אשר אשים עליו את ידי׃
20Maar Petrus sprak tot hem: Uw geld ga met u ten verderve, omdat ge gemeend hebt, de gave Gods voor geld te verkrijgen.
20ויאמר אליו פטרוס כספך יהי אתך לאבדון יען חשבת לקנות במחיר את מתת האלהים׃
21Ge kunt geen deel hieraan hebben; want uw hart is niet oprecht tegenover God.
21אין לך חלק וגורל בדבר הזה כי לבבך איננו ישר לפני האלהים׃
22Heb dus berouw over uw boosheid, en bid tot God, dat die toeleg van uw hart u vergeven mag worden;
22ועתה שוב מרעתך זאת והתחנן אל האלהים אולי תסלח לך מזמת לבבך׃
23want ik zie u bitter als gal, en in de ongerechtigheid verstrikt
23כי ראה אנכי כי באת לידי מרורת רוש וחרצבות רשע׃
24Simon antwoordde Bidt gij voor mij tot den Heer, dat niets van wat gij gezegd hebt, mij treffe.
24ויען שמעון ויאמר העתירו אתם בעדי אל יהוה לבלתי בוא עלי דבר מכל אשר אמריתם׃
25Nadat ze hun getuigenis hadden afgelegd, en het woord des Heren hadden verkondigd, keerden ze naar Jerusalem terug, terwijl ze nog in meerdere dorpen der Samaritanen het evangelie preekten.
25והמה אחרי אשר העידה ודברו את דבר יהוה שבו ירושלים ויבשרו את הבשורה בכפרים רבים אשר לשמרונים׃
26En een engel des Heren sprak tot Filippus: Sta op, en ga tegen de middag de weg op, die van Jerusalem naar Gaza loopt, en wel de woestijnweg
26וידבר מלאך יהוה אל פילפוס לאמר קום לך הנגבה על הדרך הירדת מירושלים עזתה והיא חרבה׃
27Hij stond op, en ging. En zie, een man uit Ethiopië, een hooggeplaatst kamerdienaar en opperschatmeester van Kandake, de koningin der Ethiopiërs, was ter aanbidding naar Jerusalem gekomen.
27ויקם וילך והנה איש כושי והוא סריס ושליט לקנדק מלכת כוש וממנה על כל גנזיה אשר עלה אל ירושלים להשתחות׃
28Nu was hij op de terugreis, en zat op zijn wagen den profeet Isaias te lezen.
28ויהי בשובו והוא ישב על מרכבתו וקרא בספר ישעיה הנביא׃
29En de Geest sprak tot Filippus: Ga naast die wagen lopen.
29ויאמר הרוח אל פילפוס גשה והלוה על המרכבה הזאת׃
30Filippus ging er naar toe, hoorde hem den profeet Isaias lezen, en zeide: Begrijpt ge wel, wat ge leest?
30וירץ פילפוס אליה וישמע אתו קרא בספר ישעיה הנביא ויאמר הגם תבין את אשר אתה קורא׃
31Hij antwoordde: Hoe zou ik het kunnen, zo niemand mij leiding geeft? Daarop nodigde hij Filippus uit, naast hem te komen zitten.
31ויאמר ואיככה אוכל אם אין איש אשר יורני ויבקש מאת פילפוס לעלות ולשבת אצלו׃
32De Schriftuurplaats, die hij las, was de volgende “Als een schaap wordt Hij ter slachtbank geleid; En als een lam, stom tegenover zijn scheerder, Doet ook Hij zijn mond niet open.
32וענין הכתוב אשר קרא זה הוא כשה לטבח יובל וכרחל לפני גוזזיה נאלמה ולא יפתח פיו׃
33In de vernedering wordt zijn vonnis voltrokken; Wie zal zijn geslacht vermelden? Zijn leven wordt weggenomen van de aarde.”
33בעצר משפטו לקח ואת דורו מי ישוחח כי נגזרו מארץ חייו׃
34Nu nam de kamerdienaar het woord, en zei tot Filippus: Ik bid u; van wien zegt de profeet dit? Van zichzelf, of van iemand anders?
34ויען הסריס ויאמר אל פילפוס אשאלה ממך על מי הנביא מדבר את זאת על נפשו או על איש אחר׃
35Toen begon Filippus te spreken, en te beginnen bij deze schriftuurplaats, verkondigde hij hem de blijde boodschap van Jesus.
35ויפתח פילפוס את פיו ויחל מן הכתוב הזה ויבשר אותו את ישוע׃
36En terwijl ze hun weg vervolgden, kwamen ze aan een water. Nu zeide de kamerdienaar: Daar is water; wat belet me, gedoopt te worden?
36ויהי בעברם בדרך ויבאו אל מקום מים ויאמר הסריס הנה מים מה ימנעני מהטבל׃
37Filippus sprak: Als ge van ganser harte gelooft, dan kan het geschieden. Hij antwoordde: Ik geloof, dat Jesus Christus Gods Zoon is.
37ויאמר פילפוס אם מאמין אתה בכל לבבך מתר לך ויען ויאמר אני מאמין כי ישוע המשיח בן האלהים הוא׃
38Hij gaf bevel, de wagen stil te houden, en beiden, Filippus en de kamerdienaar, daalden af in het water. En hij doopte hem.
38ויצו להעמיד את המרכבה וירדו שניהם אל תוך המים פילפוס והסריס ויטבל אותו׃
39Maar toen ze uit het water waren gestapt, voerde de Geest des Heren Filippus weg. De kamerdienaar zag hem niet meer; want vol vreugde reisde hij verder.
39ויהי כי עלו מן המים וישא רוח יהוה את פילפוס ולא יסף הסריס לראותו כי הלך לדרכו שמח׃
40Filippus echter werd te Asjdód aangetroffen; hij reisde alle steden af, om er het evangelie te prediken, totdat hij Cesarea bereikte.
40ופילפוס נמצא באשדוד ויעבר ויבשר בכל הערים עד באו לקסרין׃
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.