5 Мойсея
Chapter 14
Kulish and Puluj Bible (…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

5 Мойсея 14

Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Ви дїти Господа, Бога вашого; за мерцем не робити мете нарізок і не будете стригти бров ваших:
1Gij zijt kinderen van Jahweh, uw God! Gij moogt u daarom om een dode niet kerven en u aan uw voorhoofd niet kaal scheren:
2Ти бо люд сьвятий у Господа, Бога твого; і вибрав він тебе, щоб ти був людом наслїддя із усїх народів, які на лицї земному.
2want gij zijt een volk, dat aan Jahweh, uw God, is gewijd, en dat Jahweh uit alle volken, die op de aardbodem zijn, tot zijn eigen volk heeft verkoren.
3Не їсти меш нїчого гидкого.
3Niets wat een gruwel is moogt ge eten.
4Ось яку скотину можна вам їсти: воли, вівцї й кози,
4De volgende dieren moogt ge dus eten: het rund, het schaap en de geit,
5Оленя й ланю і буйвола і сарню і зубра і дику козу і дику вівцю,
5het hert, de gazel en het damhert, den steenbok, de antiloop, den wilden os en de klipgeit;
6І всяку скотину, що має ратицї, і то зовсїм розчіплені ратицї, і що ремигає між скотиною.
6kortom alle viervoetige dieren, die volledig in tweeën gespleten hoeven hebben en tevens herkauwers zijn, moogt gij eten.
7Тільки ось яких не можна вам їсти зміж ремигаючих і з таких, що мають розчіплені ратицї: верблюда й зайця і крілика; бо вони ремигають, та не мають роздїлених ратиць: будуть вони нечисті про вас;
7Maar van de dieren, die herkauwen of volledig gespleten hoeven hebben, moogt ge de volgende niet eten: de kameel, de haas, de klipdas; want ze zijn wel herkauwend, doch hebben geen gespleten hoeven; ze zijn voor u onrein.
8І безрогу; бо хоч має вона розчіплені ратицї, та не ремигає: буде вона нечиста про вас. Мясива їх не їсти мете і до трупу їх не доторкати метесь.
8Evenmin het varken, want het heeft wel volledig gespleten hoeven, maar het herkauwt niet; het is voor u onrein. Van hun vlees moogt ge niet eten, en hun krengen niet aanraken.
9Ось яких можна вам їсти із усього, що в водї: все, що має сплави і луски, можна вам їсти;
9Van al wat in het water leeft, moogt ge alles eten, wat vinnen en schubben heeft.
10А всього, в чого нема сплавів і луски, ви не їсти мете; буде воно нечисте про вас.
10Maar al wat geen vinnen en schubben heeft, moogt ge niet eten; het is voor u onrein.
11Всяку чисту птицю можна вам їсти.
11Alle reine vogels moogt ge eten.
12Та ось яких зміж неї не можна вам їсти: орла і перебийнога і морського орла,
12Maar de volgende moogt ge niet eten: de arend, de lammergier en de aasgier,
13І сокола і лунака і коршуна всякої породи,
13de wouw, en de verschillende soorten valken,
14І всякого вороння,
14alle soorten raven,
15І струся самця і самицї і морської чайки і всякого яструба,
15de struisvogel, de sperwer, de meeuw, en de verschillende soorten haviken,
16І пугача й ібиса й лебедя,
16de steenuil, de velduil en nachtuil,
17І пеликана й сипа й рибалки,
17de reiger, de stinkgier en de pelikaan,
18І бузька і чаплї всякої породи, і вудвода і нетопира;
18de ooievaar, de verschillende soorten kraanvogels, de specht en de vleermuis.
19І всяка крилата гадина нечиста про вас буде; не їсти мете її.
19Verder zijn alle gevleugelde insekten voor u onrein; ze mogen niet worden gegeten.
20Всяку чисту птицю можна вам їсти.
20Alle reine vogels moogt ge eten.
21Не їсти мете трупу; приходньові, що в оселї твоїй, можеш дати, щоб їв його, або продавати меш чужоземцеві; ти бо єси люд сьвятий у Господа твого. Не варити меш козеняти в молоцї матері його,
21Gij moogt geen enkel kreng eten. Gij moogt het echter aan den vreemdeling, die binnen uw poorten woont, geven om te eten, of het aan een buitenlander verkopen. Want gij zijt een volk, dat aan Jahweh, uw God, is gewijd. Gij moogt het bokje niet koken in de melk van zijn moeder.
22Давати меш вірно десятину з усього доходу посїву твого, що в полї виросте, рік в рік.
22Gij moet ieder jaar de tienden afzonderen van de hele opbrengst van uw zaad, dat op het veld groeit.
23І їсти меш перед Господом, Богом твоїм, на місцї, що вибере він, щоб там сьвятилось імя його, десятину зерна твого, вина твого і олїї твоєї, і перваки твоєї буйної й дрібної скотини, щоб ти навчавсь поки життя боятись Господа, Бога твого.
23Deze tienden van uw koren, uw most en uw olie, en de eerstelingen van uw runderen en kudde moet ge voor het aanschijn van Jahweh, uw God, op de plaats eten, die Hij zal uitverkiezen, om daar zijn Naam te vestigen. Zo zult gij Jahweh, uw God, heel uw leven lang leren vrezen.
24А коли дорога буде далека для тебе, так що не зможеш туди нести його, тому що далеко до того місця, що Господь, Бог твій, вибере, щоб там поставити імя своє, коли благословить тебе Господь, Бог твій,
24Maar zo de afstand te groot voor u is, en gij het dus niet kunt vervoeren, omdat de plaats, die Jahweh, uw God, zal uitverkiezen, om daar zijn Naam te vestigen, te ver van u is verwijderd, en omdat Jahweh, uw God, u zo rijk heeft gezegend,
25Так оддай його за гроші, і завяжи гроші в себе в руцї, та й іди до місця того, що вибере Господь, Бог твій.
25dan moet ge het te gelde maken en het geld met u meenemen, en naar de plaats gaan, die Jahweh, uw God, zal uitverkiezen.
26І купиш там за гроші те, чого бажає душа твоя, буйну, чи дрібну скотину, вино й напиток, і все, чого бажає душа твоя; та й їсти меш там перед Господом, Богом твоїм, і веселити мешся сам і дім твій.
26Gij kunt met het geld alles kopen wat gij verlangt: runderen, schapen, wijn en sterke drank, kortom alles wat ge begeert, en daar met uw gezin voor het aanschijn van Jahweh, uw God, een maaltijd houden en vrolijk zijn.
27І Левита, що в оселї твоїй, не покинеш; нема бо в його з тобою паю і наслїддя.
27Ook den leviet, die binnen uw poorten woont, moogt ge niet vergeten, omdat hij geen deel en geen erfbezit onder u heeft.
28А при кіньцї трьох років віддїлиш десятину з усього вроджаю твого за сей рік, та й зложи се в оселї твоїй.
28Maar om de drie jaren moet ge alle tienden van uw opbrengst in dat jaar naar uw poorten brengen en ze daar laten liggen.
29І прийде Левит, бо в його нема паю і наслїддя з тобою, і зайда і сирота і вдова, що живуть у твоїй оселї, та й їсти муть вони до сита, щоб благословив тебе Господь, Бог твій, у всякому дїлї рук твоїх, що робити меш.
29Dan zullen de leviet, omdat hij geen deel en geen erfbezit onder u heeft gekregen, en de vreemdeling, de wees en de weduwe, die binnen uw poorten wonen, ze komen eten en zich verzadigen. Zo zal Jahweh, uw God, u zegenen bij alle arbeid, die gij verricht.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.