Joba
Chapter 38
Baibal Olcim (Matupi Chin)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Joba 38

Baibal Olcim (Matupi Chin)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1BOEIPA loh Job te hlipuei khui lamloh a doo tih,
1Nu nam Jahweh het woord, en sprak tot Job in de storm:
2Mingnah aka tal olthui neh cilsuep aka hmuep sak te unim?
2Wie zijt gij, die de Voorzienigheid duister maakt Door woorden zonder verstand?
3Hlang bangla na pumpu yen lamtah nang kan dawt bangla kai he n'tueng laeh.
3Omgord uw lenden als een man, Ik zal u vragen stellen, gij moogt Mij leren!
4Diklai ka suen vaengah melam na om? Yakmingnah na ming atah thui lah.
4Waar waart ge, toen Ik de aarde grondde: Vertel het, zo ge er iets van weet!
5U loh a khodang a khueh khaw na ming van nim? A soah rhilam aka yueng khaw unim?
5Wie heeft haar grootte bepaald: gij weet het zo goed; Wie het meetsnoer over haar gespannen?
6A buenhol te me dongah nim a buen tih, a bangkil lung te unim aka thuinuet?
6Waarop zijn haar zuilen geplaatst, Of wie heeft haar hoeksteen gelegd:
7Mincang aisi rhoek rhenten tamhoe uh tih Pathen ca rhoek boeih yuhui uh.
7Onder het gejuich van het koor der morgensterren, Het jubelen van de zonen Gods?
8Tuitunli te a bung lamloh a poh tih a coe vaengah thohkhaih neh a tlaeng.
8Wie heeft de zee achter deuren gesloten, Toen zij bruisend uit de moederschoot kwam;
9Kai loh cingmai kah a pueinak neh anih kah yinnah hni khaw ka khueh pah.
9Toen Ik haar de wolken gaf als een kleed, De nevel als haar windsels;
10Ka oltlueh he anih ham ka tlueh pah tih thohkalh neh thohkhaih khaw ka khueh pah.
10Toen Ik haar grenzen heb gesteld, Slagboom en grendels haar gaf;
11He hil ka ti vaengah ha mop lamtah koei boeh. Na hoemdamnah tuiphu te he ah he khueh laeh.
11Toen Ik sprak: Ge komt tot hier en niet verder, Hier wordt de trots van uw golven gebroken!
12Namah tue vaengah mincang ke na uen a? Khothaih ke na ming tih amah hmuen ah khothaih a om khaw na ming.
12Hebt gij ooit in uw leven de morgen ontboden, De dageraad zijn plaats bestemd,
13Te lamkah halang rhoek khoek ham neh diklai hmoi a tuuk sak ham khaw.
13Om de zomen der aarde te bezetten En er vlammen uit te schudden?
14Dikpo kutbuen bangla poehlip tih pueinak bangla pai.
14Zij flonkert als een kostbare zegelsteen, Wordt bontgeverfd als een kleed,
15Halang rhoek te amamih kah vangnah a hloh pah tih ban a thueng khaw a tlawt sak.
15Totdat de stralen hun licht wordt ontnomen, Hun opgeheven arm wordt gebroken.
16Tuitunli kah tuiput la na pawk tih tuidung kah khenah dongah na pongpa vai a?
16Zijt ge doorgedrongen tot de bronnen der zee, Hebt ge de bodem van de Oceaan bewandeld;
17Nang taengah dueknah vongka rhoek ah uh tih dueknah hlipkhup vongka te na hmuh a?
17Zijn u de poorten des doods getoond, De wachters der duisternis u verschenen;
18Diklai hmuenka duela na yakming nim? A cungkuem la na ming atah thui lah.
18Hebt ge de breedten der aarde omvat: Zeg op, wanneer ge dit allemaal weet!
19Vangnah aka om longpuei he menim? Hmaisuep kah a hmuen he melae?
19Waar is de weg naar de woning van het licht, En waar heeft de duisternis haar verblijf,
20Te te amah khorhi la na thak van tih a im kah a hawn khaw na yakming van nim?
20Zodat gij ze naar hun plaats kunt brengen, En hun de paden naar huis kunt leren?
21Nang n'sak tih na khohnin kah a tarhing a puh daengah ni na ming pueng.
21Ge weet het toch, want toen werdt ge geboren, Het getal van uw jaren is immers zo groot!
22Vuelsong thakvoh khuila na kun tih rhaelnu thakvoh na hmuh a?
22Zijt ge doorgedrongen tot de schuren der sneeuw, Hebt ge de opslagplaatsen van de hagel aanschouwd,
23Te te rhal tue vaengkah ham khaw, caemrhal neh caemtloek tue vaengkah ham khaw ka tuem pueng.
23Die Ik heb opgespaard voor de tijd van benauwing, Voor de dag van aanval en strijd?
24Diklai ah kanghawn loh a taekyak tih, vangnah loh a tael longpuei te menim?
24Waar is de weg, waar de kou zich verspreidt, Waar de oostenwind over de aarde giert?
25Tuilong lungpook ham neh rhaek ol ham longpuei aka tael te unim?
25Wie heeft voor de stortvloed kanalen gegraven, En paden voor de donderwolken,
26A khuiah tongpa aka om pawh khosoek neh hlang aka tal khohmuen ah khaw rhotui aka tlan sak la,
26Om regen te geven op onbewoond land, Op steppen, waar zich geen mens bevindt;
27khohli rhamrhael neh imrhong aka hah sak la, toitlim annoe aka poe sak la om coeng.
27Om woestijn en wildernis te verzadigen, Uit de dorre grond het gras te doen spruiten?
28Khotlan te a napa om a? Buemtui tuicip te ulong a sak?
28Heeft de regen een vader, Of wie heeft de druppels van de dauw verwekt;
29Rhaelnu he u kah bungko lamkah nim a thoeng tih, vaan vueltling te ulong a sak?
29Uit wiens schoot is het ijs te voorschijn gekomen, Wie heeft het rijp in de lucht gebaard?
30Tui khaw lungto bangla thuh uh tih tuidung hman ah khal.
30De wateren worden hard als steen, De vlakte van de Afgrond sluit zich aaneen!
31Airhitbom kah omngaih omloe te na hlaengtang tih buhol phueihrhui khaw na hlawt thai aya?
31Kunt gij de banden der Plejaden knopen, Of de boeien van de Orion slaken;
32Mazzaroth aisi te amah tue vaengah na thoeng sak tih Ayish aisi te a ca rhoek neh na mawt a?
32Kunt gij de maan op tijd naar buiten doen treden, Leidt gij de Beer met zijn jongen?
33Vaan kah khosing te na ming atah amah kah laithuithainah te diklai ah na khueh a?
33Schrijft gij de hemel de wetten voor, Stelt gij zijn macht over de aarde vast;
34Na ol te khomai dongla na huel thai tih tuili tui te na khuk thai a?
34Verheft gij uw stem tot de wolken, Gehoorzaamt ù de watervloed?
35Rhaek na tueih vaengah cet uh tih nang taengah, “Kaimih la he,” a ti uh a?
35Zendt gij de bliksems uit, en ze gaan; Zeggen ze tot u: Hier zijn we terug?
36Kodang khuila cueihnah aka khueh te unim? Kopoek khuiah yakmingnah aka pae te unim?
36Wie heeft inzicht aan den reiger gegeven Verstand geschonken aan den haan;
37Cueihnah neh khomong aka tae te unim? Vaan tuitang aka thael te unim?
37Wie telt met wijsheid de wolken af, En giet de zakken van de hemel leeg:
38Me vaengah lae Laipi a hlawn la a hlom tih dikmuh a man sak?
38Wanneer de bodem hard is als ijzer, De kluiten aan elkander kleven?
39sathuengnu hamla maeh na mae pah tih sathuengca kah hingnah na tom pah a?
39Jaagt gij een prooi voor de leeuwin, Stilt gij de honger der welpen,
40Me vaengah lae a khuisaek ah a ngam uh tih thingpuep khui ah a kol uh?
40Wanneer ze in hun holen liggen, Of loeren tussen de struiken?
41A sakah te vangak ham aka tawn pah te unim? A camoe, a camoe uh vaengah tah Pathen taengah bomnah a bih uh dae caak mueh la kho a hmang uh.
41Wie geeft ze tegen de avond haar buit, Wanneer haar jongen tot de Godheid roepen, En zonder voedsel rond blijven snuffelen, Op zoek naar spijs?

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.