5 Мойсея 4
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Послухай же тепер, Ізраїлю, про установи і суди, що навчаю вас сповняти їх, щоб ви жили й прийшовши одержали землю, що надїлив вам Господь, Бог батьків ваших.
1Nu dan Israël, gehoorzaam aan de bepalingen en voorschriften, die ik ga leren en volbreng ze, opdat gij moogt leven en het land moogt binnengaan en bezitten, dat Jahweh, de God uwer vaderen, u wil schenken.
2Не прибавите ви до слова, що я заповідаю вам, і не вбавите нїчого, пильнуючи заповідей Господа, Бога вашого, що їх заповідаю вам.
2Gij moogt niets toevoegen aan wat ik u ga bevelen, noch er iets afdoen: maar gij moet de geboden van Jahweh, uw God, die ik u heden geef, onderhouden.
3Очі ваші бачили, що вдїяв Господь з Бааль Пеором; всї бо, хто ходив слїдом за Бааль-Пеором, вигубив їх Господь, Бог твій, з між вас;
3Met eigen ogen hebt ge gezien, wat Jahweh gedaan heeft om Báal-Peor. Want iedereen, die Báal-Peor achterna liep, heeft Jahweh, uw God, uit uw midden verdelgd;
4Ви ж, которі держались Господа, Бога вашого, ви всї живі по сей день.
4maar gij, die trouw zijt gebleven aan Jahweh, uw God, zijt allen nog heden in leven.
5Гледи, навчив я вас установ і присудів, як заповідав менї Господь, Бог мій, щоб ви сповняли їх серед землї, що до неї прийдете, щоб заняти її.
5Ziet, ik leer u de bepalingen en voorschriften, zoals Jahweh, mijn God, mij heeft bevolen, om ze getrouw te volbrengen in het land, dat ge nu in bezit gaat nemen.
6Пильнуйте ж і сповняйте їх! Бо се мудрість і розум ваш перед очима народів, що чути муть всї встанови сї й казати муть: Сей великий нарід справдї мудрий і розумний нарід.
6Onderhoudt ze dus en leeft ze na! Want daarin zal uw wijsheid en inzicht bestaan in de ogen der volken, die, als zij al die bepalingen horen, zullen zeggen: Waarachtig, een wijs en verstandig volk is deze machtige natie!
7Де бо на сьвітї такий великий нарід, в котрого так близький Бог, як Господь, Бог наш, у всьому, про що тільки кличемо до його?
7Want welke machtige natie heeft een god zo nabij als Jahweh, onze God, ons nabij is, zo vaak wij Hem aanroepen;
8І який се великий нарід, що в його установи і присуди такі справедливі, як увесь закон сей, що я поставив вам оце?
8en welke machtige natie heeft zulke rechtvaardige bepalingen en voorschriften, als heel deze Wet, die ik u heden geef!
9Тільки стережись і пильнуй душі своєї, щоб не забути дїла сї, що бачили очі твої, і щоб не відлучились вони від серця твого по всї днї життя твого! Нї! Переказуй про них синам твоїм і синам синів твоїх,
9Waak dus met de grootste zorg, om niets te vergeten, van wat uw eigen ogen hebben aanschouwd; verlies het heel uw leven niet uit uw gedachten, maar prent het uw kinderen en kleinkinderen in.
10Про той день, як стояв єси перед Господом, Богом твоїм, під Горебом, як Господь промовляв до мене: Збери менї люд сей, щоб я дав їм почути слова мої, з котрих навчаться боятись мене по всї днї життя свого на землї, і навчать синів своїх.
10Eens hebt gij op de Horeb voor het aanschijn van Jahweh, uw God, gestaan, terwijl Jahweh tot mij sprak: Verzamel het volk voor Mij; Ik zal hun mijn woorden doen horen, opdat zij leren mogen Mij te vrezen, zolang zij leven op aarde, en het ook hun zonen mogen leren.
11І приступили ви та й поставали попід горою; а гора палала поломєм аж під саме небо і стала темрява, хмари і тьма.
11Toen zijt gij naderbij gekomen, en aan de voet van de berg gaan staan. En terwijl de berg in vlammen stond, die oplaaiden tot in het hart van de hemel, en er een donkere wolk en diepe duisternis hing,
12І промовив до вас Господь із поломя; ви чули голос слів його, та нїякої постатї не бачили окрім голосу.
12sprak Jahweh tot u uit het vuur. Gij hebt toen de klank van woorden gehoord, alleen maar geluid, doch geen gedaante aanschouwd.
13І обявив він вам свій завіт, що велїв вам чинити, десять слів; і написав їх на двох камяних таблицях.
13Hij openbaarde u zijn Verbond, de tien geboden, die Hij u beval te volbrengen, en die Hij op twee stenen tafelen schreef.
14А менї заповідав Господь того часу навчати вас установ і присудів, щоб ви сповняли їх на землї, що до неї прийдете, щоб дістати її в державу.
14En aan mij heeft Jahweh toen bevolen, u de bepalingen en voorschriften te leren, opdat gij ze zoudt volbrengen in het land, dat gij in bezit gaat nemen.
15Пильнуйте ж добре душ ваших, бо не бачили ви нїякої постатї в день той, як із поломя промовляв до вас Господь на Гореб горі,
15En omdat gij dus in het geheel geen gedaante aanschouwd hebt, toen Jahweh op de Horeb midden uit het vuur tot u sprak, daarom moet gij er u zorgvuldig voor wachten,
16Щоб ви не зледащіли та не почали робити собі тесані постатї, подобу якої постатї, постать жіночу, або чоловічу,
16misdadig een beeld van een afgod te maken, onder welke gedaante dan ook: in de vorm van een man of een vrouw,
17Постать якої скотини, що на землї гасає, образ якої крилатої птахи, що попід небесами лїтає,
17in de vorm van een of ander beest op aarde, in de vorm van gevleugelde dieren in de lucht,
18Образ якої небудь животини, що по землї лазить, образ якої риби, що у водї під землею;
18in de vorm van dieren, die over de aarde kruipen, in de vorm van vissen, die in het water onder de aarde leven.
19Щоб, знявши очі до неба та бачивши соньце й місяця і зорі, все військо небесне, не скортїло тебе, припасти на колїна перед ними та служити їм, котрих Господь, Бог твій, призначив на послугу всїм народам під цїлим небом.
19Wacht u er voor, uw blikken naar de hemel op te slaan en bij het zien van zon, maan en sterren, heel het heir van de hemel, u te laten verleiden, om hen te aanbidden en te dienen. Want Jahweh, uw God, heeft die aan alle volken onder heel de hemel overgelaten;
20А вас узяв Господь, і вивів із желїзного горнила, із Египту, щоб ви були людом його наслїддя, як і сталось.
20maar u heeft Jahweh uitverkoren en u uit Egypte, die smeltoven, geleid, om Hem tot een eigen volk te zijn, zoals thans het geval is.
21Но Господь розгнївався на мене через вас, і поклявся, що не перейду через Йордань і що не прийду в землю гарну, що оддав тобі в наслїддє Господь, Бог твій;
21Daar Jahweh om uwentwil vergramd op mij was, heeft Hij gezworen, dat ik de Jordaan niet zal oversteken en het heerlijke land, dat Jahweh, uw God, u als erfdeel zal geven, niet zal binnengaan,
22А вмру в ʼцїй землї, і не доведеться менї перейти через Йордань; а ви перейдете і одержите сю гарну землю.
22maar dat ik in dit land zal moeten sterven. Ik zelf zal dus de Jordaan niet overtrekken, maar gij zult er over gaan, en dit heerlijke land in bezit nemen.
23Остерегайтесь, щоб не забути про завіт Господнїй, що його вчинив із вами, та щоб ви не робили собі витесану постать, подобу чого небудь, що заборонив Господь, Бог ваш.
23Dan moet ge u er voor hoeden, het Verbond te vergeten, dat Jahweh, uw God, met u sloot, en afgoden te maken, onder welke gedaante dan ook, wat Jahweh, uw God, u verboden heeft.
24Бо Господь, Бог ваш, се поломя жеруще, Бог ревнивий!
24Want Jahweh, uw God, is een verterend vuur, een naijverige God.
25Як же появиш синів та внук і як поживете у сїй землї, і зледащієте та й зробите витесану постать, подобу чого небудь, і робити мете що ледаче перед очима Господа, Бога вашого, роздражнюючи його:
25Maar wanneer gij kinderen en kleinkinderen zult hebben verwekt, en reeds lang zult zijn ingeburgerd in het land, dan zult gij misdadig afgoden maken onder een of andere gedaante, kwaad doen in de ogen van Jahweh, uw God, en Hem krenken.
26То я кличу нинї небеса й землю за сьвідків проти вас, що ви певно і скоро пропадете із землї, куди ви йдете через Йордань, щоб заняти її; не довго поживете ви в нїй, а будете зовсїм знищені.
26Doch ik neem heden hemel en aarde tegen u tot getuigen, dat gij dan spoedig uit het land zult worden verdelgd, dat gij nu aan de overkant van de Jordaan in bezit gaat nemen. Dan zult gij daar niet lang blijven wonen, maar tot den laatsten man worden uitgeroeid.
27І розсїє вас Господь між иншими народами і зостанетесь лїчбою малими між народами, між котрих приведе вас Господь;
27Dan zal Jahweh u onder de volken verstrooien, en slechts weinigen van u zullen overblijven onder de naties, waar Jahweh u heen drijft.
28І служити мете там богам, твориву рук людських, дереву та каменю, що не бачать і не чують і не їдять і не нюхають.
28Daar zult gij goden kunnen dienen, door mensenhanden gemaakt, hout en steen, die zien noch horen, eten noch ruiken.
29Но ви шукати мете Господа, Бога вашого; і ти знайдеш його, як шукати меш його всїм серцем твоїм і всією душею твоєю.
29Maar zodra gij dan Jahweh, uw God, weer zult zoeken, zult gij Hem vinden, zo ge Hem zoekt met heel uw hart en heel uw ziel.
30В тїснотї твоїй, і як все те постигне тебе при кіньцї днїв, ти навернешся до Господа, Бога твого, і послухаєш голосу його.
30Wanneer gij in benauwdheid zijt en dit alles u treft, zult gij u ten laatste bekeren tot Jahweh, uw God, en weer naar Hem luisteren.
31Бо Господь, Бог твій, милостивий Бог; він не покине тебе і не скарає тебе, і не забуде про завіт батьків твоїх, що про його клявся перед ними.
31Want Jahweh, uw God, is een barmhartige God! Hij zal u verlaten noch verdelgen, en het Verbond niet vergeten, dat Hij uw vaderen bezworen heeft.
32Бо поспитай тільки про давні часи, що були перше тебе, з того дня, як сотворив Бог чоловіка на землї, та й від одного краю небес та й до другого краю небес, чи коли сталось таке велике дїло, або чи хто чував що подібне?
32Ondervraag de oude tijden, die u vooraf zijn gegaan, sinds de dag, dat Jahweh den mens heeft geschapen op aarde; ondervraag het ene eind van de hemel tot het andere eind, of er ooit zo iets groots is geschied en ooit zo iets is gehoord;
33Чи чував який нарід голос Божий, що промовляв з поломя, як ти чув, та й щоб він зістався живим?
33of ooit een volk de stem van een god heeft gehoord, die uit het vuur heeft gesproken, zoals gij hebt gehoord, en in leven bleef;
34Або чи пробував Бог, прийти, щоб взяти собі нарід зміж иншого народу, карами, ознаками і чудесами, війною і потужною рукою і просьтягнутою правицею, і великим страхом, так як вчинив для вас Господь, Бог ваш, перед очима вашими в Египтї?
34of ooit een god het heeft beproefd, midden uit een ander volk zich een volk te komen halen door rampen, tekenen, wonderen en oorlogen, met sterke hand, gespierde arm en onder grote verschrikkingen, zoals Jahweh, uw God, voor uw eigen ogen met u heeft gedaan in Egypte.
35Тобі воно було показане, щоб ти знав, що Господь, се Бог; нїхто ж більше крім його.
35U is het getoond, opdat gij zoudt weten, dat Jahweh God is, en geen ander dan Hij.
36Із небес дав він тобі почути свій голос про науку тобі, і на землї дав видїти тобі своє велике поломя, а з поломя чув ти слова його.
36Om u te onderrichten heeft Hij uit de hemel zijn stem laten horen en op de aarde u zijn machtig vuur laten zien, en hebt gij midden uit het vuur zijn woorden gehoord.
37І за те, що він любив батьків твоїх і по них вибрав насїннє їх, вивів тебе він самолично, великою потугою своєю з Египту.
37Omdat Hij uw vaderen heeft bemind en hun nageslacht heeft uitverkoren, omdat Hij u in eigen persoon met grote kracht uit Egypte heeft geleid,
38Щоб вигубити перед тобою народи, що більші й потужніщі за тебе, привести тебе і дати тобі землю їх у наслїддє, як і тепер сталось.
38om volken, groter en machtiger dan gij, voor u te verdrijven, u in hun land te geleiden en het u als erfdeel te schenken, zoals heden geschiedt:
39То ж пізнай тепер і возьми собі до серця, що Господь Бог той на небесах у горі і на землї внизу, а другого нема.
39daarom moet gij heden erkennen en in uw hart prenten, dat Jahweh God is in de hemel daarboven en op aarde beneden, en anders geen.
40І пильнуй установ його й заповідїв його, що заповідую їх тобі сьогоднї, щоб добре було тобі й синам твоїм, щоб довгий був вік твій у сїй землї, що навіки віддав тобі Господь, Бог твій.
40Onderhoudt zijn bepalingen en geboden, die ik u heden ga geven, opdat het u en uw zonen na u goed moge gaan, en gij lang het land moogt bewonen, dat Jahweh, uw God, u voor altijd gaat schenken.
41Тодї віддїлив Мойсей три міста по сїм боцї Йорданї, що на схід соньця,
41Toen zonderde Moses in het oosten, in het Overjordaanse, drie steden af,
42Щоб втїкав туди убийця, що ненароком вбив ближнього свого а перше не ворогував на його; щоб він втїк в одно із сих міст та й живим зістався.
42waarheen iemand zou kunnen vluchten, die zijn naaste zonder opzet had gedood, en zonder dat hij hem vroeger had gehaat, en waar hij in leven zou blijven als hij in een van die steden de wijk had genomen.
43Безер у степу, на поділлї, для Рубенїїв, і Рамот у Гілеадї для Гадїїв, і Голян у Базанї для Манассіїв.
43Bij de Rubenieten Béser van de woestijn, in de vlakte, bij de Gadieten Ramot in Gilad, en bij de Manassieten Golan in Basjan.
44А се закон, що поставив його Мойсей перед синами Ізраїля;
44Dit is de wet, die Moses de Israëlieten voorhield,
45Се сьвідчення й установи і присуди, що промовляв Мойсей до синів Ізрайлевих по виходї їх з Египту,
45en dit zijn de beschikkingen, bepalingen en voorschriften, die Moses aan de Israëlieten afkondigde, na hun uittocht uit Egypte.
46По сїм боцї Йорданї, в долинї, проти Бет-Пеору, в землї Сигона, царя Аморійського, що жив у Гезбонї, котрого побили Мойсей та сини Ізрайлеві, як вийшли з Египту.
46Het geschiedde in het Overjordaanse, in de vallei tegenover Bet-Peor in het land van Sichon, den koning der Amorieten, die in Chesjbon woonde, nadat Moses en de Israëlieten, na hun uittocht uit Egypte, hem hadden verslagen,
47І заняли вони землю його і землю Ога, царя Базанського, двох царів Аморійських, що були по сїм боцї Йорданї, на схід соньця,
47en zijn land en dat van Og, den koning van Basjan, de beide koningen der Amorieten, die ten oosten in het Overjordaanse woonden, in bezit hadden genomen:
48Від Ароеру, що над Арнон-рікою, до Сійон гори, се б то Гермон,
48van Aroër af, dat aan de rand van het Arnon-dal ligt tot aan de berg Sirjon (dat is de Hermon)
49І все поділлє по сїм боцї Йорданї на схід соньця, аж до подільського моря, під узгірями Пізги.
49met heel de Araba aan de oostelijke oever van de Jordaan tot aan de zee van de Araba aan de voet van de hellingen van de Pisga.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.