ΔΕΥΤΕΡΟΝΟΜΙΟΝ
Chapter 4
Septuagint (Greek Old Te…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

ΔΕΥΤΕΡΟΝΟΜΙΟΝ 4

Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΚΑΙ νῦν, Ἰσραήλ, ἄκουε τῶν δικαιωμάτων καὶ τῶν κριμάτων, ὅσα ἐγὼ διδάσκω ὑμᾶς σήμερον ποιεῖν, ἵνα ζῆτε καὶ πολυπλασιασθῆτε καὶ εἰσελθόντες κληρονομήσητε τὴν γῆν, ἣν Κύριος ὁ Θεὸς τῶν πατέρων ὑμῶν δίδωσιν ὑμῖν.
1Nu dan Israël, gehoorzaam aan de bepalingen en voorschriften, die ik ga leren en volbreng ze, opdat gij moogt leven en het land moogt binnengaan en bezitten, dat Jahweh, de God uwer vaderen, u wil schenken.
2οὐ προσθήσετε πρὸς τὸ ρῆμα ὃ ἐγὼ ἐντέλλομαι ὑμῖν, καὶ οὐκ ἀφελεῖτε ἀπ᾿ αὐτοῦ· φυλάσσεσθε τὰς ἐντολὰς Κυρίου τοῦ Θεοῦ ὑμῶν, ὅσα ἐγὼ ἐντέλλομαι ὑμῖν σήμερον.
2Gij moogt niets toevoegen aan wat ik u ga bevelen, noch er iets afdoen: maar gij moet de geboden van Jahweh, uw God, die ik u heden geef, onderhouden.
3οἱ ὀφθαλμοὶ ὑμῶν ἑωράκασι πάντα, ὅσα ἐποίησε Κύριος ὁ Θεὸς ἡμῶν τῷ Βεελφεγώρ, ὅτι πᾶς ἄνθρωπος, ὅστις ἐπορεύθη ὀπίσω Βεελφεγώρ, ἐξέτριψεν αὐτὸν Κύριος ὁ Θεὸς ὑμῶν ἐξ ὑμῶν.
3Met eigen ogen hebt ge gezien, wat Jahweh gedaan heeft om Báal-Peor. Want iedereen, die Báal-Peor achterna liep, heeft Jahweh, uw God, uit uw midden verdelgd;
4ὑμεῖς δὲ οἱ προσκείμενοι Κυρίῳ τῷ Θεῷ ὑμῶν ζῆτε πάντες ἐν τῇ σήμερον.
4maar gij, die trouw zijt gebleven aan Jahweh, uw God, zijt allen nog heden in leven.
5ἴδετε, δέδειχα ὑμῖν δικαιώματα καὶ κρίσεις, καθὰ ἐνετείλατό μοι Κύριος, ποιῆσαι οὕτως ἐν τῇ γῇ, εἰς ἣν ὑμεῖς εἰσπορεύεσθε ἐκεῖ κληρονομεῖν αὐτήν·
5Ziet, ik leer u de bepalingen en voorschriften, zoals Jahweh, mijn God, mij heeft bevolen, om ze getrouw te volbrengen in het land, dat ge nu in bezit gaat nemen.
6καὶ φυλάξεσθε καὶ ποιήσετε, ὅτι αὕτη ἡ σοφία καὶ ἡ σύνεσις ὑμῶν ἐναντίον πάντων τῶν ἐθνῶν, ὅσοι ἐὰν ἀκούσωσι πάντα τὰ δικαιώματα ταῦτα καὶ ἐροῦσιν· ἰδοὺ λαὸς σοφὸς καὶ ἐπιστήμων τὸ ἔθνος τὸ μέγα τοῦτο.
6Onderhoudt ze dus en leeft ze na! Want daarin zal uw wijsheid en inzicht bestaan in de ogen der volken, die, als zij al die bepalingen horen, zullen zeggen: Waarachtig, een wijs en verstandig volk is deze machtige natie!
7ὅτι ποῖον ἔθνος μέγα, ᾧ ἐστιν αὐτῷ Θεὸς ἐγγίζων αὐτοῖς, ὡς Κύριος ὁ Θεὸς ἡμῶν ἐν πᾶσιν, οἷς ἐὰν αὐτὸν ἐπικαλεσώμεθα;
7Want welke machtige natie heeft een god zo nabij als Jahweh, onze God, ons nabij is, zo vaak wij Hem aanroepen;
8καὶ ποῖον ἔθνος μέγα, ᾧ ἐστιν αὐτῷ δικαιώματα καὶ κρίματα δίκαια κατὰ πάντα τὸν νόμον τοῦτον, ὃν ἐγὼ δίδωμι ἐνώπιον ὑμῶν σήμερον;
8en welke machtige natie heeft zulke rechtvaardige bepalingen en voorschriften, als heel deze Wet, die ik u heden geef!
9πρόσεχε σεαυτῷ καὶ φύλαξον τὴν ψυχήν σου σφόδρα, μὴ ἐπιλάθῃ πάντας τοὺς λόγους, οὓς ἑωράκασιν οἱ ὀφθαλμοί σου· καὶ μὴ ἀποστήτωσαν ἀπὸ τῆς καρδίας σου πάσας τὰς ἡμέρας τῆς ζωῆς σου, καὶ συμβιβάσεις τοὺς υἱούς σου καὶ τοὺς υἱοὺς τῶν υἱῶν σου
9Waak dus met de grootste zorg, om niets te vergeten, van wat uw eigen ogen hebben aanschouwd; verlies het heel uw leven niet uit uw gedachten, maar prent het uw kinderen en kleinkinderen in.
10ἡμέραν, ἣν ἔστητε ἐνώπιον Κυρίου τοῦ Θεοῦ ἡμῶν ἐν Χωρὴβ τῇ ἡμέρᾳ τῆς ἐκκλησίας, ὅτι εἶπε Κύριος πρός με· ἐκκλησίασον πρός με τὸν λαόν, καὶ ἀκουσάτωσαν τὰ ρήματά μου, ὅπως μάθωσι φοβεῖσθαί με πάσας τὰς ἡμέρας, ἃς αὐτοὶ ζῶσιν ἐπὶ τῆς γῆς, καὶ τοὺς υἱοὺς αὐτῶν διδάξουσι.
10Eens hebt gij op de Horeb voor het aanschijn van Jahweh, uw God, gestaan, terwijl Jahweh tot mij sprak: Verzamel het volk voor Mij; Ik zal hun mijn woorden doen horen, opdat zij leren mogen Mij te vrezen, zolang zij leven op aarde, en het ook hun zonen mogen leren.
11καὶ προσήλθετε καὶ ἔστητε ὑπὸ τὸ ὄρος, καὶ τὸ ὄρος ἐκαίετο πυρὶ ἕως τοῦ οὐρανοῦ, σκότος, γνόφος, θύελλα, φωνὴ μεγάλη.
11Toen zijt gij naderbij gekomen, en aan de voet van de berg gaan staan. En terwijl de berg in vlammen stond, die oplaaiden tot in het hart van de hemel, en er een donkere wolk en diepe duisternis hing,
12καὶ ἐλάλησε Κύριος πρὸς ὑμᾶς ἐκ μέσου τοῦ πυρὸς φωνὴν ρημάτων, ἣν ὑμεῖς ἠκούσατε, καὶ ὁμοίωμα οὐκ εἴδετε, ἀλλ᾿ ἢ φωνήν·
12sprak Jahweh tot u uit het vuur. Gij hebt toen de klank van woorden gehoord, alleen maar geluid, doch geen gedaante aanschouwd.
13καὶ ἀνήγγειλεν ὑμῖν τὴν διαθήκην αὐτοῦ, ἣν ἐνετείλατο ὑμῖν ποιεῖν, τὰ δέκα ρήματα, καὶ ἔγραψεν αὐτὰ ἐπὶ δύο πλάκας λιθίνας.
13Hij openbaarde u zijn Verbond, de tien geboden, die Hij u beval te volbrengen, en die Hij op twee stenen tafelen schreef.
14καὶ ἐμοὶ ἐνετείλατο Κύριος ἐν τῷ καιρῷ ἐκείνῳ διδάξαι ὑμᾶς δικαιώματα καὶ κρίσεις, ποιεῖν ὑμᾶς αὐτά ἐπὶ τῆς γῆς, εἰς ἣν ὑμεῖς εἰσπορεύεσθε ἐκεῖ κληρονομῆσαι αὐτήν.
14En aan mij heeft Jahweh toen bevolen, u de bepalingen en voorschriften te leren, opdat gij ze zoudt volbrengen in het land, dat gij in bezit gaat nemen.
15καὶ φυλάξεσθε σφόδρα τὰς ψυχὰς ὑμῶν, ὅτι οὐκ εἴδετε ὁμοίωμα ἐν τῇ ἡμέρᾳ, ᾗ ἐλάλησε Κύριος πρὸς ὑμᾶς ἐν Χωρὴβ ἐν τῷ ὄρει ἐκ μέσου τοῦ πυρός.
15En omdat gij dus in het geheel geen gedaante aanschouwd hebt, toen Jahweh op de Horeb midden uit het vuur tot u sprak, daarom moet gij er u zorgvuldig voor wachten,
16μὴ ἀνομήσητε καὶ ποιήσητε ὑμῖν ἑαυτοῖς γλυπτὸν ὁμοίωμα πᾶσαν εἰκόνα ὁμοίωμα ἀρσενικοῦ ἢ θηλυκοῦ,
16misdadig een beeld van een afgod te maken, onder welke gedaante dan ook: in de vorm van een man of een vrouw,
17ὁμοίωμα παντὸς κτήνους τῶν ὄντων ἐπὶ τῆς γῆς, ὁμοίωμα παντὸς ὀρνέου πτερωτοῦ, ὃ πέταται ὑπὸ τὸν οὐρανόν,
17in de vorm van een of ander beest op aarde, in de vorm van gevleugelde dieren in de lucht,
18ὁμοίωμα παντὸς ἑρπετοῦ, ὃ ἕρπει ἐπὶ τῆς γῆς, ὁμοίωμα παντὸς ἰχθύος, ὅσα ἐστὶν ἐν τοῖς ὕδασιν ὑποκάτω τῆς γῆς.
18in de vorm van dieren, die over de aarde kruipen, in de vorm van vissen, die in het water onder de aarde leven.
19καὶ μὴ ἀναβλέψας εἰς τὸν οὐρανὸν καὶ ἰδὼν τὸν ἥλιον καὶ τὴν σελήνην καὶ τοὺς ἀστέρας καὶ πάντα τὸν κόσμον τοῦ οὐρανοῦ, πλανηθεὶς προσκυνήσῃς αὐτοῖς καὶ λατρεύσῃς αὐτοῖς, ἃ ἀπένειμε Κύριος ὁ Θεός σου αὐτὰ πᾶσι τοῖς ἔθνεσι τοῖς ὑποκάτω τοῦ οὐρανοῦ.
19Wacht u er voor, uw blikken naar de hemel op te slaan en bij het zien van zon, maan en sterren, heel het heir van de hemel, u te laten verleiden, om hen te aanbidden en te dienen. Want Jahweh, uw God, heeft die aan alle volken onder heel de hemel overgelaten;
20ὑμᾶς δὲ ἔλαβεν ὁ Θεὸς καὶ ἐξήγαγεν ὑμᾶς ἐκ τῆς καμίνου τῆς σιδηρᾶς, ἐξ Αἰγύπτου, εἶναι αὐτῷ λαὸν ἔγκληρον ὡς ἐν τῇ ἡμέρᾳ ταύτῃ.
20maar u heeft Jahweh uitverkoren en u uit Egypte, die smeltoven, geleid, om Hem tot een eigen volk te zijn, zoals thans het geval is.
21καὶ Κύριος ὁ Θεὸς ἐθυμώθη μοι περὶ τῶν λεγομένων ὑφ᾿ ὑμῶν καὶ ὤμοσεν ἵνα μὴ διαβῶ τὸν Ἰορδάνην τοῦτον καὶ ἵνα μὴ εἰσέλθω εἰς τὴν γῆν, ἣν Κύριος ὁ Θεός σου δίδωσί σοι ἐν κλήρῳ·
21Daar Jahweh om uwentwil vergramd op mij was, heeft Hij gezworen, dat ik de Jordaan niet zal oversteken en het heerlijke land, dat Jahweh, uw God, u als erfdeel zal geven, niet zal binnengaan,
22ἐγὼ γὰρ ἀποθνήσκω ἐν τῇ γῇ ταύτῃ καὶ οὐ διαβαίνω τὸν Ἰορδάνην τοῦτον, ὑμεῖς δὲ διαβαίνετε καὶ κληρονομήσετε τὴν γῆν τὴν ἀγαθὴν ταύτην.
22maar dat ik in dit land zal moeten sterven. Ik zelf zal dus de Jordaan niet overtrekken, maar gij zult er over gaan, en dit heerlijke land in bezit nemen.
23προσέχετε ὑμεῖς, μὴ ἐπιλάθησθε τὴν διαθήκην Κυρίου τοῦ Θεοῦ ἡμῶν, ἣν διέθετο πρὸς ὑμᾶς, καὶ ἀνομήσητε, καὶ ποιήσητε ὑμῖν ἑαυτοῖς γλυπτὸν ὁμοίωμα πάντων, ὧν συνέταξέ σοι Κύριος ὁ Θεός σου·
23Dan moet ge u er voor hoeden, het Verbond te vergeten, dat Jahweh, uw God, met u sloot, en afgoden te maken, onder welke gedaante dan ook, wat Jahweh, uw God, u verboden heeft.
24ὅτι Κύριος ὁ Θεός σου πῦρ καταναλίσκον ἐστί, Θεὸς ζηλωτής.
24Want Jahweh, uw God, is een verterend vuur, een naijverige God.
25Ἐὰν δὲ γεννήσῃς υἱοὺς καὶ υἱοὺς τῶν υἱῶν σου καὶ χρονίσητε ἐπὶ τῆς γῆς καὶ ἀνομήσητε καὶ ποιήσητε γλυπτὸν ὁμοίωμα παντὸς καὶ ποιήσητε τὸ πονηρὸν ἐνώπιον Κυρίου τοῦ Θεοῦ ὑμῶν παροργίσαι αὐτόν,
25Maar wanneer gij kinderen en kleinkinderen zult hebben verwekt, en reeds lang zult zijn ingeburgerd in het land, dan zult gij misdadig afgoden maken onder een of andere gedaante, kwaad doen in de ogen van Jahweh, uw God, en Hem krenken.
26διαμαρτύρομαι ὑμῖν σήμερον τόν τε οὐρανὸν καὶ τὴν γῆν, ὅτι ἀπωλείᾳ ἀπολεῖσθε ἀπὸ τῆς γῆς, εἰς ἣν ὑμεῖς διαβαίνετε τὸν Ἰορδάνην ἐκεῖ κληρονομῆσαι αὐτήν. οὐχὶ πολυχρονιεῖτε ἡμέρας ἐπ᾿ αὐτῆς, ἀλλ᾿ ἢ ἐκτριβῇ ἐκτριβήσεσθε.
26Doch ik neem heden hemel en aarde tegen u tot getuigen, dat gij dan spoedig uit het land zult worden verdelgd, dat gij nu aan de overkant van de Jordaan in bezit gaat nemen. Dan zult gij daar niet lang blijven wonen, maar tot den laatsten man worden uitgeroeid.
27καὶ διασπερεῖ Κύριος ὑμᾶς ἐν πᾶσι τοῖς ἔθνεσι καὶ καταλειφθήσεσθε ὀλίγοι ἀριθμῷ ἐν πᾶσι τοῖς ἔθνεσιν, εἰς οὓς εἰσάξει Κύριος ὑμᾶς ἐκεῖ.
27Dan zal Jahweh u onder de volken verstrooien, en slechts weinigen van u zullen overblijven onder de naties, waar Jahweh u heen drijft.
28καὶ λατρεύσετε ἐκεῖ θεοῖς ἑτέροις, ἔργοις χειρῶν ἀνθρώπων, ξύλοις καὶ λίθοις, οἳ οὐκ ὄψονται οὐδὲ μὴ ἀκούσωσιν οὔτε μὴ φάγωσιν οὔτε μὴ ὀσφρανθῶσι.
28Daar zult gij goden kunnen dienen, door mensenhanden gemaakt, hout en steen, die zien noch horen, eten noch ruiken.
29καὶ ζητήσετε ἐκεῖ Κύριον τὸν Θεὸν ὑμῶν καὶ εὑρήσετε αὐτόν, ὅταν ἐκζητήσητε αὐτὸν ἐξ ὅλης τῆς καρδίας σου καὶ ἐξ ὅλης τῆς ψυχῆς σου ἐν τῇ θλίψει σου·
29Maar zodra gij dan Jahweh, uw God, weer zult zoeken, zult gij Hem vinden, zo ge Hem zoekt met heel uw hart en heel uw ziel.
30καὶ εὑρήσουσί σε πάντες οἱ λόγοι οὗτοι ἐπ᾿ ἐσχάτῳ τῶν ἡμερῶν, καὶ ἐπιστραφήσῃ πρὸς Κύριον τὸν Θεόν σου καὶ εἰσακούσῃ τῆς φωνῆς αὐτοῦ·
30Wanneer gij in benauwdheid zijt en dit alles u treft, zult gij u ten laatste bekeren tot Jahweh, uw God, en weer naar Hem luisteren.
31ὅτι Θεὸς οἰκτίρμων Κύριος ὁ Θεός σου, οὐκ ἐγκαταλείψει σε οὐδὲ μὴ ἐκτρίψῃ σε, οὐκ ἐπιλήσεται τὴν διαθήκην τῶν πατέρων σου, ἣν ὤμοσεν αὐτοῖς Κύριος.
31Want Jahweh, uw God, is een barmhartige God! Hij zal u verlaten noch verdelgen, en het Verbond niet vergeten, dat Hij uw vaderen bezworen heeft.
32ἐπερωτήσατε ἡμέρας προτέρας τὰς γενομένας προτέρας σου ἀπὸ τῆς ἡμέρας, ἧς ἔκτισεν ὁ Θεὸς ἄνθρωπον ἐπὶ τῆς γῆς, καὶ ἐπὶ τὸ ἄκρον τοῦ οὐρανοῦ ἕως τοῦ ἄκρου τοῦ οὐρανοῦ, εἰ γέγονε κατὰ τὸ ρῆμα τὸ μέγα τοῦτο, εἰ ἤκουσται τοιοῦτο·
32Ondervraag de oude tijden, die u vooraf zijn gegaan, sinds de dag, dat Jahweh den mens heeft geschapen op aarde; ondervraag het ene eind van de hemel tot het andere eind, of er ooit zo iets groots is geschied en ooit zo iets is gehoord;
33εἰ ἀκήκοεν ἔθνος φωνὴν Θεοῦ ζῶντος λαλοῦντος ἐκ μέσου τοῦ πυρός, ὃν τρόπον ἀκήκοας σὺ καὶ ἔζησας·
33of ooit een volk de stem van een god heeft gehoord, die uit het vuur heeft gesproken, zoals gij hebt gehoord, en in leven bleef;
34εἰ ἐπείρασεν ὁ Θεὸς εἰσελθὼν λαβεῖν ἑαυτῷ ἔθνος ἐκ μέσου ἔθνους ἐν πειρασμῷ καὶ ἐν σημείοις καὶ ἐν τέρασι καί ἐν πολέμῳ καὶ ἐν χειρὶ κραταιᾷ καὶ ἐν βραχίονι ὑψηλῷ καὶ ἐν ὁράμασι μεγάλοις κατὰ πάντα, ὅσα ἐποίησε Κύριος ὁ Θεὸς ἡμῶν ἐν Αἰγύπτῳ ἐνώπιόν σου βλέποντος·
34of ooit een god het heeft beproefd, midden uit een ander volk zich een volk te komen halen door rampen, tekenen, wonderen en oorlogen, met sterke hand, gespierde arm en onder grote verschrikkingen, zoals Jahweh, uw God, voor uw eigen ogen met u heeft gedaan in Egypte.
35ὥστε εἰδῆσαί σε ὅτι Κύριος ὁ Θεός σου, οὗτος Θεός ἐστι, καὶ οὐκ ἔστιν ἔτι πλὴν αὐτοῦ.
35U is het getoond, opdat gij zoudt weten, dat Jahweh God is, en geen ander dan Hij.
36ἐκ τοῦ οὐρανοῦ ἀκουστὴ ἐγένετο ἡ φωνὴ αὐτοῦ παιδεῦσαί σε, καὶ ἐπὶ τῆς γῆς ἔδειξέ σοι τὸ πῦρ αὐτοῦ τὸ μέγα, καὶ τὰ ρήματα αὐτοῦ ἤκουσας ἐκ μέσου τοῦ πυρός.
36Om u te onderrichten heeft Hij uit de hemel zijn stem laten horen en op de aarde u zijn machtig vuur laten zien, en hebt gij midden uit het vuur zijn woorden gehoord.
37διὰ τὸ ἀγαπῆσαι αὐτὸν τοὺς πατέρας σου καὶ ἐξελέξατο τὸ σπέρμα αὐτῶν μετ᾿ αὐτοὺς ὑμᾶς καὶ ἐξήγαγέ σε αὐτὸς ἐν τῇ ἰσχύϊ αὐτοῦ τῇ μεγάλῃ ἐξ Αἰγύπτου
37Omdat Hij uw vaderen heeft bemind en hun nageslacht heeft uitverkoren, omdat Hij u in eigen persoon met grote kracht uit Egypte heeft geleid,
38ἐξολοθρεῦσαι ἔθνη μεγάλα καὶ ἰσχυρότερά σου πρὸ προσώπου σου, εἰσαγαγεῖν σε δοῦναί σοι τὴν γῆν αὐτῶν κληρονομεῖν, καθὼς ἔχεις σήμερον.
38om volken, groter en machtiger dan gij, voor u te verdrijven, u in hun land te geleiden en het u als erfdeel te schenken, zoals heden geschiedt:
39καὶ γνώσῃ σήμερον καὶ ἐπιστραφήσῃ τῇ διανοίᾳ ὅτι Κύριος ὁ Θεός σου οὗτος Θεὸς ἐν τῷ οὐρανῷ ἄνω καὶ ἐπὶ τῆς γῆς κάτω, καὶ οὐκ ἔστιν ἔτι πλὴν αὐτοῦ·
39daarom moet gij heden erkennen en in uw hart prenten, dat Jahweh God is in de hemel daarboven en op aarde beneden, en anders geen.
40καὶ φυλάξασθε τὰς ἐντολὰς αὐτοῦ καὶ τὰ δικαιώματα αὐτοῦ, ὅσα ἐγὼ ἐντέλλομαί σοι σήμερον, ἵνα εὖ σοι γένηται καὶ τοῖς υἱοῖς σου μετὰ σέ, ὅπως μακροήμεροι γένησθε ἐπὶ τῆς γῆς, ἧς Κύριος ὁ Θεός σου δίδωσί σοι πάσας τὰς ἡμέρας.
40Onderhoudt zijn bepalingen en geboden, die ik u heden ga geven, opdat het u en uw zonen na u goed moge gaan, en gij lang het land moogt bewonen, dat Jahweh, uw God, u voor altijd gaat schenken.
41Τότε ἀφώρισε Μωυσῆς τρεῖς πόλεις πέραν τοῦ Ἰορδάνου ἀπὸ ἀνατολῶν ἡλίου
41Toen zonderde Moses in het oosten, in het Overjordaanse, drie steden af,
42φυγεῖν ἐκεῖ τὸν φονευτήν, ὃς ἂν φονεύσῃ τὸν πλησίον οὐκ εἰδώς, καὶ οὗτος οὐ μισῶν αὐτὸν πρὸ τῆς χθὲς καὶ τῆς τρίτης, καὶ καταφεύξεται εἰς μίαν τῶν πόλεων τούτων καὶ ζήσεται·
42waarheen iemand zou kunnen vluchten, die zijn naaste zonder opzet had gedood, en zonder dat hij hem vroeger had gehaat, en waar hij in leven zou blijven als hij in een van die steden de wijk had genomen.
43τὴν Βοσὸρ ἐν τῇ ἐρήμῳ ἐν τῇ γῇ τῇ πεδινῇ τῷ Ρουβὴν καὶ τὴν Ραμὼθ ἐν Γαλαὰδ τῷ Γαδδὶ καὶ τὴν Γαυλὼν ἐν Βασὰν τῷ Μανασσῇ.
43Bij de Rubenieten Béser van de woestijn, in de vlakte, bij de Gadieten Ramot in Gilad, en bij de Manassieten Golan in Basjan.
44Οὗτος ὁ νόμος, ὃν παρέθετο Μωυσῆς ἐνώπιον υἱῶν Ἰσραήλ·
44Dit is de wet, die Moses de Israëlieten voorhield,
45ταῦτα τὰ μαρτύρια καὶ τὰ δικαιώματα καὶ τὰ κρίματα, ὅσα ἐλάλησε Μωυσῆς τοῖς υἱοῖς Ἰσραήλ, ἐξελθόντων αὐτῶν ἐκ γῆς Αἰγύπτου
45en dit zijn de beschikkingen, bepalingen en voorschriften, die Moses aan de Israëlieten afkondigde, na hun uittocht uit Egypte.
46ἐν τῷ πέραν τοῦ Ἰορδάνου, ἐν φάραγγι, ἐγγὺς οἴκου Φογώρ, ἐν γῇ Σηὼν βασιλέως τῶν Ἀμορραίων, ὃς κατῴκει ἐν Ἐσεβών, ὃν ἐπάταξε Μωυσῆς καὶ οἱ υἱοὶ Ἰσραήλ, ἐξελθόντων αὐτῶν ἐκ γῆς Αἰγύπτου
46Het geschiedde in het Overjordaanse, in de vallei tegenover Bet-Peor in het land van Sichon, den koning der Amorieten, die in Chesjbon woonde, nadat Moses en de Israëlieten, na hun uittocht uit Egypte, hem hadden verslagen,
47καὶ ἐκληρονόμησαν τὴν γῆν αὐτοῦ καὶ τὴν γῆν Ὢγ βασιλέως τῆς Βασάν, δύο βασιλέων τῶν Ἀμορραίων, οἳ ἦσαν πέραν τοῦ Ἰορδάνου κατὰ ἀνατολὰς ἡλίου,
47en zijn land en dat van Og, den koning van Basjan, de beide koningen der Amorieten, die ten oosten in het Overjordaanse woonden, in bezit hadden genomen:
48ἀπὸ Ἀροήρ, ἥ ἐστιν ἐπὶ τοῦ χείλους χειμάρρου Ἀρνῶν, καὶ ἐπὶ τοῦ ὄρους τοῦ Σηὼν ὅ ἐστιν Ἀερμών,
48van Aroër af, dat aan de rand van het Arnon-dal ligt tot aan de berg Sirjon (dat is de Hermon)
49πᾶσαν τὴν Ἄραβα πέραν τοῦ Ἰορδάνου κατὰ ἀνατολὰς ἡλίου ὑπὸ Ἀσηδὼθ τὴν λαξευτήν.
49met heel de Araba aan de oostelijke oever van de Jordaan tot aan de zee van de Araba aan de voet van de hellingen van de Pisga.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.